De gevels knipoogden steeds naar hem

Onze oer-Amsterdammer is dood

Geert Mak
Geurt Brinkgreve was een kunstenaar. Als kunstenaar was hij een dromer. Als dromer was hij hartstochtelijk verliefd op zijn stad die, wat hem betreft, voor altijd in haar jeugdige bloei moest blijven. Als minnaar was hij tegelijk een realist, met beide benen op de grond van deze tijd. En als kunstenaar, dromer, minnaar en realist was hij een groot, zeer groot burger van deze stad.

Vrijwel iedere historische stad in Europa heeft de afgelopen decennia figuren gekend als Geurt Brinkgreve. Hun verzet tegen botte kaalslag en stompzinnige moderniteit was – en is – niet alleen een zaak van kunsthistorisch belang. Het had ook te maken met respect voor ambachtelijkheid, voor het natuurlijke gevoel voor schaal en verhoudingen dat kenmerkend is voor de anonieme stedenbouwers uit vroeger tijden, half kunstenaars, half ambachtslieden – net als Geurt Brinkgreve zelf.
“De stenen spreken tot de geest; zij verhalen van het verdriet, de strijd en de overwinning van onze voorouders”, schreef de strijdbare Brusselse burgemeester Karel Buls in 1888. Zijn protestbeweging kwam te laat, de halve middeleeuwse stad was toen al in puin geslagen. Geurt Brinkgreve was er in Amsterdam nog net op tijd bij. Er zijn weinig mensen die kunnen zeggen dat ze eigenhandig het gezicht van een stad bepaald hebben – of gered. Brinkgreve hoorde bij die zeldzame uitzonderingen. In zijn combinatie van idealisme, deskundigheid en doorzettingsvermogen was hij een voorbeeld voor iedere aktievoerder, de bevlogen burger bij uitstek.
Brinkgreve was daarin zowel een dromer als een realist – en die combinatie schept de meest visionaire mensen. Hij vocht voor het behoud van onze wortels, voor eerlijke en reële verbindingen met het verleden. Voor hem was het herstel van de stad niet alleen een daad van cultuurbehoud, maar ook van beschaving. Een historische stad was voor hem een uiting van, zoals hij dat zelf ooit zei, “de echte burgerlijkheid in de oude opvatting van urbanitas, civilisatie”. Hij wilde, bovenal, een omgeving scheppen en herscheppen waarin dat klassieke burgerschap kon blijven bloeien.
Een maand voor zijn overlijden beschreef Geurt me, zoals hij dat uitdrukte, ‘het begin van mijn rampen’, een struikelpartij bij de tramhalte Leidseplein – later bleek dat hij een knieschijf had gebroken, vandaar zijn helse pijnen. Hij sleepte zich met moeite naar een nabije abri. Er stond een groepje doorsnee Amsterdamse jongeren, enkel vervuld van zichzelf en hun immer kakelende mobieltjes. De enige die zich om hem bekommerde was een grote zwarte man: “Oude meneerr heeft errrg pijn”, zei hij, “Ik zal oude meneerrr helpen”. Met behulp van een Turkse taxichauffeur bracht hij hem thuis.
Dat was het Amsterdam zoals Geurt dat in zijn laatste levensjaren meemaakte, zijn grote liefde, zijn Amsterdam waarvan de meeste bewoners hem enkel nog kenden als een ‘oude meneerr’, maar waar de gevels altijd weer naar hem knipoogden: hij wist hun werkelijke verhaal.
De tijdgeest, de mentaliteit van eeuw na eeuw, versteent zich in de stad. En op zijn beurt bepaalt een stad weer de geest van de mensen die er wonen en werken. De 17de en 18de eeuw beheersen ons zo nog steeds. En wij zullen de taal van onze 20ste en 21ste eeuw via ons bouwen weer indirect doorgeven aan het nageslacht. Daarom is de erfenis die Geurt Brinkgreve naliet aan onze stad van kooplieden, dominees, narren, dromers, zwarte mannen en Turkse taxichauffeurs zo fabelachtig: een spel tussen stenen en geest dat eindeloos kan voortduren, een tijdsspiegel die maar heen en weer kaatst van toen naar nu, vol dromen en verwachtingen, vol visies op beschaving en burgerschap, vol eeuwige liefde voor Amsterdam.

Geert Mak

(Uit: Binnenstad 211, mei 2005)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.