Bomen horen op de grachten

De Herengracht bij het Bijbels Museum met jonge aanplant.
Op de Herengracht tussen de Huidenstraat en de Leidsegracht bij het Bijbels Museum hebben na de herinrichting van de straat enige tijd geen bomen gestaan. Het zicht op de gevelwand was zo fraai dat sommigen zich afvroegen of de stad zonder bomen niet mooier zou zijn. In de deelraad Amsterdam-Centrum werd voorgesteld om na een walmuurvernieuwing of herinrichting voor de periode van één jaar te wachten met het herplanten van bomen. Naar aanleiding daarvan is de vraag gesteld of er geen historisch argument is voor het weglaten van de bomen. Walther Schoonenberg houdt een pleidooi vóór de bomen.

De bomen langs de grachten vormen een onderdeel van de renaissancistische ‘ideale stad’ die de Amsterdamse stedenbouwers in de 17de eeuw voor ogen hadden. Het was van begin af aan de bedoeling dat er bomen langs de grachten zouden komen - ze maken deel uit van wat wij tegenwoordig het stedenbouwkundig plan zouden noemen. (1)
Deze stelling lijkt in strijd met het bekende schilderij De bocht in de Herengracht van Gerrit Berckheyde uit 1672 (afb. 1). Het gedeelte van de Herengracht dat Berckheyde schilderde, is een onderdeel van de Vierde Uitleg van 1660. Toen Berckheyde in 1672 dit schilderij maakte, was dit deel van de stad juist aangelegd. Door het ontbreken van de bomen komen de gevels duidelijker uit en maakt de gracht een enigszins Venetiaanse indruk. Voor de andere schilderijen van de schilder van deze locatie geldt hetzelfde.

Afb. 1: Gerrit Berckheyde, De bocht in de Herengracht vanaf de brug in de Leidsestraat (1672). Schilderij, 40,5 x 63 cm (Rijksmuseum Amsterdam). Op dit schilderij ontbreken de bomen. Er bestaan twee andere schilderijen van deze locatie gezien vanaf de brug in de Vijzelstraat, uit 1671/'72 en uit 1685, beide zonder bomen. Afb. 2: Gerrit Berckheyde, Voorstudie voor het bovenstaande schilderij (1672). Tekening, 208 x 395 mm (Gemeentearchief Amsterdam). Hierop zijn zowel aan de linker- als aan de rechterzijde bomen te zien, maar deze zijn kennelijk bewust weggelaten op het schilderij uit hetzelfde jaar

Dit bewijst echter niet dat het de bedoeling was om er geen bomen aan te planten, of zelfs dat er op dat moment niet al bomen stonden. Er zijn immers andere afbeeldingen van de pas aangelegde grachtengordel waarop wel bomen staan. Bovendien bestaat er een voorstudie voor het bovengenoemde schilderij van Berckheyde zelf, waarop wel al pas aangeplante bomen zijn afgebeeld (afb. 2). Op deze tekening zijn aan de linkerzijde van de gracht, waarvan de bebouwing voltooid werd in 1670, grotere bomen te zien dan aan de rechterzijde, die omstreeks 1672 gereed kwam. Berckheyde liet de bomen op zijn schilderij dus bewust weg – op de tekening ziet men ook waarom: de aanplant ontneemt het zicht op de gevelwand. Een andere mogelijkheid is dat het de wens van de opdrachtgever was om de huizen op het schilderij beter uit te laten komen. (2)

Nu is aangetoond dat er wel degelijk bomen stonden langs deze gracht, kan de vraag gesteld worden of deze ook een onderdeel vormden van een stedenbouwkundig plan. De vraag of aan het 17de-eeuwse Amsterdam een ‘masterplan’ ten grondslag ligt, is al geruime tijd een discussiepunt onder historici. (3) In mijn overtuiging is er echter rond 1610 sprake van een totaalplan, dat in twee fasen – de Derde Uitleg van 1610 en de Vierde Uitleg van 1660 – is uitgevoerd. Het uiteindelijke resultaat wijkt op een aantal belangrijke punten af van het oorspronkelijke plan, maar voor onze probleemstelling is dat niet belangrijk. Wel van belang is dat vanaf 1610 het eerste deel van de grachtengordel werd aangelegd dat na 1660 tot voorbij de Amstel is voortgezet – kennelijk wist men al in 1610 hoe de uiteindelijke vorm van de stad moest worden. Een indicatie daarvoor die tot nu toe nauwelijks is onderzocht, is een opvallende overeenkomst in beide stadsuitleggingen: er worden bomen aangeplant zodra de kavels zijn bebouwd.

De eerste boomaanplant

Op de stadsplattegrond van Pieter Bast uit 1597 is de Eerste Uitleg van 1585 afgebeeld. Op deze kaart is voor het eerst een regelmatige boomaanplant langs een gracht waarneembaar, namelijk aan de bínnenzijde van de stadswal van 1585, de westelijke binnengracht die in de stadsuitleg van 1610 omgevormd zou worden tot de Herengracht (afb. 3). De bomen zijn op ‘renaissancistische wijze’ aangeplant: ze staan op vaste afstand van elkaar. Voor ons is dat misschien vertrouwd, maar aan het einde van de 16de eeuw was dit voor Nederland een nieuw gegeven – in de natuur komt het immers niet voor. Boudewijn Bakker herkent hierin de invloed van de Renaissance in Amsterdam. De Italiaanse bouwmeester Palladio had immers in zijn Quattro libri dell’architettura (1570) speciale aandacht besteed aan de straat in de stad. “De schoonheid die sierlijke bouwwerken aan de straat kunnen geven wordt versterkt wanneer aan beide zijden van de weg bomen worden geplant die door hun bladeren de geest verlevendigen en door hun schaduw een groot comfort leveren”. (4)
Het moment waarop de systematische aanplant van bomen langs de Amsterdamse grachten begint, valt samen met de periode aan het eind van de 16de eeuw wanneer ook de Renaissance-architectuur van bijv. Hendrick de Keyser zijn intrede doet in Amsterdam.
Over de aanplant van bomen was menigeen enthousiast. Tomaso Contarini schreef in 1610, nog voor de grote uitleg van de grachtengordel was begonnen: “De stad wordt doorsneden door vele grachten, evenals Venetië, en in het nieuwe gedeelte [de stadsuitleg van 1585] zijn deze ruim en recht met aan beide zijden zeer brede kaden, zodat ze precies op Cannareggio lijken [een wijk in Venetië die eveneens is opgebouwd uit rechthoekige kunstmatige eilanden], maar heel veel mooier, omdat ze gewoon zijn om langs de hele lengte van de gracht aan de rand van de kaden een rechte rij grote bomen te planten, die ze ‘lind’ noemen en die door hun groen zeer veel bijdragen aan de fraaiheid van deze en andere steden”. (5)

Afb. 3: Detail van de kaart van Pieter Bast uit 1597 met een regelmatige bomenrij langs de stadsgracht binnen de stadswal, de latere Herengracht. Afb. 4 Dit detail van de kaart van Balthazar Florisz. van Berckenrode uit 1625 toont aan dat er in dat jaar al bomenrijen langs alle grachten van de nieuwe stad van 1613 zijn en zelfs ook in de oude stad van daarvoor.

De regelmatige aanplant van bomen langs de grachten in de stadsuitleg van 1585 is dus niet bij toeval ontstaan, maar vormt een onderdeel van de ‘ideale stad’ die de Amsterdamse stedenbouwers aantroffen in de handboeken van Palladio en die zij wilden nabootsen. Het lag voor de hand dat dat idee in het grote plan van 1610 zou worden nagevolgd.

Onderdeel van het stedenbouwkundig plan

Van de twee fasen van de grote stadsuitleggingen van 1610 en 1660 bestaan diverse grote stadsplattegronden. Op de grote kaart van Balthazar Florisz. van Berckenrode uit 1625 zijn zeer nauwkeurig alle huizen en zelfs alle bomen in opstand getekend. Op deze kaart is duidelijk te zien dat op alle nieuwe grachten van de Derde Uitleg, maar ook op het in 1597 nog niet beplante Singel een regelmatige beplanting van bomen voorkomt (afb. 4). Bij nauwkeurige bestudering blijkt dat de gaten in de regelmatige beplanting precies daar voorkomen waar de door de stad uitgegeven kavels nog niet zijn bebouwd. De bomen werden dus aangeplant zodra de bebouwing was voltooid. Kennelijk ondervond men bij de bouw van een grachtenhuis hinder van de bomen, waarschijnlijk vanwege de aanvoer van bouwmaterialen over het water.
Aangezien de aanplant van bomen langs de grachten plaatsvond zodra de (meeste) huizen waren gebouwd, concluderen wij dat de structuur van bomen langs de grachten een onderdeel vormt van het ‘masterplan’ van 1610 dat in twee fasen, in 1610 en 1660, is uitgevoerd.
Volgens een keur uit 1612 strekten de bomen tot “cieraet ende plaisantie” van het straatbeeld. Bovendien werd door de aanwezigheid van bomen “de soete lucht” bevorderd. Het ging dus niet alleen om het stedenschoon, maar ook om de gezondheid van de burgers. De bomen gaven niet alleen schaduw, maar ze zorgden ook voor zuurstof (‘soete lucht’). Het 17de- eeuwse Amsterdam was dus niet alleen een waterstad, maar ook een groene stad. Ook tijdgenoten zagen dat: de Duitse stadsbeschrijver Philipp von Zesen bijvoorbeeld is bijzonder onder de indruk van de overweldigende schoonheid van de grachtengordel, waarin hij zich "als in een aards paradijs, als in een groot lustwoud" waant. Hij noemt vier elementen in het bijzonder: de lange rechte waterlopen, de regelmatig bestrate voet- en rijwegen, de lange rechte rijen huizen en de rijen bomen. (6)
Amsterdam was waarschijnlijk de eerste Europese stad waar de stedelijke overheid binnen de stad een systematische boombeplanting liet aanleggen. Ook de zorg voor het openbaar groen was een overheidstaak. In 1631 viel deze toe aan twee door het stadsbestuur te benoemen stadshoutvesters, terwijl één of meer boomplanters of ‘stadsgaardeniers’ de uitvoering op zich namen.

Concluderend kan gesteld worden dat de bomen een essentieel onderdeel vormen van de schoonheid en het unieke karakter van de Amsterdamse binnenstad en tezamen met de grachten, de bruggen en de huizen een harmonieus stadsbeeld tot stand brengen. We kunnen zelfs zeggen dat de bomen langs de grachten een typerend en beeldbepalend element vormen van de stedenbouwkundige structuur.
Dit betekent niet dat het voorstel in de deelraad om de bomen na een herinrichting pas na een jaar aan te planten, een slecht idee is. Het is immers best aardig een tijdje vrij zicht te hebben op een monumentale gevelwand - zodat je je even in een 17de-eeuwse Berckheyde waant. Zolang het maar niet de bedoeling is de bomen voor altijd weg te laten.

Walther Schoonenberg

Voetnoten:

  1. Dit artikel maakt dankbaar gebruik van de grote hoeveelheid informatie verschaft door Boudewijn Bakker in de nieuwe Geschiedenis van Amsterdam, deel II-1.
  2. Zie: J.F.L. Balbian Verster, "De Bocht van de Herengracht", in: Jaarboek Amstelodamum 27 (1930), p. 182, en S.A.C. Dudok van Heel, "Een nieuwe Berckheijde van de Herengracht", in: Maandblad Amstelodamum 89-4 (2002), p. 4 en 10.
  3. Zie bijvoorbeeld: Boudewijn Bakker, "De Stadsuitleg van 1610 en het ideaal van de 'volcomen stadt'- Meesterplan of mythe?", Jaarboek Amstelodamum 87 (1995).
  4. Geciteerd door Ed Taverne, in: In 't land van belofte: Ideaal en werkelijkheid van de stadsuitleg in de Republiek, 1580-1680, p. 32.
  5. Geciteerd door Boudewijn Bakker, in: Jaarboek Amstelodamum 87 (1995), p. 91.
  6. Geciteerd door Boudewijn Bakker, in de Geschiedenis van Amsterdam, deel II-1, p. 87.

(Uit: Binnenstad 215, februari 2006)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.