IV. Vensters, ramen en roeden

Het gevelbeeld van Amsterdamse huizen wordt, behalve door deuren en snijramen, voornamelijk bepaald door de grote variatie aan vensters. Deze rijke variatie is in de loop van de geschiedenis ontstaan. De historische ontwikkeling van de raam- en roedeverdeling in combinatie met de profilering maakt het mogelijk de ouderdom van de vensters te herkennen.

De in het eerste artikel genoemde traditionele maatverhoudingen zijn ook van toepassing op de vensterindeling. Opvallend is dat de hoogtemaat van de vensters in een gevel naar boven toe meestal afneemt, maar dat heeft een heel andere oorsprong dan deze ontwerpverhoudingen. Door de afnemende hoogte lijken de meeste panden hoger dan in werkelijkheid. De verklaring hiervan is eenvoudig dat de huizen in het verleden naar boven toe steeds lagere verdiepingshoogten kregen en boven minder glasoppervlak nodig hadden in verband met de lichttoetreding.
Huizen na 1850 kregen, omdat ze gebouwd werden als meergezinswoningen, wel dezelfde verdiepingshoogte. De vensters werden vanuit het interieur boven tegen de plafonds geplaatst om zo hoog mogelijk het daglicht te vangen. Deze traditie van de plaatsing van de vensters in de gevel bleef nog lange tijd in stand. Dit verklaart tevens de hoogteverschillen in de gevels van deze vensters.

1.
Kruisvenster,
2de helft 17de eeuw
2.
Vijfdeling,
1ste helft 18de eeuw
3.
Vierdeling,
2de helft 18de eeuw
4.
Driedeling,
eind 18de eeuw
5.
Empire (draaiend),
eind 18de eeuw
6.
Schuifraam,
begin 19de eeuw
7.
Tweedeling,
midden 19de eeuw
8.
Tweedeling,
2de helft 19de eeuw
9.
T-venster,
na 1860
10.
T-venster (draaiend),
20ste eeuw
11.
2de kwart 20ste eeuw
12.
2de kwart 20ste eeuw

Raamverdelingen

Het vensterglas wordt gevat in kleine roeden en beide samen in een houten raam – de zwaardere omlijsting van de roeden en het glas samen. Het raam wordt op zijn beurt in een kozijn bevestigd. De historische ontwikkeling van de roedeverdeling in de ramen hangt nauw samen met de technische ontwikkeling van de glasfabricage. Vóór 1650 konden uit zogenaamd ‘schijvenglas’ alleen kleine ruitjes worden gesneden, die als glas-in-lood in de vensters werden geplaatst. In de tweede helft van de 17de eeuw werden de ruitjes groter, ongeveer 20 x 25 cm. Het lood was echter te slap om deze ruiten te kunnen dragen. Vanaf die periode werd het glas-in-lood dan ook vervangen door glas in houten roeden.
In kruisvensters werden ramen met bolgeprofileerde raamroeden toegepast (tek. 1). Voor zolders en pakhuizen werden ongeprofileerde rechthoekige roeden gebruikt (tek. 1a).

Schuiframen

Bij de komst van het schuifraam in de eerste helft van de 18de eeuw past men deze profilering nog steeds toe, meestal vijf ruiten in de breedte van het raam: een vijfindeling (tek. 2). Tussen 1750 en 1780 ziet men een vierindeling met brede roeden met ‘duivenjagers’ (tek. 3). Eind 18de, begin 19de eeuw komt zowel een driedeling voor als een tweedeling met een zware middenstijl, het zogenaamde empireraam (tek. 4-5-6). De driedeling kwam voor in achtergevels en tot ca. 1850 in eenvoudige huizen, de tweedeling met grotere (en duurdere) ruiten werd in de voorgevels van meer aanzienlijke panden toegepast. Omdat het raamhout dikker was dan de roeden, werd als overgang tussen het raam en de roede een extra profiel aan het raam geschaafd. Bij de bolgeprofileerde roede werd dat een holprofiel en bij de duivenjager een rechthoekig profiel.
Vanaf 1850 worden in alle panden ramen met twee ruiten in de breedte toegepast (tek. 7). In die periode werd meestal de ojiefvorm als profilering gebruikt. Het schuifraam met tweedeling wordt daarna ook zonder horizontale roede uitgevoerd, zie o.m. de gevel van de voormalige Nederlandsche Bank – nu Allard Pierson Museum – aan de Oude Turfmarkt (tek. 8). De ‘T-ramen’ bestrijken de periode van 1860 tot aan het begin van de 20ste eeuw (tek. 9). Vanaf het begin van de 20ste eeuw komt het schuifraam zonder roede voor (tek. 12). In de Amsterdamse-school-periode (1920-1940) past men echter opnieuw roeden in de bovenlichten van de schuiframen toe (tek. 11). De roedeprofilering varieert van een grote duivenjager en ‘rechthoekige schaafjes’ tot een simpele schuine vorm (tek. 12). Zelfs het glas- in-lood keert in die periode weer terug in het bovenlicht.

Draairamen

De eerste kleine draairamen met houten roeden werden in de 17de eeuw als onderramen in de kruiskozijnen geplaatst. Het bovenste deel bestond echter uit vast glas gevat in roeden.
Draairamen (tek. 5) werden in de 18de eeuw in Frankrijk veel toegepast. In Amsterdam komen ze pas aan het einde van de eeuw voor bij de Franse Schouwburg (de Kleine Komedie) uit 1786 aan de Amstel en bij Felix Meritis (1788) op de Keizersgracht. Architect Abraham van der Hart en architect Jacob Husly pasten ze voor het eerst in Amsterdam toe. In de 19de eeuw werden de empireramen ook wel alleen aan de onderzijde draaiend gemaakt. Deze ontwikkeling deed zich ook voor bij de T-ramen. Helaas werden de onderramen van historische schuiframen in de 20ste eeuw vaak in draairamen veranderd (tek. 10). Door het gebruik van breder ongeprofileerd raamhout, vaak opvallend grof gedetailleerd, zijn ze gemakkelijk te herkennen.

Theo Rouwhorst

Literatuur:
H. Janse, Vensters (1971)
H.J. Zantkuijl, Bouwen in Amsterdam (1993)
R. van Hemert, Kozijnen, ramen, deuren, luiken (NRC-uitgave 2003)

(Uit: Binnenstad 215, februari 2006)

Vorige aflevering: III. Buitenluiken en delendeuren (Binnenstad 214)
Volgende aflevering: V. Houten kozijnen (Binnenstad 216)

[Oog voor detail - alle artikelen]

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.