Begraafplaats Huis Te Vraag

Groene necropolis

Begraafplaats Huis Te Vraag
Daar waar de weg naar Sloten afboog van de Schinkel zou al in de vijftiende eeuw een boerenhofstee hebben gestaan die Te Vraghe werd genoemd, omdat landsheer Maximiliaan I, die met zijn gevolg over de Haarlemmermeer uit Haarlem kwam, hier in 1489 de weg vroeg naar Amsterdam. Het Huys ter Vraech, gelegen aan de westeroever van de Schinkel, wordt in 1632 voor het eerst officieel vermeld.

Aan het begin van de achttiende eeuw vestigde men in het huis, of in de ‘groote sael apart van ’t huijs staende’, een katoendrukkerij en in de loop van de eeuw wordt het steeds verder uitgebreid tot een min of meer groot landhuis met sier- en moestuinen; op een tekening van H.P. Schouten uit circa 1770 staat het afgebeeld als een statig herenhuis pal aan de rivier met voorbij zeilende schepen. Aan het begin van de negentiende eeuw werd het door brand verwoest en opnieuw opgebouwd, om echter in 1891 al weer te afgebroken te worden voor de aanleg van een scheepswerf en een café. De huidige begraafplaats ligt op dat deel van de oude buitenplaats waar in de achttiende eeuw ’t Blau-Huijsje gevestigd was, een ‘catoendruckerije met alle de werkhuijsen, lootsen en verdere opstallen met de agtkante windmoolen en moolenaars huijsing, paardenstallen en wagenhuijs’. Ten behoeve van de aanleg van de particuliere begraafplaats voor de protestantse gemeente van Sloten liet de eigenaar het polderland in 1891 plaatselijk met zand twee meter ophogen, zodat het kerkhof op een terp kwam te liggen. Sinds de annexatie van de gemeente Sloten in 1921 valt de begraafplaats onder Amsterdam. De laatste dode werd in 1962 begraven; 50 jaar later, in 2012, zullen de laatste grafrechten verlopen.

Nu ligt hier aan de rafelrand van de stad een klein paradijs dat zo langzamerhand aan alle kanten wordt ingeklemd door de oprukkende bebouwing. ’s Zomers wordt de begraafplaats door het gebladerte zorgvuldig afgeschermd van de omgeving, maar in de winter doemen de gebouwen op tussen de kale bomen. Vorig jaar werd aan de overzijde van de rivier het nieuwe wijkje achter het Olympisch Stadion gebouwd en momenteel worden de arbeidershuisjes in het Spijtellaantje, die met hun achterzijde aan de begraafplaats grenzen, bedreigd met sloop om plaats te maken voor luxe koopwoningen.

Sinds 1987 woont Leon van der Heijden met zijn vrouw Willemijn in de voormalige aula. Hij is eigenlijk beeldend kunstenaar, maar kreeg een betrekking als beheerder en hovenier van de begraafplaats. Toen hij hier voor het eerst kwam was hij direct onder de indruk van de eerbiedwaardige, maar volledig overgroeide tuin – vijfentwintig jaar lang was er nauwelijks iets aan het onderhoud gedaan. In deze wildernis is hij begonnen met het vrijmaken van de paden en het terugsnoeien van de alles overwoekerende klimop. Onlangs heeft hij een boek geschreven over twintig jaar wonen en werken op Huis Te Vraag.

Wanneer men van de kant van de stad aankomt, rijst de begraafplaats op in de bocht van de weg. Een groot smeedijzeren hek op een stenen brug over een smalle gracht biedt toegang tot het domein. Dit grachtje en mogelijk de wal daarachter zijn de enige nog tastbare overblijfselen van de oude buitenplaats. Achter het hek, rechts van de toegangslaan, staat een wit houten prieeltje uit omstreeks 1900. Oorspronkelijk stond dit meer achter op het terrein en diende het als baarhuisje. Nu vindt men hier een boeket uit de tuin en iedere week een ander gedicht.
De laan loopt op naar een plaatsje voor de aula dat opgefleurd wordt door talloze rode geraniums en andere potplanten. Het einde van de laan biedt uitzicht over een klein weiland, een relict van het typisch Hollandse polderlandschap dat herinneringen oproept aan de wereld van Jac. P. Thijsse. Het weiland hoort bij de begraafplaats; hier graasden vroeger de paarden die de rouwkoetsen trokken. Van der Heijden noemt dit in zijn boek ‘het weiland van het uitzicht’ – niet alleen op het Amsterdamse bos dat in de verte aan de horizon verschijnt, maar ook op ‘gene zijde’.
Halverwege het toegangslaantje, recht tegenover de aula, betreedt men door een poort, samengesteld uit twee zuilen van de in 1772 afgebrande schouwburg op de Keizersgracht, de eigenlijke begraafplaats. ‘MEMENTO MORI’ staat er op geschreven – gedenk dat je moet sterven. De oorspronkelijke aanleg van de begraafplaats is eigenlijk niet zo bijzonder. Het is een min of meer rechthoekige lap grond van circa een hectare, door een hoofdas in tweeën verdeeld en vervolgens door smallere paden ingedeeld in lange stroken, die op hun beurt zijn samengesteld uit grafvakken van circa een bij twee meter. Ondanks dit formele patroon maakt het kerkhof een schilderachtige indruk. De grafheuvel wordt gedeeltelijk bedekt door een tapijt van klimop en is bij de aanleg beplant met esdoorns en kastanjes die inmiddels tot monumentale bomen zijn uitgegroeid. Hier en daar is het pad omgeleid om een opgeschoten boom te sparen. Aan de zuidkant is het kerkhof meer open en vindt men allerlei wilde planten: tussen de grassen groeien onder meer teunisbloemen en cichorei. Toch is de begraafplaats niet overgeleverd aan de natuur; nergens zijn de paden overwoekerd, heesters zijn met de snoeischaar zorgvuldig tot gekantrechte vormen geknipt en de klimop wordt zo over de grafstenen geleid dat de namen van de overledenen zichtbaar blijven.
Aanvankelijk doet het samengaan van de blokvormig geschoren heesters en de weelderige plantengroei wat onwennig aan. Het is een combinatie die niet vaak voorkomt; een tuin is meestal formeel óf meer natuurlijk. Als men echter de oorsprong van de gekantrechte buxusblokken overdenkt, is hun vorm niet zo verwonderlijk: de groene blokken die de grafstenen omgeven zijn ontstaan uit de buxushaagjes, waarmee de graven destijds werden afgeperkt. Door ze niet uit te laten groeien, maar temidden van de natuur die altijd weer opnieuw alles dreigt te overmeesteren, terug te snoeien tot architectonische vormen, beelden ze tevens uit dat de natuur hier ten behoeve van de gedachtenis aan de doden is bedwongen.

De begraafplaats kan niet los gezien worden van haar functie, nog vrijwel dagelijks komen er nabestaanden om de graven te bezoeken. Bij een kerkhof staat het herdenken van de doden centraal en vrijwel altijd zijn er groenblijvende bomen en heesters zoals cipressen en taxussen aangeplant als metafoor van het eeuwig leven. Op Te Vraag vindt men behalve altijd groene heesters treurvormen van iepen, essen en moerbeien, en in het voorjaar bloeien er duizenden witte dichternarcissen.
Door de opmerking van een bezoekster, die zich afvroeg waarom deze begraafplaats haar zo deed denken aan een archeologische opgraving, kreeg de specifieke vormentaal van deze tuin opeens ook voor Leon van der Heijden betekenis: het was een soort groene necropolis, een stad voor de doden. De hagen om de graven waren de groene muren van de kamertjes, die aaneengeregen tot woonhuizen en doorsneden door smalle straten, tezamen een dodenstad vormden. Om verder vorm te geven aan dit idee bouwde hij op de rand van de terp een houtwal, waardoor een soort ommuurde veste ontstond.
Het middeleeuwse ‘tuun’ betekent ook omheining – net als gaard, garden, garten of jardin. Wij omheinen niet alleen een lap grond om in ons levensonderhoud te voorzien of om het te beschermen, maar ook om een stukje natuur dicht bij huis te hebben en op die manier iets van de wisselende jaargetijden in te vangen: het eerste frisgroene lenteblad, uitbundig bloeiende rozen, bont kleurend herfstblad, en dan de eerste sneeuwklokjes, die aangeven dat na de gure winter alles weer opnieuw begint. Elke tuin vormt zo tevens een spiegel van de kringloop van de natuur, en daarmee van ons eigen leven. De functie van het kerkhof is natuurlijk de gedachtenis van de doden, maar door de groene architectuur is de begraafplaats ook een tuin geworden die uitdrukking geeft aan het onderhouden van het menselijk bestaan. ‘MEMENTO VITAE’ heeft de Leon van der Heijden ten afscheid op de keerzijde van de toegangspoort geschilderd – gedenk het leven.

Het bijzondere van de begraafplaats Huis Te Vraag is, dat er een hovenier kwam die bij dergelijke kwesties stilstond, uitdrukking wist te geven aan al deze aspecten en, ondanks zijn voortdurende twijfel of de locatie door de oprukkende bebouwing wel behouden zou blijven, door gestage arbeid de begraafplaats wist om te toveren tot een volstrekt unieke tuin.

Juliet Oldenburger

Naschrift:
Van Leon van der Heijden verscheen deze zomer bij uitgeverij Noord-Holland een boek met zijn bespiegelingen op het wonen en werken in de tuin, die hij de afgelopen twintig jaar tot stand heeft gebracht: Huis te Vraag als wereld, Wormerveer 2007. Prijs: € 25,--. Daarnaast maakte Barbara den Uyl in het voorjaar van 2007 een televisiefilm over de begraafplaats Huis Te Vraag: De klimop rouwt nog steeds als de mensen de doden al vergeten zijn. De DVD-copie van deze film is te bestellen bij Van der Hoop Filmprodukties, Van der Hoopstraat 80 hs, 1051 VK AMSTERDAM, of te verkrijgen bij de voormalige aula.

Literatuur:
T. den Herder, "’t Huis Te Vragh in de banne van Slooten, zijn geschiedenis, eigenaars, bewoners en omgeving 1618-1890", in: Jaarboek Amstelodamum, 1975.

(Uit: Binnenstad 223/224, oktober 2007)

Door in te loggen, kunt u ondermeer uw gegevens beheren. Alleen leden hebben een inlogaccount.

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.