Ondoordachte motie van deelraad centrum

Kantoren met allure langs Noord/Zuidlijn en de Nes

Op 28 april is in de stadsdeelraad een motie aangenomen van de leden Smink en Deben over de ontwikkeling van kantorenlocaties met internationale allure. Wie de motie leest vraagt zich verbijsterd af wat de indieners – toch aardige mensen met hart voor de oude stad – is overkomen dat ze het zicht op wat goed is voor de binnenstad helemaal zijn kwijtgeraakt.

De motie, ingediend in de raad van het stadsdeel Amsterdam-Centrum, gaat niet over de Zuidas of over de IJ-oevers maar over de binnenstad, om precies te zijn over het lint Damrak- Rokin-Vijzelstraat. De tekst wordt hieronder in zijn geheel weergegeven om discussie achteraf over wat er nu precies is gezegd te voorkomen.

“De raad van stadsdeel Amsterdam-Centrum,
constaterende dat:

  • de binnenstad aan de vooravond staat van een grote herinrichtingoperatie van de openbare ruimte van het tracé van de Noord/Zuid-lijn;
  • er kansen liggen om langs het lint Damrak, Rokin en Vijzelstraat kantoren te ontwikkelen tot een locatie van internationale allure met in de plint winkels voor publieksfuncties en met mogelijkheden om te wonen;
  • de ontwikkeling van kantoor- en winkellocaties op het Rokin niet los gezien mag worden van de Nes en zelfs door moet lopen naar de Nes,
overwegende dat:
de binnenstad naast woon- en recreatiegebied zich ook kan presenteren als een aantrekkelijke vestigingsplaats voor internationale bedrijven, besluit het dagelijks bestuur te verzoeken om:
  1. Bij de planontwikkeling voor Damrak, Rokin en Vijzelstraat te stimuleren en te bewerkstelligen dat een kantorenlocatie met internationale allure, winkels in de plint met publieksfunctie en mogelijkheden om te wonen opgenomen worden.
  2. Bekendheid te geven aan deze bijzondere mogelijkheden voor het bedrijfsleven door contact op te nemen met de centrale stad voor promotionele activiteiten.
  3. Via de centrale stad aan te sluiten bij de internationale campagne I Amsterdam en het lint Damrak, Rokin en Vijzelstraat als vestigingsplaats met internationale allure aan te prijzen.”

Waar gaat het om?

Onze verbazing betreft natuurlijk niet de publieksfuncties of het wonen, maar de kantoren met internationale allure en de passage over de naar de Nes doorlopende ontwikkeling. Onbestreden is dat het handhaven van passende werkfuncties in de binnenstad, naast het wonen en alle andere bij een levende binnenstad horende voorzieningen, van groot belang is. Een goede mix van deze functies is essentieel voor de aantrekkelijkheid van de binnenstad als woon- en werklocatie. Tegelijk moeten die functies wel passen in de historische structuur van de stad. Daarbij staat met name het handhaven van de maat en schaal en de parcellering van de bebouwing voorop. Dit is geen uitvinding van onze vereniging; het is in tal van bestuurlijke documenten terug te vinden. Dat wil zeggen: geen gebouwen van de maat en de schaal van het bankgebouw voor Mees en Pierson, de voormalige optiebeurs of de bankgebouwen aan de Vijzelstraat.
Dat geldt natuurlijk ook voor het karakter van de Nes. De herkenbaarheid en de kleinschaligheid van dit zeer oude deel van de stad moet worden gehandhaafd. Een doorlopende ontwikkeling van het Rokin naar de Nes is cultuurhistorisch en stedenbouwkundig zeer ongewenst en doet ernstig afbreuk aan de ontwikkelingsgeschiedenis en het eigen karakter van deze straat. De achterkant van genoemde gebouwen maakt dat meer dan duidelijk.

Na een valse start aan de IJ-oevers is uiteindelijk besloten te kiezen voor een ontwikkeling op de Zuidas, op een knooppunt van weg- en railverbindingen en gunstig gelegen t.o.v. Schiphol. Nog steeds loopt de discussie over de vraag of de behoefte aan een werkmilieu van het gewenste niveau wel groot genoeg zal zijn om voor het zeer ambitieuze plan voldoende draagvlak te krijgen, maar men heeft besloten met dit project door te gaan.
In de afgelopen jaren is bij vele gelegenheden geconstateerd dat de binnenstad volop mogelijkheden biedt en moet bieden voor werkgelegenheid, maar dat grootschalige werkgelegenheid daar niet op zijn plaats is. Tegen die achtergrond is de nu aangenomen motie een verbazingwekkende uitspraak. Wat kan de indieners hebben bewogen?

Een misverstand?

De Noord/Zuid-lijn is een belangrijke vervoersas in de Amsterdam en op termijn hopelijk in de Amsterdamse agglomeratie. Voor de binnenstad is de betekenis beperkter maar natuurlijk niet afwezig. In de omgeving van de stations zal de invloed op de waarde van de bebouwing zeker merkbaar zijn en het is zaak te zorgen dat in de bestemmingsplannen goed wordt vastgelegd wat daar mogelijk is. Uitgangspunt daarbij moet zijn dat grootschalige ontwikkelingen moeten worden tegengehouden.
De directe invloed van de Noord/Zuid-lijn concentreert zich in de binnenstad nadrukkelijk op de omgeving van de stations. Als de lijn eenmaal in bedrijf is, is daarvan buiten die plekken niets meer te merken, en daarmee mogen we heel blij zijn.
Op een of andere manier heeft het idee postgevat dat de ondergrondse loop van de Noord/Zuidlijn bovengronds herkenbaar moet zijn. Waarom dat zou moeten is volstrekt onduidelijk en in andere steden met een ondergronds vervoerssysteem is daarvan in het algemeen dan ook geen sprake. Het feit dat de lijn voor een deel de oude Amstelloop volgt is op zich geen reden voor een bijzondere ontwikkeling en de Vijzelstraat sluit daar al helemaal niet bij aan. In recente expertmeetings is nog eens bevestigd dat er ook in Amsterdam geen aanleiding is voor een bovengrondse verwijzing naar wat zich in de tweede zandlaag afspeelt. Wellicht is de misvatting een wat ondoordachte vertaling van het onbetwiste gegeven dat na de werkzaamheden voor de stations de bovengrondse omgeving in een goede staat en liefst een betere dan voorheen moet worden gebracht.

Wel herinrichting

Bij de herinrichting van het Rokin, die ingrijpend moet zijn, is er alle reden om te bezien of daarbij aan het oudere historische gegeven van de voormalige Amstelloop aansluiting kan worden gevonden. Op het Damrak verandert er in hoofdlijnen ruimtelijk weinig. Dat neemt niet weg dat ook daar in de sfeer van het stedelijk beheer veel moet gebeuren.
De Vijzelstraat is een opgave op zichzelf. Daar heeft zich een aantal jaren geleden een zekere communis opinio uitgekristalliseerd dat de wat onevenwichtige situatie, die bij de verbreding is ontstaan, als gegeven moest worden genomen. Tegenover de grootschalige westkant zou de oostkant zijn kleinschalige karakter moeten behouden. Met verschillende bouwplannen wordt daaraan nu daadwerkelijk gestalte gegeven. Van een goede mix van verschillende functies is hier geen sprake. Integendeel, de kantoorfunctie domineert hier al veel te sterk.
Wat verder in recente besprekingen eveneens als breed gedragen opvatting naar voren is gekomen, is dat de herinrichting aan zou moeten sluiten bij wat in het Handboek Openbare Ruimte is neergelegd en dat er geen aanleiding is om opeens voor heel andere uitgangspunten te kiezen.
De conclusie moet dan ook zijn dat ook de herinrichting van de openbare ruimte geen directe relatie heeft met het onderliggende vervoerssysteem.

Kleinschalig karakter

Betekenen de twee conclusies die hierboven zijn getrokken – geen grootschalige ontwikkelingen en geen koppeling van de bovengrondse inrichting aan de ondergrondse lijn – dat er niets bijzonders moet gebeuren? Neen, dat is beslist wél het geval. De zorg van de indieners van de motie voor ongewenste ontwikkelingen komt niet uit de lucht vallen en het is terecht dat zij zich afvragen welke kant we op zouden moeten. Wat zouden daarbij gemeenschappelijke uitgangspunten kunnen zijn?
Over de wenselijkheid van een hoogwaardige ontwikkeling zijn wij het volstrekt eens. Als die wordt gekoppeld aan kleinschaligheid is er al veel kou uit de lucht, maar het woord allure roept voorlopig allerlei verkeerde associaties op. Wij willen immers ontwikkelingen die zich voegen in het Amsterdamse stadsbeeld. Die mogen best internationaal zijn, maar aan internationale eenheidsworst heeft Amsterdam helemaal geen behoefte. De stad moet zich onderscheiden door zijn eigen karakter, alleen daar valt, ook economisch, winst te behalen. Dat betekent geen ontwikkelingen als op het Damrak, die uitsluitend lijken te zijn ingegeven door de wens van een zo groot mogelijk rendement op zo kort mogelijke termijn. We moeten koersen op een duurzame ontwikkeling op langere termijn, waarbij de overheid duidelijke randvoorwaarden stelt en misschien nog liever op een of andere manier participeert. Aan particuliere zijde moet het gaan om beleggingen op lang zicht en dus om langjarig eigendom. Geen gemakkelijke weg, maar wel een die de meeste kans op een stabiele hoogwaardige ontwikkeling biedt.

Het onmisbare wonen

Anders dan de indieners van de motie veronderstellen gaat het niet eens primair om hoogwaardige bedrijvigheid, hoewel die niet mag worden uitgesloten. Minstens zo belangrijk is de ontwikkeling van het wonen, niet als monocultuur, maar juist als onmisbare toevoeging op een plek waar zij veel te sterk ontbreekt. Al jaren worstelen wij met de problematiek van de dode verdiepingen boven winkels. Toevoeging van kantoren is geen oplossing voor dat probleem; ook kantoren leveren ’s avonds immers een doods beeld op. Met name voor de zone tussen Rokin en Kalverstraat moet deze mogelijkheid worden aangegrepen om een sprong voorwaarts te maken. Als het nu niet lukt dan lukt het nooit. Aan de andere zijde van het Rokin geldt eigenlijk hetzelfde. Een gedifferentieerde ontwikkeling in de plint, kleinschalig aan de kant van de Nes, wat ruimer aan de kant van het Rokin, met daarboven bij voorkeur juist een woonontwikkeling. Op die manier krijgt Amsterdam weer een centrum terug dat ook bij avond op verschillende manieren leeft. Dat we daarbij niet direct aan sociale woningbouw moeten denken zal duidelijk zijn.

De openbare ruimte

De inrichting van de openbare ruimte moet zijn toegesneden op de specifieke situatie in de verschillende onderdelen van de route en moet niet uitgaan van de gedachte dat het om een doorgaand lint gaat. Daarvoor is geen aanleiding en juist de nadruk op de eenheid doet tekort aan de typisch Amsterdamse gedifferentieerdheid. Laat ik, zonder pretentie, eens een poging wagen.
Langs het Damrak moet worden ingespeeld op het gegeven dat zich aan de westkant een geconcentreerde voetgangersstroom beweegt, terwijl de oostkant heel gedifferentieerd is. Aan de westkant daarom een doorlopende inrichting. Aan de oostkant dient eerst het water een grote rol te krijgen en moet de achterkant van de Warmoesstraat duidelijker in beeld komen. De grote bouwmassa’s van de Beurs en de Bijenkorf met het tussenliggende Beursplein vormen aan die kant het tweede thema.
De Dam is nadrukkelijk geen route maar een plein met een geheel eigen karakter, tegelijk rustpunt en verbindingsknoop in de route.
De ruimte van het Rokin vraagt om een geheel andere inrichting. Herstel van het water zou een optie zijn geweest, maar die lijkt intussen achterhaald. De ruimte is te breed om uit zichzelf al een lineair karakter te hebben en een vijvertje als verwijzing naar de oude Amstelloop lijkt niet erg gelukkig. Zou een zware lineaire beplanting op het gedempte gedeelte gewenst zijn of moet hier meer, ook door beplanting, een plein worden gesuggereerd?
Het Muntplein is een moeilijke knoop. Misschien moet juist dat knooppuntkarakter worden vervangen door een pleinkarakter, maar is dat fysiek uitvoerbaar? In ieder geval moet de huidige situatie ingrijpend worden verbeterd. Wat het alternatief voor de verkeersfunctie zou moeten zijn is niet direct duidelijk.
Over de Vijzelstraat is eerder al wat gezegd. Hier lijkt het accentueren van de verblijfsfunctie aan de oostkant het meest voor de hand te liggen. De deelraadsfractie van Groen Links heeft daarvoor een voorzet gedaan, waarbij men wel wat gemakkelijk aan de verkeersaspecten voorbij is gegaan.
Aansluiting bij de bestuurlijk vastgelegde inrichtingsprincipes voor de openbare ruimte van de binnenstad is zeer gewenst. Het idee van een doorgaande route daarentegen lijkt zo snel mogelijk te moeten worden losgelaten.

Tenslotte

Het zal duidelijk zijn dat de ingediende motie niet erg doordacht lijkt. Dat neemt niet weg dat de zorg van de indieners over de toekomstige ontwikkelingen terecht is. Als de motie leidt tot een intensieve bespreking tussen alle betrokkenen van waar we heen willen en hoe we dat ook feitelijk gaan aanpakken heeft hij toch een belangrijke functie vervuld. Dat bij de betrokkenen ook de Amsterdamse burgers en organisaties als onze vereniging horen spreekt vanzelf.

Herman Pinkse

(Uit: Binnenstad 212, juli 2005)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.