XIX. Pothuizen

Bij de middeleeuwse houten huizen in Amsterdam stonden veel houten bouwsels voor en aan de gevel. Blijkbaar werden er bij gebrek aan een open achtererf veel uitbouwtjes vóór de rooilijn toegestaan. Vooral regenbakken en putten, stoepen, banken, hekjes, kelderingangen als houten huisjes en ‘keldervallen’ met schuine luiken en luifels. De regenbak werd vaak in de weg gegraven. Zo zijn ook de pothuizen ontstaan.
Afb. 1: Nieuwendijk 75 (aquarel van Hendrik van Kranenburgh, 1774) Afb. 2: Herengracht 232 hoek Hartenstraat (Tekening van Jan de Bosch, 1615)

Anders dan de naam doet vermoeden zijn deze aanbouwen voor de gevels niet gebouwd voor de opslag van potten en pannen. Het woord pothuis komt van ‘puthuis’. Door het overbouwen van de waterput kon men zo binnen via het souterrain in het puthuis regenwater putten. Een goed voorbeeld hiervan is Nieuwendijk 75 (afb. 1). In 1565 bepaalde het stadsbestuur middels de keur Ordonnantie van timmeren en royen onder andere dat het ‘opperste van pothuyskens’ niet hoger dan 5,5 voet, met een 0,5 voet ‘klimmens’ (helling) en de ‘wijdte’ (breedte) niet meer dan 4 voet langs de burgwallen mochten zijn. Voor straten en stegen golden de maximale afmetingen van 4 voet hoogte, een helling van 0,5 voet en 3 voet breedte, ongeveer 113 cm, 14 cm en 85 cm. Blijkbaar wilde men de wildgroei van bouwsels op de openbare weg beperken. Na 1565 werden, als een achtererf of binnenplaats ontbrak, bij stenen woonhuizen pothuizen vooral aan de zijgevel van hoekhuizen gebouwd. Het regenwater werd dan direct onderaan de zijgevel opgevangen. Herengracht 232 hoek Hartenstraat uit 1615 is hier een voorbeeld van (afb. 2). In de loop der eeuwen veranderde de bestemming en vormgeving van deze pothuizen, maar de strijd van de huiseigenaar met de overheid over het gemeentelijke grondgebruik bleef tot op heden bestaan.

Tek. 1 Tek. 2 Tek. 3
Tek. 4 Tek. 5 Tek. 6

Keukenpothuizen

Foto 1 Foto 2

In het begin van de zeventiende eeuw werden de pothuizen nog sober uitgevoerd, meestal met een venster en/of een deurtje. Verder met een gesloten gemetselde halfsteens gevel van 8 cm dik en een hardstenen afdekplaat van 5 of 6 cm dik. Om binnen zoveel mogelijk ruimte te verkrijgen werden de muren zo dun mogelijk gehouden. Een loden afdekking op een houten plaat kwam ook voor, maar lood was kostbaar en werd vaak gestolen. In de loop van de eeuwen zijn de pothuizen voordurend aangepast en van bestemming veranderd. Een mooi voorbeeld is Sint Olofspoort 1 hoek Zeedijk (tek. 1). Het hoge gedeelte is na de achttiende eeuw gerealiseerd, de deur is bij de laatste restauratie ingebracht. Een ander voorbeeld is Nieuwebrugsteeg 13, in 1932 gerestaureerd door architect Jan de Meyer (foto 1). Pothuizen mochten het uitzicht van de buren niet belemmeren, bij scheve erven dienden de pothuizen haaks op de gevel te worden gebouwd – een keur (stedelijke wet of verordening) uit 1620 stelt dat de pothuizen ‘opzijde in de winckelhaeck gestelt sullen worden’. Bij huizen met een erf werd het regenwater langs de achtergevel afgevoerd. De daken van de huizen werden soms met geglazuurde pannen gedekt om meer regenwater te kunnen opvangen. In dergelijke panden werd de keuken met de waterput achterin het souterrain ondergebracht. Deze waterput met keuken kwam ook bij de pothuizen voor. Door de inbouw van een keuken en een stilletje ontstonden langere en grotere pothuizen met meerdere vensters of deurtjes. Zie het pothuis op de hoek van de Herengracht en Blauwburgwal 22 uit 1667 (foto 2), waar bij de laatste restauratie de stoep naast het pothuis is verwijderd. De naamgeving puthuis veranderde door het gebruik als keuken in pothuis.

Pothuizenverhuur

De souterrains aan de voorzijde van het huis werden soms apart verhuurd, al dan niet in combinatie met de keuken. Door deze functie werden de pothuizen weer groter en zelfs uitgevoerd met een extra stookplaats of rookkanaal langs de zijgevel. Dergelijke vergrote pothuizen werden gehuurd door kleine ambachtelijk bedrijfjes zoals schoenlappers of voor de opslag van kleine werkplaatsen. De keur van 1642 geeft een inzicht van het gebruik van de pothuizen: in deze verordening werd bevolen ‘speck ende kaes op marckten en in de pothuysen te venten’, dus niet vóór het pothuis op de weg. Blijkbaar werd er voor de pothuizen van alles op de straat uitgestald. Het is opvallend en niet voor niets dat in het eerste gedeelte van de grachtengordel tot de Leidsegracht veel pothuizen voorkomen, zie Brouwersgracht 218, een pothuis met stoep uit 1649 (tek. 2). De rommelige pothuisjes en keldervallen met hun uitgestalde koopwaar pasten niet meer bij de voornaamheid van de dubbele grachtenhuizen in het gedeelte van de tweede uitleg van de grachtengordel (na 1658). Daarbij komt dat de regelgeving in 1663 bij keur nog strenger werd: ‘voor het gebruyken van stadsgrond van nu voortaan geene pothuysen of regenbakken in de stoepen of onder de straet sullen mogen gemaekt dan ten overstaen van Rooymeesters om te werden gereguleert de recognitie aen de regenten van het aelmoesseniershuys deser stede sullen betalen’. De stadsgrond onder de stoepen was vrij van rechten, maar voor wat daar buiten bevond moest de huiseigenaar precario, een soort belasting, betalen.

Lange pothuizen

Foto 3 Foto 4

In de achttiende eeuw werden de bestaande pothuizen nog steeds vergroot. De meeste pothuizen dateren uit de zeventiende eeuw en zijn daarna vergroot. Herengracht 77 is een fraai zeventiende-eeuws grachtenhuis met een achttiende-eeuws pothuis aan de zijgevel (tek. 3). Ook werden pothuizen wel over de volle lengte uitgevoerd om nog meer koopwaar en bedrijfjes onderdak te bieden, zie Brouwersgracht 56, een pothuis in Lodewijk XIV-stijl uit 1744 (foto 3) en Reestraat 2, in Lodewijk XV-stijl (tek. 4). In het tweede gedeelte van de grachtengordel werden ze onder invloed van de nieuwe precario en de strengere Rooymeesters wel groter en langer gebouwd, maar veel minder in aantal. Het pothuis op de hoek van de Keizersgracht en Reguliersgracht 39 is hier een voorbeeld van (tek. 5). Tot over de Amstel heeft men pothuizen gebouwd en in de achttiende eeuw vergroot, zie Amstel 101 / hoek Nieuwe Prinsengracht (foto 4): De bouw van de schilderachtige pothuizen met luiken en luifels verdween echter aan het eind van de achttiende eeuw. Vanaf 1745 werd tevens een landelijke verordening van kracht, een zogenaamd luifeldecreet, waarin de nieuw te bouwen, te vernieuwen en te repareren luifels op stadsgrond werden beboet met vijftig guldens; als men zich hier niet aan hield, werden ze na zes jaar afgebroken. Vóór 1830 werd dit decreet ook in Amsterdam ingevoerd en konden pothuizen nog wel verbouwd worden, maar de bouw van nieuwe pothuizen op gemeentegrond werd niet meer toegestaan. Herengracht 150 hoek Leliegracht is een voorbeeld van een verbouwd pothuis (tek. 6). Door die maatregel zijn er vanaf die tijd helaas een flink aantal door verval en verbouwing verdwenen.
Gelukkig hebben de stoepen en pothuizen het echter lang tegen een al te strenge overheid volgehouden. De schilderachtigheid van het Amsterdamse stadsbeeld is mede hieraan aan te danken.

Theo Rouwhorst

Tekst en tekeningen: Theo Rouwhorst

Literatuur:
E. van Houten, Amsterdamse merkwaardigheden, Amsterdam 1946.
A. Boeken, Amsterdamse stoepen, Amsterdam 1950.
R. Meischke en H.J. Zantkuijl, Het Nederlandse woonhuis, Haarlem 1969.
R. Meischke e.a., Huizen in Nederland, Amsterdam/Zwolle 1995.

(Uit: Binnenstad 234, juni 2009)

Vorige aflevering: XVIII. Balkons (Binnenstad 233)
Volgende aflevering: XX. Stoepen (Binnenstad 235)

[Oog voor detail - alle artikelen]

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.