H.H. Baanders (1849-1905), H.A.J. Baanders (1876-1953), J. Baanders (1884-1966)

Lauriergracht 122 (1889)
Tegenwoordig rijden er regelmatig treinen. Toen Baanders senior, Hermanus Hendrikus, in 1875 migreerde van Zutphen naar Amsterdam was het nog een hele reis, die hij waarschijnlijk per schip heeft gemaakt, via de IJssel en de Zuiderzee: een enkele reis naar een betere toekomst.

In Zutphen was de negentiende eeuw nog niet begonnen, maar in Amsterdam broeide het al, en korte tijd later zou het bouwbedrijf gouden tijden beleven, waarin H.H. Baanders goede zaken heeft gedaan. Als zoon van een wever leerde hij bij een oom het timmermansvak. Klaarblijkelijk was dat een gedegen opleiding, want de jeugdige migrant wist een betrekking te vinden in Amsterdam en toonde zijn ambitie door in de avonduren de Industrieschool te bezoeken, zoals ook A.A. Kok had gedaan. Aan die school, waar vele grote talenten kennis hebben gemaakt met de bouwkunst, zal in deze rubriek nog afzonderlijk aandacht worden besteed. Baanders leerde er architectonisch ontwerpen, in de toen gangbare stijl van de Hollandse neorenaissance.
Het is de timmerjongen uit Zutphen tenslotte gelukt om een succesvol architect te worden, in een wereld die werd gekenmerkt door harde concurrentie. Maar het was een lange en moeizame weg. Hij begon als zelfstandig ondernemer met een timmerbedrijf aan de Reguliersgracht en pas toen zijn veertigste verjaardag in zicht kwam, konden de vruchten geplukt worden van vele jaren hard werken. Baanders werd in 1889 lid van Architectura et Amicitia, wat in die tijd betekende dat zijn werk serieus werd genomen door een tamelijk select gezelschap van ingewijden in de bouwkunst. Toen kwamen ook de opdrachten die hem de kans gaven om zich werkelijk te profileren als ontwerper. Met Lauriergracht 122 begon in 1889 een imposante reeks ontwerpen.

Leliegracht 22 (1899) Vijzelgracht 27 (1902)

H.H. Baanders was een goede, maar niet buitengewoon getalenteerde architect. Zeker geen genie en daarom ook vergeten door kunsthistorici, die nog altijd niet begrijpen dat goede architectuur veel belangrijker is voor de stad dan geniale architectuur. Het werk van Baanders senior is daarom goed vertegenwoordigd in het Gemeentelijk Monumentenproject Amsterdam Centrum. Zijn bijdrage aan het historische beeld van Amsterdam verdient namelijk alleen maar lof. De Leliegracht laat dit in optima forma zien. Nummer 24 zal de haastige voorbijganger niet opvallen. Het is een bouwwerk dat karakteristiek is voor de bewondering van toenmalige architecten voor de oude binnenstad. De winkel op de begane grond was in 1895 modern, zij het in hedendaagse ogen nog ouderwets ambachtelijk gedetailleerd, maar de neorenaissance gevel van de bovenwoningen voegt zich keurig in de historische gevelwand. Leliegracht 12, een jaar later gebouwd, is zelfs voorzien van een historische top. Het herplaatsen van oude toppen zou pas veel later gebruikelijk worden, en dit ontwerp van Baanders met zijn negentiende-eeuwse detaillering in combinatie met een historische halsgevel vormt derhalve een fascinerende collage van de meest uiteenlopende opvattingen over architectuur. Ook hier is de winkelpui het meest eigentijdse onderdeel van de gevel. Toch vormen de drie in wezen stilistisch detonerende onderdelen van Leliegracht 12 een wonderlijk harmonieus geheel, waarmee Baanders heeft bewezen dat hij de geheimzinnige charmes van het eclecticisme toch verrassend goed wist toe te passen. De winkelpui van Leliegracht 22, uit 1899, was in die tijd waarschijnlijk bijna schokkend modern. De relatie met de oudere en sobere gevel van de bovenwoningen is wat minder geslaagd, zo niet non existent: de architect heeft zich volledig geconcentreerd op de eisen van het winkelbedrijf op de begane grond. Weer enkele jaren later, in 1902, demonstreerde Baanders met Vijzelgracht 27 dat hij toch niet goed begreep hoe het verder moest met de architectuur in een nieuwe eeuw, maar juist daarom is dit een bijzonder ontwerp. Belangrijk voor het bureau waren ook de bijdragen aan de toenmalige massawoningbouw, zoals het grote woningblok Nieuwe Prinsengracht 116-124/Roetersstraat 2a-18a/Korte Lepelstraat 90-97, en diverse wat deftiger woonhuizen aan de Weteringschans en de Nicolaas Witsenkade.
Baanders heeft de winkelpanden aan de Leliegracht gebouwd als belegging voor een verzekeringsmaatschappij, waarvoor hij samen met Gerrit van Arkel, een architect die in deze rubriek nog ter sprake zal komen, een prestigieus kantoorgebouw zou realiseren: Keizersgracht 174-176, op de hoek met de Leliegracht. Dit is duidelijk werk van de ambitieuze Van Arkel, maar al in 1893 hadden zij gezamenlijk een ontwerp gemaakt voor Korte Marnixkade 4, waarbij Baanders waarschijnlijk een meer dominerende rol heeft gespeeld. Het is in wezen een traditioneel huis, maar de decoratie geeft een licht avontuurlijk aspect aan het geheel. De classicistische detaillering wordt heel voorzichtig vervangen door iets dat vooruitwijst naar de Jugendstil. Ed. Cuypers had het goede voorbeeld al eerder gegeven, met zijn meesterwerk op het Spui, een ongekend groot warenhuis waarmee de stilistische revolutie van het eclecticisme gestalte kreeg in de Amsterdamse bouwkunst.

Herman junior en Jan Baanders

Rokin 115 (1928)

Na het overlijden van Baanders senior werd het bedrijf voortgezet door zijn beide zoons. Zij werkten vanaf 1909 samen, de jongere broer Jan werd in 1915 officieel medefirmant. De twee broers hadden net als hun vader de Industrieschool bezocht, maar tijdens hun studiejaren was in Amsterdam een geheel nieuw architectuurklimaat ontstaan. H.P. Berlage, W. Kromhout en Ed. Cuypers maakten een einde aan de dominantie van de Hollandse neorenaissance, waarna in het bureau van Cuypers de Amsterdamse School zou worden geboren. Jan Baanders was een leeftijdgenoot van Michel de Klerk, de pionier van deze bouwstijl, en raakte met hem bevriend op de Industrieschool. De invloed van de Amsterdamse School op het werk van de gebroeders Baanders is evident, maar hun bureau bouwde in verschillende stijlen.
H.A.J. Baanders was niet alleen architect, maar ook een getalenteerd zakenman. In 1906 richtte hij samen met zijn zwager de ‘Nederlandsche Grondbriefbank NV’ op, een beleggingsmaatschappij in onroerend goed. Dit leverde weer het nodige werk op voor het architectenbureau dat alle bouwprojecten van de beleggingsmaatschappij ontwierp. Bovendien trad Baanders als directeur van de Grondbriefbank in contact met kapitaalkrachtige beleggers die veelal ook directiefuncties bij het bedrijfsleven vervulden. Ook langs deze weg kon hij dus belangrijke opdrachten voor het architectenbureau verwerven. Zo groeide de bescheiden nering van Baanders senior snel uit tot een van de grotere architectenbureaus in Amsterdam. Ook binnen de architectenvereniging Architectura et Amicitia manifesteerde H.A.J. Baanders zich als een ambitieus persoon. Hij werd in 1908 lid van het bestuur en hanteerde van 1910 tot 1912 de voorzittershamer. Onder zijn zakelijke leiding werd veel aandacht besteed aan de opleiding van architecten en aan de organisatie van de beroepsgroep.
Het bureau Baanders is de leerschool geweest voor tal van architecten die later van zich hebben laten horen, onder wie C.J. Blaauw, J. Boterenbrood, G.H.M. Holt, N. Lansdorp, J.M. Luthman, J. Roodenburgh, A. Staal, en P. Vorkink. Het bureau produceerde ook een omvangrijk oeuvre, zowel in als buiten Amsterdam. In 1906 bouwde H.A.J. Baanders Prinsengracht 955 als eigen woonhuis, waar overigens aanvankelijk ook kantoor werd gehouden: stilistisch een wat onzeker ontwerp, dat echter wel kenmerkend is voor zijn tijd. Later werk, zoals Rokin 115, in 1928 gebouwd voor een verzekeringsmaatschappij, en Nieuwendijk 182-184, een kledingwinkel uit 1930, maakt een meer overtuigende indruk. Het bekendste gebouw van de gebroeders Baanders in Amsterdam is waarschijnlijk het Amsterdams Lyceum, dat tijdens de laatste jaren van de Eerste Wereldoorlog werd gerealiseerd. Maar ook het Blauwe Paviljoen in het Vondelpark uit 1936 is natuurlijk bij vele Amsterdammers bekend. Daarnaast bouwde het bureau grote woningcomplexen in de Ring 20-40, zoals Haarlemmermeerstraat 79-115. Een belangrijke opdrachtgever buiten Amsterdam was de Rotterdamse Droogdokmaatschappij, voor dit bedrijf werd tussen 1914 en 1918 in Rotterdam Zuid het tuindorp Heyplaat gebouwd. Het bureau ontwierp ook grote kantoor- en fabrieksgebouwen voor de Droogdokmaatschappij.

Vincent van Rossem
Met dank aan Geert van Nieuwstadt

(Uit: Binnenstad 226, februari 2008)

Vorige aflevering: Abel Antoon Kok (1881-1951) (Binnenstad 225)
Volgende aflevering: Gerrit van Arkel (1858-1918) (Binnenstad 227)

[Amsterdam 1900]

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.