Kantoren met allure langs Noord/Zuidlijn en Nes

De prinses heeft potentie, maar moet wakker worden gekust

In zijn beschouwing “Kantoren met allure langs Noord/Zuidlijn en Nes” reageerde Herman Pinkse in Binnenstad 212 op een motie, ingediend in de raad van het stadsdeel Centrum (1). Pinkse vreest dat de motie de deur openzet naar grootschalige nieuwbouw en tekent verzet aan tegen het bovengronds zichtbaar maken van het ondergrondse metrotracé. Als mede-indiener van de motie reageert PvdA-deelraadslid Leon Deben op dit artikel. Hij vindt dat de zorgen van Pinkse onterecht zijn; sterker nog, dat Pinkse en hij het eigenlijk eens zijn.
De Nes: doet ook mee met het Rokin met de allureverbetering

Het is zeker niet de bedoeling het ondergrondse metrotracé bovengronds zichtbaar te maken; integendeel. Wij bepleiten in de motie slechts dat monocultuur bij kantorenbouw vermeden moet worden; dus winkels en horeca in de plint en een redelijke mix met woonfuncties. Een dergelijke eenheid van aanpak leidt vanzelfsprekend niet tot monotone vormgeving. Sterker nog, juist als een integrale visie op het hele gebied dat nu eenmaal heringericht moet worden ontbreekt, dreigt het gevaar van een havermoutachtige oplossing: overal hetzelfde suffe, structuurloze beeld.
Voor een nadere uitleg van deze ingewikkelde materie verwijs ik naar bijgaand kader, ontleend aan een door Auke Bijlsma en mij geschreven nota, die bedoeld was om discussie uit te lokken over de herinrichting van het tracé boven de Noord/Zuidlijn. Het zag er immers naar uit dat de gemeente hier een enorme kans zou laten liggen. Er was geen geld (behalve voor het terugbrengen van de oude betontegels) en elk spoor van visie ontbrak. Tijdens een discussieavond op 10 mei bleek dat de ambtenaren al bezig waren met de kleur van de straatstenen, zonder dat er over de context was nagedacht. In onze nota worden (mogelijke) randvoorwaarden geformuleerd, geen oplossingen; die moeten uit de publieke discussie komen.
Wij wijzen in onze nota op de unieke kans het centrumgebied eens een echte impuls te geven en af te rekenen met de heersende morsigheid. De motie in de deelraad gaat over dezelfde materie maar betekent niet het einde van de discussie over onze nota; die moet in feite nog beginnen.

Grootschaligheid en allure

Het woord allure hadden we in onze motie wellicht beter niet kunnen gebruiken, omdat het onbedoelde gedachteassociaties oproept. Zo veronderstelt Pinkse impliciet dat allure direct leidt tot grootschaligheid. In dit verband is het van belang te benadrukken dat de centrale gemeenteraad destijds heeft besloten tot speciale bestemmingsplannen langs het Noord/Zuidlijntracé, om cityvorming te voorkomen. Men vreesde dat de investeerders als vliegen op de stroop zouden afkomen op de locaties nabij de metrostations, net als in de jaren zeventig bij de Oostlijn. In onze discussienota hebben wij dat fenomeen aangeduid met de term Engelse ziekte, omdat het toen vooral Engelse investeerders betrof. Het bestemmingsplan biedt mijns inziens voldoende waarborgen tegen de terecht gevreesde grootschaligheid en onze motie tast het bestemmingsplan op geen enkele wijze aan. Allure is echt iets anders dan grootschaligheid, zeker in de binnenstad. Wat bedoelen de indieners dan wél met de term ‘allure’? Een korte wandeling over de Nes, het Damrak, het Rokin en de Vijzelstraat bewijst dat kwaliteit daar pijnlijk ontbreekt, maar dat de potentie daartoe nog steeds aanwezig is. De prinses moet wakker worden gekust! Als we de kwaliteit van dergelijke gebieden willen opkrikken tot een aanvaardbaar niveau kunnen we echter niet volstaan met een verantwoorde maaiveldinrichting, het stedenbouwkundige beeld en de leefomgeving worden immers vooral bepaald door de omringende bebouwing met zijn functies. Dat vergt forse investeringen van particulieren en bedrijven, maar die moeten daartoe wél worden geprikkeld want de Vijzelstraat is nu eenmaal niet het eerste wat opkomt in het hoofd van iemand die een locatie van allure zoekt. Dat beeld moet veranderen – dat was het doel van de motie.

Gewenste functies

Herman Pinkse schrijft terecht dat het handhaven van passende werkfuncties in de binnenstad onomstreden is. Amsterdam is een consumptiestad geworden, het is allang geen productiestad meer en zelfs de dienstverlening verdwijnt naar de stadsranden. Bij het zoeken naar een nieuwe werkgelegenheidsstructuur voor de binnenstad moet het begrip functiemenging voorop blijven staan, dus wonen, werken en recreëren zonder dat het één het ander overvleugelt. Daarbij moet de werkgelegenheid zich richten op alle soorten van dienstverlening. Dat vraagt om flexibele ruimten voor alle mogelijke adviesbureaus en ook voor de alsmaar uitdijende mediawereld; het type bedrijven dus dat zich meer thuis voelt in de binnenstad dan langs de snelweg. Geef hen de ruimte en houd de komst van bijvoorbeeld internationale winkelketens en platte vermaaksindustrie zoveel mogelijk tegen.
Verwacht mag worden dat er in het najaar belangrijke besluiten worden genomen over de herinrichting van Damrak, Rokin en Vijzelstraat. Ik hoop van harte dat alle betrokkenen, inwoners en instellingen als de VVAB daaraan hun steentje zullen bijdragen zodat we in 2012 trots kunnen zijn op een fraaie binnenstad.

Leon Deben

Samenhang en eenvormigheid

Het streven naar samenhang in visie en ontwerp betekent absoluut niet dat naar eenvormigheid gestreefd zou moeten worden, integendeel. Het Stationsplein, de Dam en het Weteringcircuit verschillen onderling sterk van karakter en hetzelfde blijkt als we het Damrak, het Rokin, de Vijzelstraat en de Ferdinand Bolstraat onderling vergelijken. De ontwerpopgave komt erop neer dat het eigen karakter van al die stedelijke gebieden versterkt moet worden. Van eenvormigheid zal dus geen sprake mogen zijn, de metrolijn moet bovengronds niet zichtbaar zijn als doorlopende boulevard met overal dezelfde aankleding. Maar de paradox is dat die eenvormigheid juist wél dreigt te ontstaan als er niet vanuit één visie wordt gewerkt. Zo kunnen ook nieuwbouwwijken van overigens totaal verschillende gemeenten als twee druppels water op elkaar lijken!
Waarin manifesteert zich de bedoelde samenhang en eenheid van visie dan wél? Wij sommen een aantal eisen op, waarbij we de diverse straten en ‘pleinen’ in het traject even als ruimtelijke eenheden bestempelen, en waarbij we het wegprofiel, de bestrating, de lantarenpalen, de bomen, de papierbakken, zitbanken en overig straatmeubilair en tenslotte ook de wachthuisjes voor de tram en de ingangen van de metro onder de noemer ‘inrichtingselementen’ vatten:

  1. Binnen elke ruimtelijke eenheid moet het ontwerp van de inrichtingselementen in één hand zijn; waarbij wél sprake moet zijn van eenheid in materiaalkeuze en vormgeving en waarbij (zoals opgemerkt) de eigenheid van elke straat en elk plein wordt versterkt.
  2. De inrichting van elke ruimtelijke eenheid (straat of plein) moet afgeleid zijn van een functionele totaalvisie voor wat betreft het verkeersbeeld en de ruimte die wordt gegeven aan voetgangersstromen, auto’s en openbaar vervoer.
  3. De overgangen tussen de verschillende straten en pleinen moeten ook qua vormgeving vloeiend verlopen, zodat ‘botsingen’ (zoals men dat vaak ziet bij de aansluiting van twee verschillende grachtenprofielen) worden voorkomen.
  4. Over de hele lengte moet het ruimtelijk scenario als uitgangspunt worden genomen, omdat de derde dimensie van gevelopstanden bepalend moet zijn voor het totaalbeeld hetgeen per trajectonderdeel weer andere eisen stelt aan bijvoorbeeld de bestrating. Zo is de bestrating van de Dam terecht mede afgestemd op de aanwezigheid van het paleis als gebouw.
  5. Overal waar mogelijk verdient de waterfunctie extra aandacht; dus bij het CS de voorgenomen uitbreiding doorvoeren, bij het Damrak de visuele obstakels wegnemen en bij het Rokin het water zo mogelijk terugbrengen. Ook dit is een duidelijk voorbeeld van eenheid in visie in combinatie met verschil in vormgeving.
  6. Op elk gebied moet worden voorkomen dat de diverse gemeentelijke diensten elk hun eigen stempel drukken op situering en vormgeving.
  7. Het ideaal samengevat: functionele eenheid, gedifferentieerd uiterlijk.
(Uit de ontwerp-PvdA-nota “De openbare ruimte boven de N/Z-lijn 2012” van Auke Bijlsma en Leon Deben, versie april 2005).

(1) Zie: Binnenstad 212. In dit artikel is tevens de tekst van de door PvdA en VVD ingediende en door de deelraad op 28 april 2005 aanvaarde motie integraal weergegeven.

(Uit: Binnenstad 213, oktober 2005)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.