De Van Houten-monumenten

Op 25 januari 2006 scheef de Vereniging een ‘zienswijze’ over de Cluster Schievink, waar het Van Houtenpand Rozenstraat 72 wordt gesloopt en nieuwbouw wordt gerealiseerd met behoud van de topgevel – de tweede herplaatsing van deze top. In deze zienswijze vroeg de Vereniging aandacht voor de zogenaamde Van Houtenpanden. Er zijn diverse aanwijzingen dat de bescherming van deze panden momenteel ontoereikend is. De VVAB riep in haar zienswijze op tot een discussie over de problematiek van de Van Houtenpanden, maar deze kwam pas op gang na een paginagroot artikel in Het Parool van 9 november 2006.

E. van Houten, pionier van de Amsterdamse monumentenzorg

Van Houtenpanden Lauriergracht 50-52-54 Keizersgracht 464 is een opvallend Van Houten-pand op de hoek van de Leidsegracht

De Van Houten-panden zijn panden genoemd naar de bouwkundige E. van Houten, (hoofd)inspecteur van het Gemeentelijke Bouw- en Woningtoezicht, die vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw in het voetspoor van Jan de Meijer ijverde voor het behoud en de herplaatsing van historische geveltoppen van gesloopte Amsterdamse woonhuizen. Toen Van Houten omstreeks 1912 de plaatwerken van het in de vergetelheid geraakte Grachtenboek van Caspar Philips (1768-1771) terugvond, leken deze gravures hem direct van nut bij de uitoefening van zijn vak. “In samenwerking met de heer L.H. Bours Pzn., architect van de Commissie voor het Stadsschoon, werden nl. voorgenomen en in uitvoering zijnde bouwplannen, hoewel aan wettelijke voorschriften beantwoordende, esthetisch verbeterd, zoals in het jaarboek 1915 van deze Commissie is weergegeven”. (1)
In 1922 liet hij de platen opnieuw uitgeven en veertig jaar later resulteerde de vondst in de monumentale uitgave van de Gemeente Amsterdam per pand voorzien van ‘geschied-bouwkundige beschrijvingen’ van zijn hand, waarin bovendien niet alleen de gravures, maar ook de inmiddels door C.A. van Swighem teruggevonden oorspronkelijke tekeningen van Caspar Philips werden opgenomen. Daarnaast heeft hij een verzameling architectuurfoto’s en -beschrijvingen nagelaten, veelal van panden die onder zijn toezicht zijn afgebroken en herbouwd en deed hij tijdens de Tweede Wereldoorlog in de ‘Heemschutserie’ het boekje Amsterdamse Merkwaardigheden (1942) het licht zien. Zijn officiële taak was erop toe te zien dat woningen voldeden aan de in 1901 ingestelde Woningwet. Toen echter mede als gevolg daarvan veel oude panden onbewoonbaar werden verklaard en wegens bouwvalligheid werden afgebroken, verdwenen ook fraai gebeeldhouwde geveltoppen en andere natuurstenen ornamenten in de puinbak. Op aandringen van het Genootschap Amstelodamum werd in 1909 door Publieke Werken besloten om de zeventiende- en achttiende-eeuwse gevelornamenten te bewaren. Door toedoen van inspecteur Van Houten zijn in de jaren twintig en dertig circa tweehonderd natuurstenen toppen op eenvoudige, nieuw gebouwde gevels herplaatst. De opeenvolgende Rijkscommissies voor monumenteninventarisatie (1903) en monumentenzorg (1918) hadden in hun begintijd begrijpelijkerwijs alleen aandacht voor grote monumenten als kerken, raadhuizen en koopmanshuizen. De minder aanzienlijke panden in de Jordaan, de middeleeuwse stad en de zijstraatjes van de grachtengordel kwamen toen nog niet in aanmerking voor restauratie. De zogenaamde Van Houtenpanden zijn dan ook panden die volgens de bepalingen van de Woningwet zijn herbouwd of nieuw ontworpen gebouwen die we nu historiserende architectuur zouden noemen. Behalve aan de oude geveltop zijn ze te herkennen aan de onevenwichtige verhoudingen van de gevel (gelijke verdiepinghoogten) en aan het typische jaren-dertig-metselwerk met brede, diepliggende voegen en de voor die tijd gangbare baksteen. Omdat ze zich hebben gevoegd in de gevelwanden, zouden we deze panden vandaag de dag echter niet meer willen missen. Dat is misschien wel de belangrijkste verdienste van de bouwinspecteur: de Van Houten-panden zijn van grote betekenis voor het stadsbeeld en de stedenbouwkundige structuur.

Tegen de achtergrond van de oprichting van de Bond Heemschut in 1911 en de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg in 1918 kan Van Houten gezien worden als pionier van de Amsterdamse monumentenzorg, die niet alleen oog had voor afzonderlijke monumentale gebouwen, maar ook met de beperkte middelen die tot zijn beschikking stonden bijdroeg aan het behoud van het karakter van de gehele monumentale stad. Na de Tweede Wereldoorlog zou het idee van Van Houten om geveltoppen te herplaatsen worden voortgezet door Stadsherstel. Het meest recente voorbeeld van een herplaatsing - niet van Stadsherstel - is Warmoesstraat 18. (2)

Rozenstraat 72: gevaarlijk precedent

Bouwtekening Rozenstraat 72 (1933) Het Van Houten monument Rozenstraat 72 (2006)

In de Cluster Schievink staat een Van Houten-pand, een Rijksmonument, dat binnenkort gesloopt wordt met behoud van de geveltop: Rozenstraat 72. Uit het advies van de Amsterdamse Raad voor de Monumentenzorg (ARM) over de Cluster Schievink van 2 februari 1998 bleek al dat de sloop van Rozenstraat 72 door de gemeente op een zodanige wijze werd verdedigd dat wij moeten vrezen voor het behoud van álle Van Houten- monumenten. De ARM schreef in dat advies het volgende:
“In de notitie van de Stedelijke Woningdienst staat dat de Rayongroep van mening is dat het pand – ondanks de monumentale status – toch gesloopt moet worden omdat het een kwalitatief slechte herbouw van het eind van de jaren twintig betreft, welke geen cultuurhistorische waarde heeft. Restaureren zou tot de reconstructie van een niet historische reconstructie leiden, echte nieuwbouw acht de Rayongroep hier toch een stuk eerlijker.”
In reactie daarop concludeerde de ARM vervolgens dat daarmee dat niet alleen de sloop van een Rijksmonument aan de orde was, maar dat tevens alle Van Houten-panden vogelvrij zijn verklaard.
In het ontwerpbesluit van het stadsdeel van 26 oktober 2006 voor de monumentenvergunning voor Rozenstraat 72 wordt het advies van de Minister (lees de Rijksdienst voor de Monumentenzorg) overgenomen. De motivering daarvan luidde: “De natuurstenen onderdelen vormen niet een gehele gevelbeëindiging. De artistieke kwaliteit is redelijk tot goed te noemen. Behoud van de onderdelen is wenselijk. Indien het pand gesloopt wordt, wordt het monument van de rijkslijst van beschermde monumenten afgevoerd.” De Rijksdienst voor de Monumentenzorg beschouwt de geveltop dus als het enige waardevolle onderdeel van dit monument en werkt impliciet mee aan de sloop, terwijl dit haaks staat op de jurisprudentie ten aanzien van monumenten: een beschermd monument is in zijn geheel beschermd, niet alleen de voorgevel of zelfs de topgevel.

Vanwege-monumenten

In monumentenkringen worden de Van Houtenpanden wel ‘vanwege-monumenten’ genoemd, een term die de wethouder nu graag overneemt om de sloop van Rozenstraat 72 te verdedigen.
De Rijksdienst beweert nu dat deze gebouwen hun monumentenstatus alleen ontlenen aan de oude, hergebruikte geveltoppen. Alleen vanwege de top zouden de panden op de monumentenlijst staan en dus kunnen ze, met behoud van de top, rustig worden gesloopt. De achterliggende gedachte hiervan is dat een herbouwd pand – al dan niet met behoud van authentieke onderdelen – geen beschermd monument kan zijn.
Maar klopt dat eigenlijk wel? Of staan deze panden op de monumentenlijst vanwege hun betekenis voor het stadsgezicht? In de Monumentenwet-1988 staat dat een bouwwerk in aanmerking komt voor bescherming door het Rijk als het (a) ouder is dan vijftig jaar en (b) van belang is wegens zijn schoonheid, zijn betekenis voor de wetenschap of zijn cultuurhistorische waarde. Alle Van Houtenpanden voldoen aan de vijftig jaar-grens. Over de schoonheid en de architectuurhistorische waarde kan men twisten, maar hierboven is al aangegeven, dat de Van Houtenpanden voor de ontwikkeling van de monumentenzorg en het beschermd stadsgezicht wel degelijk van belang zijn. De eenzijdige interpretatie van de Rijksdienst lijkt vooral ingegeven door budgettaire overwegingen. Uit diverse nota’s blijkt dat het Rijk een herinventarisatie wil van alle beschermde monumenten om te komen tot een kleinere monumentenlijst. (3)
Met de sloop van Rozenstraat 72 wordt een gevaarlijk precedent geschapen, want er zijn honderden Van Houtenpanden in de binnenstad, waarvan een groot deel op de monumentenlijst staat. De Vereniging heeft daarom in haar zienswijze gevraagd om een inventarisatie van alle nog bestaande Van Houtenpanden: “zonder grondig onderzoek is de sloop van Rozenstraat 72 een onverantwoordelijke actie”.

Jaren dertig-architectuur
Lauriergracht 62 (1931 en 1934) Keizersgracht 464 (1934 en 1936) Herengracht 309-311 (1927 en 1936)
Vóór en na herbouw (resp. boven en onder) door Van Houten (foto's Gemeentearchief)

Na de Tweede Wereldoorlog zijn de Van Houten-panden op grote schaal op de monumentenlijst geplaatst. In Zeist vraagt men zich af of dat toen met het juiste inzicht is gebeurd, maar inmiddels is deze vraag door de geschiedenis achterhaald in die zin dat de Van Houten-panden een eigen betekenis hebben gekregen.
Kleine vervallen woonhuizen kwamen niet in aanmerking voor restauratiesubsidies, maar onder toezicht van bouwinspecteur E. van Houten werden ze onder de voorwaarden van de Woningwet herbouwd met het uitdrukkelijke doel het historische stadsgezicht te behouden. Andere gebouwen met historische toppen dragen wat het ontwerp van hun gevel betreft duidelijk de karaktertrekken van hun tijd, maar voegen zich tussen de omringende bebouwing zonder schade aan te brengen aan het historische stadsgezicht. De Van Houten-panden vormen om die reden een belangrijk hoofdstuk uit de architectuurgeschiedenis van Amsterdam en verdienen wel degelijk een plaatsje op de monumentenlijst. Het streven van Van Houten om de oude geveltoppen te bewaren en te hergebruiken op nieuwbouw was een eerste poging om het stadsbeeld te behouden, een streven dat na de Tweede Wereldoorlog zou worden voortgezet, maar dan op een meer wetenschappelijke basis.

De conclusie is dat er nader onderzoek en nieuw beleid nodig is om de monumentale waarde van de Van Houten panden vast te stellen. Ook het Bureau Monumenten en Archeologie staat op dat standpunt. De beargumentering van het stadsdeel dat Rozenstraat 72 alleen vanwege de top monumentwaardig is en dus gesloopt mag worden, is daarom zonder het genoemde onderzoek ondeugdelijk én onverantwoordelijk.

Walther Schoonenberg

Voetnoten:
(1) Zie: het voorwoord van E. van Houten in het Grachtenboek van Caspar Philips, Amsterdam 1962.
(2) Zie: Warmoesstraat 18, in: Binnenstad 216, april 2006.
(3) Zie bijvoorbeeld de beleidsbrief Cultuur 2004-2007, Meer dan de som van Medy van der Laan, en de nota Het Tekort van het Teveel van de Raad voor Cultuur uit 2005.

(Uit: Binnenstad 219, december 2006)

Meer lezen:
[Waarderende notitie] (27 april 2007)
[Bezwaarschrift] (20 februari 2007)
[Raadsnotitie] (14 december 2006)
[Zienswijze] (1 december 2006)
[Zienswijze] (25 januari 2006)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.