XXII. Stoeppalen

Bij de Amsterdamse houten huizen uit de middeleeuwen zijn niet veel stenen stoeppalen toegepast. Een enkele keer zien we ze op prenten als schamppaal op de hoeken van straten afgebeeld. In andere Nederlandse steden kwamen deze stenen palen meer voor en zijn ze ook bewaard gebleven. Vanaf de achttiende eeuw zien we echter, naast de in het voorgaande artikel behandelde gietijzeren balusters, steeds vaker stenen palen op Amsterdamse stoepen verschijnen. De toepassing van stenen palen nam een vlucht toen, vaak in de negentiende of begin van de twintigste eeuw, de oorspronkelijke stoep werd weggehaald. Ze zijn te vinden in allerlei vormen en variaties, met stangen of smeedijzeren kettingen. De historische vormgeving en detaillering van deze natuurstenen palen sieren als straatmeubilair nog steeds het stadsbeeld en het is de moeite waard om ze eens nader te beschouwen.

Grenspalen

De oudste palen zijn eigenlijk stenen, die een eigendom of domein begrenzen.

Kasteel- en kloosterterreinen werden zo aangegeven. Ook op de grenzen van steden stonden dergelijke palen. De palen waren meestal rechthoekig van doorsnede met een ronde vorm aan de bovenkant, zodat op de brede kant een naam of stadswapen kon worden aangebracht. Ook binnen steden werden dergelijke stenen gebruikt om de domeingrens van bijvoorbeeld kloosterterreinen aan te geven. In Amsterdam konden tevens grachten als grens van een domein of klooster worden benut. Om die reden zijn dit soort stenen wellicht niet meer in de stad terug gevonden. Wel zijn op de hoeken van straten schamppalen en ronde stenen te vinden, die schade aan gebouwen moesten voorkomen, zie de tekening van de hoek van het oude stadhuis op de Dam van Lambert Doomer (afb. 1).

Deze stenen of palen waren veelal rond van vorm en vanaf de achttiende eeuw achthoekig met een vierkante voet en een bolle kop, zoals de paal van vόόr 1910 op de hoek van Korte Prinsengracht 38 en de Vinkenstraat, voor de afbraak in 1910 (tek. 1a). Bij de toegang van particuliere eigendommen werden erfscheidingen in de zestiende en zeventiende eeuw vaak met stenen of houten bankjes gemarkeerd, aan de voorkant soms rijk bewerkt met jaartallen of huismerken. In de zeventiende eeuw werd deze functie in Amsterdam door de opkomst van de verhoogde stoep door het ‘huisteken’, een gevelsteen, overgenomen.

Stoeppalen

foto 1: Amstel 216

Men spreekt over stoeppalen als deze met stangen of kettingen onderling zijn verbonden en als ze een lage stoep afschermen van de openbare weg. Deze stoepen zijn gebouwd op gemeentegrond en mochten maximaal 3 voet (circa 85 cm) breed zijn of, langs de hoofdgrachten, 4 voet (circa 115 cm). Afhankelijk van de breedte van een pand kunnen er twee tot twaalf palen op een stoep zijn geplaatst. Voor stoeppalen werd vooral Naamse hardsteen gebruikt. De variatie in vormgeving valt naar vorm en ouderdom in te delen. Er bestaan ronde, achtkantige en vierkante modellen. In het begin van de zeventiende eeuw stonden bij het steenhouwershuis van Pieter de Keyser, Brouwersgracht 132, palen met stangen. Op de gravure in het grachtenboek van Casper Philips is echter niet goed te zien of het model rond of achtkantig was.

tek. 1a tek. 1b tek. 2 tek. 3 tek. 4

Ronde palen vinden we voor het eerst in de tweede helft van de zeventiende eeuw als schamppalen ter bescherming van de stoep. Adriaan Dortsman ontwierp in 1672 voor Keizersgracht 672-674 schamppalen (tek. 1b). Voor Amstel 216, een ontwerp van hem uit datzelfde jaar, staan ook ronde palen met kettingen, maar deze zijn later geplaatst (tek. 2, foto 1).

Voor Keizersgracht 710, pakhuis het Lam, behorend bij Keizersgracht 708, het naastgelegen koopmanshuis dat Hendrick Staets in 1680 verwierf, stonden ook palen met kettingen, maar deze zijn eveneens in een latere eeuw door twee modellen ronde palen vervangen (tek. 3 – model 1).

Achttiende eeuw

foto 2/2a: Palmgracht 28-38

Achtkantige palen met stangen of kettingen zijn aangetroffen bij hofjes en pakhuizen uit de achttiende eeuw (tek. 4). De afwerking met frijnslag is daarop nog duidelijk op te onderscheiden (circa 24 frijnslagen, groeven, per tien cm.). Deze zijn onder andere nog te vinden bij Palmgracht 28-38 (foto 2), het Rapenhofje en Bossche Hofje, de ingang van het Burgerweeshuis en voor de Oude Kerk. Ook voor de ambtswoning van de burgemeester, Herengracht 502 uit 1672, stonden oorspronkelijk deze palen met kettingen, maar na de verbouwing door architect Abraham van der Hart in 1791 werden dikke ronde modellen geplaatst (tek. 5). Dit soort palen met kettingen zijn vooral als sierlijke elementen geplaatst, soms sluiten ze de gehele lage stoep af, zodat deze niet meer kan worden betreden. Deze palen dienden dan vooral om koetsen en handkarren op afstand te houden, zie Keizersgracht 686 (tek. 6) en 710 (tek. 7 - model 2). In de laatste kwart van de achttiende eeuw ontstaan onder invloed van de Lodewijk XVI- en empirestijlen allerlei modellen ronde palen met cannelures (tek. 8-9-10) Keizergracht 550, Herengracht 466 en 478.

tek. 5 tek. 6 tek. 7 tek. 8 tek. 9 tek. 10

Negentiende en twintigste eeuw

foto 3: Herengracht 474 foto 4: Henri Polaklaan 9

In het begin van de negentiende eeuw worden door wijzigingen in de woningindeling achter de gevel veel verhoogde stoepen gesloopt. Voor de veranderde (hard)stenen onderpuien worden, om de verlaagde stoep af te schermen, steeds meer verschillende stoeppalen met kettingen ontworpen. De achtkantige palen zijn vaak voorzien een soort kapitelen. Singel 378 (tek. 11), Keizersgracht 501 (tek. 12) en Herengracht 440 (tek. 13). Vanaf die periode komen naast ronde en achtkantige modellen ook vierkante modellen voor. Er zijn wel meer dan honderd modellen uit deze periode in de stad te vinden. Enkele markante voorbeelden zijn Keizersgracht 800 (tek. 14) en 784-786 (tek. 15), Herengracht 386 (tek. 16) en Amstel 226 (tek. 17).

tek. 11 tek. 12 tek. 13 tek. 14 tek. 15 tek. 16
tek. 17 tek. 18 tek. 19

Uit de laatste kwart van de negentiende eeuw is de neo-Lodewijk-XIV-gevel Herengracht 474 met stoeppalen uit 1880 vermeldenswaard (foto 3). Onder invloed van de art nouveau-stijl worden rond de eeuwwisseling vierkante palen met op de hoeken facetkanten ontworpen, zie Keizersgracht 680 (tek. 18). In het begin van de twintigste eeuw verdwijnt het gebruik van natuurstenen palen met kettingen of stangen om de stoep af te schermen langzamerhand. H.P. Berlage ontwierp in 1900 voor het gebouw van de Algemene Nederlandse Diamant Bewerkersbond, Henri Polaklaan 9, zware granieten stoeppalen met stangen (foto 4). Voor traditionele architectuur, zoals Herengracht 206-214 (1917-1918) van de gebroeders Van Gendt A.L. zn., werden de ronde palen ook in grijs Beiers graniet uitgevoerd. Bij de restauratie in 1921 van de Agnietenkapel op Oudezijds Voorburgwal 231 ontwierp A.A. Kok nog stoeppalen (tek. 19). In de twintiger en dertiger jaren van de vorige eeuw worden echter bakstenen en ijzeren stoepafscheidingen ontworpen en verdwijnt de natuurstenen stoeppaal met smeedijzeren ketting of stang langzamerhand uit het straatbeeld. Oog voor goed onderhoud en herstel kan voorkomen dat historische stoeppalen als sierlijk straatmeubilair verdwijnen.

Theo Rouwhorst

(Tekeningen: Theo Rouwhorst)

Literatuur:
A. Boeken, Amsterdamse stoepen, Amsterdam 1950.
I. H. van Eeghen, Een Amsterdams grachtenboekje uit de zeventiende eeuw, Amsterdam 1963.
T. Brouwer, Stoepen, stoeppalen en stoephekken, Zutphen 1985.
R. Meischke e.a., Huizen in Nederland, Amsterdam/Zwolle 1995.
K. Ottenheym. e.a., Hendrick de Keyser. Architectura Moderna, Amsterdam 2008.

(Uit: Binnenstad 238, februari 2010)

Vorige aflevering: XXI. Stoepbalusters (Binnenstad 236)
Volgende aflevering: XXIII. Stoephekken (Binnenstad 239)

[Oog voor detail - alle artikelen]

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.