Een dilemma op de Bloemgracht?
![]() |
| Bestaande situatie Bloemgracht 65-71 |
De donkere kant van het middelste rak van de Bloemgracht wordt sinds jaren ontsierd door een rij onderstukken. Op foto’s uit de tijd van de Eerste Wereldoorlog was er naast Bloemgracht 65 al niet meer dan een onderstuk te zien, waar het spreekwoordelijk geworden Liefdewerk Oud Papier was gevestigd. Op een niet precies bekend moment in de zestiger jaren van de vorige eeuw is het voorhuis van Bloemgracht 69 eveneens gereduceerd tot een onderstuk en van Bloemgracht 71 is in die periode niet meer overgebleven dan een tweelaags onderstuk, voorzien van een garagedeur en van binnen nagenoeg leeggesloopt. Zowel 69 als 71 zijn formeel nog steeds rijksmonument.
Later zijn de opstallen verworven door de heer Ritman met het doel hier zijn Bibliotheca Philosophica Hermetica te huisvesten. Hij wilde daarbij de restanten van het door Philips Vingboons ontworpen en in de oorlog vernielde Huydecoperhuis gebruiken. Dat is allemaal niet doorgegaan en de achtergrond daarvan is voldoende bekend.
Een nieuwe start
Enkele jaren geleden zijn de percelen verkocht aan een ontwikkelaar die inmiddels een
formele bouwaanvraag heeft ingediend. Het bouwplan is een historiserend ontwerp van
Soeters van Eldonk Ponec architecten, waarvan hier een afbeelding is opgenomen. Er zijn wel
wat kanttekeningen bij te maken maar in grote lijnen is het een ontwerp dat zich goed voegt in
de gevelwand en dat is iets om dankbaar voor te zijn. Het dilemma betreft echter de
achterkant van het huidige bouwperceel, dat oorspronkelijk uit de genoemde drie percelen
bestond. Daarvoor heeft de ontwikkelaar een afzonderlijke bouwaanvraag ingediend waarin
deze bebouwing deels wordt gehandhaafd en dat roept vragen op.
In het bestemmingsplan is bepaald dat bebouwing op binnenterreinen mag worden
gehandhaafd en zelfs helemaal mag worden vernieuwd. Alleen wanneer de voorbebouwing
geheel wordt vervangen moet de bebouwing op het achtererf worden gesloopt. Dat was, aldus
de gemeente en het stadsdeel, de enige manier waarop het bestuur iets kon doen aan het
gewenste opschonen van de dichtbebouwde binnenterreinen en dat is hier aan de orde. De
bouwaanvraag is hiermee dus in strijd.
De ontwikkelaar kan enige slimheid niet worden ontzegd. Hij zag de bui al hangen en heeft
het Bureau Monumenten en Archeologie (BMA) benaderd met de vraag of het uit oogpunt
van monumentenzorg niet wenselijk was een deel van die oude erfbebouwing te behouden.
Hoe meer kubieke meters, hoe meer vreugd voor de ontwikkelaar, nietwaar. En jawel, BMA,
althans medewerkers van het bureau, zagen er wel wat in. Op het eerste gezicht niet
onbegrijpelijk, maar de vraag is nu of er echt sprake is van monumentale waarden en, zo ja,
hoeveel gewicht daaraan in de nieuwe omstandigheden mag worden gehecht. Wat is de
situatie?
De uitgangssituatie
![]() |
| Nieuw ontwerp van Sjoerd Soetters voor de voorgevel van Bloemgracht 65-71 |
![]() |
| Voorzijde van de voorgevels van de erfbebouwing achter Bloemgracht 65-71 |
Procedureel is de situatie wat ingewikkeld. Bloemgracht 69 en 71 zijn rijksmonumenten, met de gebruikelijke zeer summiere redengevende omschrijving. Zij zijn als monument zo onherkenbaar dat zij op de waarderingskaart en in het bestemmingsplan niet eens als zodanig zijn opgenomen maar als te vervangen bebouwing. Dat bij de plaatsing op de monumentenlijst de achterliggende bebouwing een rol heeft gespeeld lijkt buitengewoon onwaarschijnlijk. Hoe dan ook, bij realisering van de voorbebouwing zal voor deze monumenten een sloopvergunning moeten worden afgegeven. Het zou procedureel veel energie sparen wanneer, in het algemeen gesproken, panden die zonder twijfel geen monumentale waarde meer hebben al eerder van de monumentenlijst worden afgevoerd. Maar zoals bekend is de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, tegenwoordig Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM), niet gevoelig voor dat praktische argument.
Het object
Het hierbij gereproduceerde gevelaanzicht toont de voorgevel van het te handhaven deel van de oude bebouwing op het achtererf. De betreffende aanvraag omvat:
- het renoveren van een eenlaagse aanbouw achter nummer 71, daterend van na 1904, en in een erbarmelijke staat verkerend;
- het gedeeltelijk renoveren van een haakvormige stal van één laag met daarop een hoge gebroken kap achter nummer 69 en een deel van 67, daterend van 1899, en eveneens in zeer slechte staat verkerend;
- het renoveren en (weer) tot een zelfstandig gebouw maken van een tweelaags gebouwtje met kap achter het resterende inmiddels grotendeels gesloopte deel van 67, dat in aanleg waarschijnlijk ouder is maar gelijk met de bouw van de stal zal zijn verbouwd.
De structuur
Het belang van de historische stedenbouwkundige structuur is onomstreden als het gaat om de grote lijnen van de bebouwingsstructuur, tot uitdrukking komend in het patroon van straten, stegen, grachten, de vormgeving van de openbare ruimte, de verhouding tussen bebouwingswanden en die ruimte, de structurele groenvoorzieningen etc. Of de bebouwingsdichtheid ook tot de waardevolle structuurkenmerken hoort is minder duidelijk. Voor de grachtengordel zal het antwoord meestal ja zijn, maar voor de Jordaan met zijn naar alle maatstaven veel te dichte bebouwing in het algemeen nee. De kaart bij het Technisch Woningonderzoek in de Jordaan van 1920 is wat dit betreft zeer illustratief. In het verleden is dan ook bij stadsvernieuwing waar mogelijk ruimte geschapen voor wat meer licht en lucht. Er lijkt weinig reden te zijn om hier opeens voor een ander uitgangspunt te kiezen, des te minder omdat op vele plaatsen in de Jordaan de te dichte bebouwing als een gegeven moet worden geaccepteerd.
Eten van twee walletjes?
Er speelt nog wat anders. De ontwikkelaar heeft de mogelijkheden van het bestemmingsplan
voor de bebouwing aan de grachtzijde tot het maximale benut. Dat wil zeggen een
bebouwingsdiepte op de begane grond van 17 meter en een bouwhoogte van 16 meter. De te
handhaven erfbebouwing heeft voor het overgrote deel een nokhoogte van 8,5 meter. In die
situatie blijft er tussen de voorbebouwing en de erfbebouwing veel te weinig open ruimte
over. Niet meer dan ca. 4 meter over de helft van de breedte, voor het andere deel 7 à 8 meter.
Van die strook is bovendien 2,5 meter alleen te gebruiken als terras omdat daar het dak van de
onderliggende parkeergarage op maaiveldhoogte ligt.
De context voor de achterbebouwing is een geheel andere dan de historische zoals boven al is
gezegd. En ook de voorbebouwing zal, anders dan vroeger, niet meer voor bedrijfsdoeleinden
worden gebruikt, maar vooral voor woondoeleinden. Wat dan de functie zou moeten zijn van
de erfbebouwing, die niet anders dan via de voorbebouwing is te bereiken, wordt niet
duidelijk. Volgens het bestemmingsplan mag die niet zelfstandig zijn. Gesproken wordt over
bergingen, maar dat zijn dan wel zeer omvangrijke.
Conclusie
De te handhaven bebouwing op de achterterreinen zal na renovatie geen enkele monumentale waarde hebben en handhaving van een niet functionele, veel te omvangrijke bebouwing op het binnenterrein vormt geen bijdrage aan het behoud van een stedenbouwkundige structuur met monumentale betekenis. Er is kortom geen enkele reden om af te wijken van de bepalingen van het bestemmingsplan, die de ontwikkelaar bovendien al zeer aanzienlijke bouwmogelijkheden bieden. Van een dilemma is helemaal geen sprake.
Herman Pinkse
(Uit: Binnenstad 220, februari 2007)
[Inloggen]
Reacties
Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.
Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.



