XXI. Stoepbalusters

Het woord baluster is afgeleid van de Latijnse naam voor de bloem van de granaatappelboom, waarvan de onrijpe vrucht overeenkomst vertoont met een eenvoudige ronde baluster beëindigd door een (bloem)knop. Deze balusters zijn te vinden in de baldakijn rond de graftombes uit het begin van de zestiende eeuw van de Spaanse koningen Ferdinand van Aragon en Isabella van Castilië, en die van Philips de Schone en Johanna de Waanzinnige in de Capilla Real van de kathedraal van Granada. De vormgeving van de Amsterdamse gietijzeren stoepbalusters werd geïnspireerd op allerlei plantenmotieven. Een zo volledig mogelijk overzicht geeft meer kijk op de fraaie vormgeving en de bijbehorende architectuurstijlen die in de loop van de eeuwen zijn toegepast.
Afb. 1: Stoepbalusters (tek. Bureau Monumenten en Archeologie)

Gietijzeren balusters

Vóór 1400 komt in West-Europa alleen smeedijzer voor. IJzeroer werd op een temperatuur van circa 800-1250° C verhit tot een deegachtige klomp. Deze klomp werd door de smid net zolang gehamerd totdat zich een min of meer zuiver metaal vormde. Oud smeedijzer heeft een vezelachtige structuur en werd vooral toegepast voor nagels (spijkers), gehengen, sloten, ankers, leuningen en hekwerken. Vanaf de vijftiende eeuw werd het mogelijk ijzer te verhitten tot het smeltpunt van circa 1540° C. Het dunne vloeibare ijzer dat hierdoor ontstond was na stolling echter niet smeedbaar door de hoge concentratie aan koolstof, maar kon wel in een mal, een zandvorm, worden gegoten en is vooral toegepast voor het maken van haardplaten, vijzels, deurkloppers, deurknoppen en vanaf de zeventiende eeuw ook voor gietijzeren balusters.
Vóór die tijd werden stoepbalusters bij de nog voornamelijk houten huizen in hout uitgevoerd, zie ook het artikel over de stoepen in het vorige nummer van Binnenstad. Bijna alle voorbeelden hiervan zijn echter verdwenen of later gewijzigd. Voor het renaissancedoopvont uit 1540 in de Grote of Onze Lieve Vrouwekerk te Breda ontwierp Hans ‘de Glasschrijver’ vier slanke versierde balusters met knopvormen. Dit doopvont werd in koper (messing) gegoten door de Antwerpse geelgieter Joos de Backer.

Reguliersgracht 76 Keizersgracht 690 Amstel 228 OZ Voorburgwal 187

Zeventiende eeuw

De eerste gietijzeren stoepbalusters verschijnen rond 1600 tegelijk met de balusters van de brughekken (afb. 1). Op de stoep van de voormalige vleeshal op de Westermarkt, in 1619 ontworpen door stadsbouwmeester Hendrick de Keyser, werden gietijzeren balusters gebruikt. De renaissancevormgeving van de balusters met bolknop is duidelijk zichtbaar. Ook Keizersgracht 123, het Huis met de Hoofden uit 1622, kent dergelijke balusters (tek. 1). Architect Philips Vingboons ontwierp in 1639 een dubbele stoep met ijzeren leuning en balusters voor het Huydecoperhuis, Singel 548. Deze balusters komen thans nog voor op de stoep van Leidsegracht 8 uit circa 1660 (tek. 2). In de zeventiende eeuw komen in Amsterdam verschillende varianten van dit type ronde stoepbaluster voor, Reguliersgracht 76 is hier een voorbeeld van (foto 1; tek. 3 en 4). De ijzergieterijen langs de waterlopen in het oosten van ons land maakten vele handelsproducten die vrij te koop waren, waaronder onder meer de ‘Utrechtse modellen’. In Amsterdam werden deze laatste vooral als brugleuningbalusters toegepast.

Tek. 1 Tek. 2 Tek. 3 Tek. 4 Tek. 5 Tek. 6 Tek. 7 Tek. 8
Tek. 9 Tek. 10 Tek. 11 Tek. 12 Tek. 13 Tek. 14 Tek. 15 Tek. 16

Achttiende eeuw

Omstreeks 1700 wordt een eenvoudige vierkante baluster met gestileerd bladmotief ontworpen, met of zonder bloempuntje (tek. 5 en 6) of met een klein gestileerd acanthusblad (tek. 7). Vanaf die periode is de smeedijzeren leuning vaak omkleed door een houten leuningprofiel met een leuningkrul. De leuningkrullen en profileringen verschillen vaak van vorm, maar deze eenvoudige baluster bleef vrijwel de hele eeuw bestaan, zelfs bij stoepen die later zijn gebouwd, zie Herengracht 256 en Herengracht 493. Onder invloed van de Lodewijk XIV- en Lodewijk XV-stijl ontstaan daarnaast brede balusters van het zogenaamde vaasmodel, waarvan twee varianten bestaan (tek. 8 en 9). De ronde tussenstaaf wordt dan meestal beëindigd met een sierknop. Vanaf het tweede kwart van de achttiende eeuw worden deze brede balusters voor de rijke grachtenhuizen gecombineerd met een S-vormige beginbaluster, die meestal speciaal voor een stoep werden ontworpen, zie Herengracht 250 (tek. 10) en Keizersgracht 690 (foto 2). Rond 1750 worden voor het eerst lierbalusters in Lodewijk XV-stijl toegepast, zie Prins Hendrikkade 124 (tek. 11). Ook in de Lodewijk XV- stijl komen S-balusters voor, zie Amstel 228 (foto 3). In het laatste kwart van deze eeuw zien we de vierkante balusters weer terugkomen, maar dan in Lodewijk XVI-stijl (tek. 12), soms ook met guirlandes uitgevoerd, zoals bij Keizersgracht 606 (tek. 13). De vierkante baluster met cannelures stamt eveneens uit de empireperiode rond 1800.

Negentiende eeuw

De empirebalusters blijven tot in het begin van deze eeuw in gebruik (tek. 14). Na 1800 krijgen de ijzergieterijen steeds meer invloed op de handel in balustermodellen. Vanaf het tweede kwart van de eeuw brengt iedere ijzergieterij voor het eerst een modellenboek in de handel, waaruit men vaak uit tientallen modellen kon kiezen. Toch valt daar ook een chronologische volgorde in te ontdekken. In het begin van de eeuw komt de ronde baluster met cannelures veel voor en ook andere ronde modellen met vaste vierkante voet, in die tijd veelal nog uitgevoerd met houten leuningprofielen. Na het midden van de negentiende eeuw komt vooral de dubbele vaasbaluster met driepootvoet veel voor, meestal eveneens uitgevoerd met een ronde ijzeren leuning (tek. 15 en 16), zie ook Oudezijds Voorburgwal 187 (foto 4). De tussenstaaf of leuning wordt soms als ‘gevlochten touw’ uitgevoerd. Vanaf die tijd worden deze balusters ook wel met dennenkegelknop of bolknop en soms met ronde voet geleverd, zie het modellenboek van de firma G.J. Wispelwey en Co te Zwolle. De modelvoering is dan niet meer streek- of stadgebonden. Door de tekenkamer van het Bureau Monumentenzorg Amsterdam zijn er in de zeventiger jaren een tiental balusters, waarvan vijf uit dit modellenboek, op ware grootte uitgetekend (afb. 2). Aan het einde van de eeuw worden er steeds minder stoepen uitgerust met gietijzeren balusters. Ook door de introductie van een nieuw architectuurelement, de portiekstoep, zijn balusters niet altijd meer noodzakelijk en kan vaak alleen met leuningen worden volstaan.

Twintigste eeuw

Gietijzer wordt in het begin van deze periode steeds meer vervangen door in vloeibare vorm smeedbare ijzersoorten als staal. In de jaren twintig en dertig zien we stoepbalusters ontstaan, gemaakt van gewalst ijzer, zoals op de stoepen aan de Churchillaan en het Merwedeplein uit het voorgaande artikel. Ook stalen buismateriaal wordt dan steeds meer als leuning gebruikt. Dit ijzerwerk kan volgens een moderne methode met lassen of smeden worden hersteld. Het herstellen van oude gietijzeren balusters blijft echter een moeilijke zaak. Soms zijn de gebroken delen met pennen in elkaar te lijmen. Nagieten is niet altijd mogelijk, omdat de modellen zo divers zijn, dat de juiste malvorm vaak niet meer voorhanden is. Bij gebrek aan beter wordt dan meestal voor het eenvoudigste gietijzeren model gekozen, waardoor de variatie aan modellen steeds zeldzamer wordt en historische stoepbalusters dus het koesteren waard zijn.

Theo Rouwhorst

Tekst en tekeningen: Theo Rouwhorst

Literatuur:
E. van Houten, Amsterdamse merkwaardigheden, Amsterdam 1946.
A. Boeken, Amsterdamse stoepen, Amsterdam 1950.
T. Brouwer, Stoepen, stoeppalen en stoephekken, Zutphen 1985.
R. Vos en F. Leeman, Het nieuwe ornament, ’s-Gravenhage 1986.
R. Meischke e.a., Huizen in Nederland, Amsterdam/Zwolle 1995.

(Uit: Binnenstad 236, oktober 2009)

Vorige aflevering: XX. Stoepen (Binnenstad 235)
Volgende aflevering: XXII. Stoeppalen (Binnenstad 238)

[Oog voor detail - alle artikelen]

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.