Hoogbouw in Amsterdam

'Stadtbaukunst'

Onze oosterburen kennen het woord ‘Stadtbaukunst’, dat wijst op de esthetische dimensie van het stedenbouwkundig ontwerp. Het is een woord zonder Nederlands equivalent, wij moeten het doen met stedenbouw, een woord dat net als woningbouw en wegenbouw meer de geest van de civiele techniek tot uitdrukking brengt. Hoezo kunst? In gelul kan je niet wonen, dat wisten we al, dus waarom zou de stedelijke ruimte dan een kunstwerk moeten zijn? Aan de resultaten van deze nuchtere visie op het stedelijk bouwwerk zijn we inmiddels gewend. Het beruchte ontwerp voor de grote negentiende-eeuwse uitbreiding van Amsterdam, het plan Kalff uit 1875, gaf al een voorproefje van hetgeen grondspeculanten en aannemers voor ogen stond als er geld verdiend kon worden aan de vraag naar woningen. De plannen voor IJburg en de Zuidas zijn van een vergelijkbaar niveau, maar er is weinig reden om daar veel drukte over te maken.
Nieuwbouw in het verlengde van de Prinsengracht

Veel ernstiger zijn de ontwikkelingen direct rond de historische binnenstad. In de dynamische wereld van het onroerend goed, de volkshuisvesting en de stedenbouw heeft men de oude binnenstad lange tijd beschouwd als een grappig openluchtmuseum, het speelterrein van de monumentenzorg, Heemschut, de Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad en andere excentriekelingen. Een kwart eeuw geleden was het nog mogelijk om voor een habbekrats een pand met vier woningen in de Jordaan te kopen. De belastinginspecteur denkt daar inmiddels anders over, het krot van toen is nu bijna een miljoen euro waard. De excentriekelingen hebben met hun malle ideeën een kip weten te fokken die gouden eieren legt. En nu staan de ontwikkelaars klaar om hun graantje mee te pikken. Voor appartementen in een woongebouw aan de Jan van Galenstraat wordt geadverteerd met de slogan: op loopafstand van de binnenstad. Geen lolletje overigens, in november, als het flink waait en regent. De nieuwbouw op het Westerdokseiland is in de verkoop gegaan als droomlocatie nabij de gezellige Haarlemmerstraat, met die leuke Posthoornkerk, overigens ook met veel moeite gered door de excentriekelingen. En met uitzicht op de daken van de binnenstad.

Dit laatste verkoopargument blijkt heel erg waar te zijn, want de bewoners van de binnenstad hebben nu ook een geweldig uitzicht op het beton dat op het Westerdokseiland omhoog gaat. Pal in de as van de Prinsengracht verrijst een gebouw dat zelfs de meest elementaire fatsoensregels in de stedenbouw tart. Vragen om ‘Stadtbaukunst’ is anno 2006 misschien teveel gevraagd, ook in Duitsland wordt dat woord alleen nog door historici gebruikt, maar dit is van een brutaliteit die ernstig te denken geeft. In een ver verleden spraken Amsterdamse ambtenaren misprijzend van parasitaire stedenbouw, en volkomen terecht ook, als het ging over de ontwikkeling in randgemeenten als Amstelveen, Sloten en Watergraafsmeer. Maar nu is het de Dienst Ruimtelijke Ordening van de gemeente Amsterdam zelf die het parasitaire beginsel tot hoogste wijsheid heeft verheven. Ook het voormalige Grondbedrijf, nu heel kenmerkend OGA geheten, Ontwikkelingsbedrijf Gemeente Amsterdam, speelt daarbij een duistere rol. Het Grondbedrijf is ooit in het leven geroepen om grondspeculatie onmogelijk te maken, met groot succes ook, maar nu is het OGA de ergste grondspeculant in Amsterdam.

Het Shell-gebouw in zichtas van de Willemstraat Het Havengebouw in de zichtas van de Lindenstraat

Zowel het Plan Berlage als het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam zijn mogelijk gemaakt door het Grondbedrijf. De gemeentelijke overheid kon eisen stellen omdat de grond werd aangeboden voor een prijs zonder criminele winstmarges. Dat is nu anders, het OGA en de verantwoordelijke wethouder stellen dat de courante marktwaarde van de grond het leidend beginsel dient te zijn. Met alle klassieke gevolgen van grondspeculatie in de stedenbouw van dien. De Dienst Ruimtelijke Ordening faciliteert en stimuleert met grote ijver nieuwbouw direct rond de binnenstad. Daar kan geld verdiend worden. Niet alleen op het Westerdokseiland, maar zelfs in Amsterdam Noord, waar het bastion van een grote oliemaatschappij eigendom is geworden van de gemeente. De grond is duur, en daarom mag en moet er ook hoog gebouwd worden. Simpele logica, maar de stedenbouwkundige gevolgen zijn dramatisch.

Ook in Noord hebben de toekomstige bewoners ongetwijfeld een geweldig uitzicht op de daken van de binnenstad, maar in de binnenstad zelf zien we rondom langzamerhand een muur van hoogbouw verrijzen die de zichtlijnen op de wijde horizon van het oude Amsterdam voorgoed afsluit. Het debat over dat weidse uitzicht is al oud. Het begon met een hoogoplopend meningsverschil over de situering van het Centraal Station in het Open Havenfront, de historische haven van Amsterdam. Het verzet daartegen was tevergeefs. De hoogbouwkoorts die nu door de stad waart, heeft het probleem van de zichtlijnen weer zeer actueel gemaakt, en klaarblijkelijk heeft men niets geleerd of willen leren van de wat oudere hoogbouw aan de IJ-oevers. Het Shell- gebouw van Arthur Staal vormt onbedoeld een vreemd accent in het beeld van de Willemsstraat en het Havengebouw van W.M. Dudok bederft de intimiteit van de Lindenstraat. Wie de moeite neemt om nog een straatje verder te lopen, kan zien dat het stadsbeeld in de Boomstraat juist verrijkt wordt door de Noorderkerk. De Anjeliersgracht is al lang geleden gemoderniseerd, ook het dempen van grachten werd immers ooit beschouwd als vooruitgang, maar nu krijgt de Westerstraat zelfs een postmodern aanzien, want de hippe appartementengebouwen die Sjoerd Soeters bouwt tegenover de Markthallen zijn al goed zichtbaar. De klaarblijkelijk belezen ontwikkelaar afficheert zijn handel met een citaat: ‘a room with a view’.

De 'Piramides' in aanbouw in het zichtas van de Westerstraat

Het demasqué van de vooruitgang kan moeilijk kernachtiger geformuleerd worden. De pioniers van de hoogbouw, zoals Jan Duiker, waren nog echte architecten die werkelijk geloofden in moderne woongebouwen met voorzieningen die het gemak van een hotel benaderen. De enige charme die de gestapelde kippenhokken nu nog toegedicht kan worden, is uitzicht op de Westerstraat. Met de Bijlmer is ook de stedenbouwkundige utopie van hoogbouw ten onder gegaan. De droombeelden die de Franse fantast Le Corbusier zo weergaloos heeft geschetst voor de stad van de toekomst blijken in de harde praktijk van het stedelijk leven een nachtmerrie te zijn. Maar dit echec wordt alleen betreurd door degenen die serieus nadenken over architectuur en stedenbouw. De hoogbouw die nu her en der en liefst op loopafstand van de binnenstad gerealiseerd wordt, heeft niets te maken met een stedenbouwkundige visie, er wordt gewoon roofbouw gepleegd op de bestaande stad. Dit heet in ambtelijk jargon ‘kiezen voor stedelijkheid’. Bij de Dienst Ruimtelijke Ordening gelooft echter niemand meer in de mogelijkheid om een ontwerp te maken voor ‘stedelijkheid’ en daarom betekent ‘kiezen voor stedelijkheid’ in het vigerende stedenbouwkundig beleid doorgaans uitzicht op stedelijkheid, ‘a room with a view’. In feite vormt de historische binnenstad nu de essentie van het stedenbouwkundig beleid dat gevoerd wordt.
Dit is natuurlijk een goede reden voor de Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad om met elkaar het glas te heffen, het is altijd leuk om gelijk te krijgen. Maar het gedrocht dat niet alleen het perspectief van de Prinsengracht verpest maar dat ook op hufterige wijze de stedenbouwkundige context van de Noorderkerk moderniseert, geeft weinig aanleiding tot een feestje. Gezien het eclatante succes van de monumentenzorg zal op termijn enige hoogbouw rond de binnenstad wel onvermijdelijk zijn. En juist daarom, omdat het gaat om de ruimtelijke kwaliteit van een historische stad, zou het bijzonder nuttig zijn om de stoffige literatuur over ‘Stadtbaukunst’ nog eens grondig door te nemen. Met enige kennis van stedenbouwkundige zaken moet het toch mogelijk zijn om de meest elementaire fouten, zoals de bebouwing op het Westerdokseiland, te voorkomen. Het is een simpele theorie over assen, zichtlijnen, verhoudingen en secuur gesitueerde accenten.

Zonder een goed doordacht en onderbouwd hoogbouwplan voor Amsterdam, een geavanceerde vorm van ‘Stadtbaukunst’, heeft het gemeentebestuur geen enkel argument om grondspeculanten de deur te wijzen. De stedenbouwkundige verantwoordelijkheid wordt nu afgewenteld op het bestuur van de stadsdelen die grenzen aan de binnenstad. Daar worden de bestemmingsplannen gemaakt en de bouwvergunningen afgegeven. Maar ook het bestuur van de Centrale Stad levert met zijn grootstedelijke projecten, zoals het Westerdokseiland, de ene wanprestatie na de andere. Wat ontbreekt is een stedenbouwkundige visie. Niet een abstract structuurplan met een kletsverhaal over ‘kiezen voor stedelijkheid’, maar een echt stedenbouwkundig ontwerp, een visie op de stad die getuigt van ruimtelijk inzicht. Liever niet een geniale ontwerper, daar komt doorgaans narigheid van, maar gewoon stedenbouwkundigen die hun vak verstaan, het is niet zo heel moeilijk om op de kaart te zien wat de gevolgen zijn van een woontoren. Nu kan echter alles. Net als in een ver verleden draait het beleid om de woningbouw, maar nu zijn het woningen voor de koopkrachtige middenklasse. Ondernemers weten wel raad met die vraag, dat is hun vak, maar het zou goed zijn als de stedelijke overheid eens een stedenbouwkundig kader zou formuleren voor de tomeloze ijver om te bouwen. Dat voorkomt onherstelbare schade aan het stedelijk bouwwerk, zoals het ontwerp dat nu het beeld van de Prinsengracht heeft bedorven.

Vincent van Rossem

(Uit: Binnenstad 216, april 2006)

Zie ook:
[Hoogbouwkoorts in Amsterdam]
[Vereniging komt in actie tegen hoogbouw aan noordelijke IJ-oever]

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.