Dirk van Oort (1862-1933)

Vader en zoon

Dirk van Oort was een karakteristieke representant van de stormachtige ontwikkelingen in de hoofdstedelijke bouwkunst rond 1900. Hij had het vak vermoedelijk geleerd van zijn vader, H.D. van Oort, die als bouwkundige werkte voor de stedelijke armenzorg. Senior was als bouwopzichter verantwoordelijk voor het onderhoud van het Werkhuis aan de Roetersstraat, inclusief niet al te ingrijpende verbouwingen. Ander werk van zijn hand is niet bekend, maar waarschijnlijk heeft hij ook zelf een aantal bouwwerken ontworpen en gerealiseerd. Zo maakte Dirk van Oort al jong kennis met de praktijk van het hoofdstedelijke bouwen. Daarbij zal ook het avondonderwijs aan de Industrieschool nuttig zijn geweest. Later zou hij het werk voor de stedelijke armenzorg overnemen van zijn vader. Dat heeft geresulteerd in twee belangrijke opdrachten voor de Inrichting voor Stadsbestedelingen en het kantoorgebouw voor de Huiszittende Armen aan de Reguliersdwarsstraat. Dit laatste was misschien wel zijn meest ambitieuze ontwerp, het is tijdens de oorlog verloren gegaan. Mogelijk werkte senior ook voor de Lutherse Gemeente, want Dirk van Oort heeft voor deze maatschappelijke organisatie in 1908 een groot gebouw aan het Staringplein gerealiseerd, het Evangelisch Luthersch Diaconie Hof. Zo’n prestigieuze opdracht kwam zeker niet uit de lucht vallen. In 1925, aan het eind van zijn carrière, zou hij samen met A.A. Kok de Oude Lutherse Kerk restaureren, tegenwoordig in gebruik als de aula van de Universiteit van Amsterdam.

De Hollandse neorenaissance en daarna

Prinsengracht 911-915

Net als zijn leeftijdgenoten, onder wie ook H.P. Berlage, begon Dirk van Oort zijn loopbaan als architect met ontwerpen in de toen gangbare stijl van de neorenaissance. Daar had hij duidelijk talent voor. Zijn debuut in 1889, Herengracht 41, was nog wat onzeker, maar Vijzelgracht 49 getuigde enkele jaren later al van meer zelfvertrouwen. Aan de Vijzelgracht ging het om een verbouwing, aan de Herengracht waarschijnlijk ook. Dit gegeven beperkte zijn mogelijkheden. Het bouwwerk op de hoek van de Warmoesstraat en de Wijde Kerksteeg uit 1893 laat zien dat Van Oort zich al redelijk op zijn gemak voelde met de ingewikkelde vormentaal van deze stijl. Wat nog ontbrak was een zekere verfijning, maar vrijwel tegelijkertijd kwam ook Vijzelgracht 63 gereed, en dit woonwinkelhuis is zonder twijfel een buitengewoon geslaagd ontwerp in de neostijl die I. Gosschalk twintig jaar eerder had geïntroduceerd. Het onderscheidt zich duidelijk van de doorgaans wat lompe interpretaties die door aannemers werden gebouwd. De detaillering en de decoratie zijn tot in de puntjes verzorgd en werkelijk fijnzinnig. Het is te hopen dat de bouw van het metrostation dit fraaie gemeentelijk monument geen ernstige schade toe zal brengen.
Dit eerste hoogtepunt in het oeuvre van Dirk van Oort markeerde echter ook zijn afscheid van de neorenaissance. Met het grote kantoorgebouw op de hoek van het Singel en de Heiligeweg begon hij vlak voor de eeuwwisseling aan een nieuw stilistisch avontuur, geïnspireerd op het ontwerp dat Berlage in 1894 had gemaakt voor een kantoorgebouw aan het Muntplein. Dit bouwwerk bestaat nog, maar het is door Berlage zelf in 1911 ingrijpend gemoderniseerd. Van Oort was echter duidelijk niet geheel overtuigd van zijn keuze voor de moderne richting in de bouwkunst. In 1901 volgde de eerste opdracht voor het weeshuis aan de Lange Leidsedwarsstraat. G.B. Salm had al in 1864 een bouwdeel gerealiseerd aan de Lange Leidsedwarsstraat. Van Oort voegde een flink volume toe op de hoek met de Leidsegracht. Wat betreft verdiepinghoogte en dimensionering van de vensteropeningen volgde zijn ontwerp Salm, maar hij koos voor een geheel andere stijl, die wat doet denken aan het werk van A.N. Godefroy voor het Binnengasthuis. Een eigenzinnige interpretatie van de Hollandse renaissance.
Ook in de jaren daarna realiseerde Van Oort een aantal opmerkelijke bouwwerken die getuigen van stilistische twijfel. Kerkstraat 152-156, gedateerd 1903, was een modern bedrijfsgebouw dat toch niet helemaal modern wilde zijn. Het Diaconie Hof aan het Staringplein uit 1908 werd door de gezaghebbende en modern gezinde criticus J. Gratama gematigd positief besproken in het tijdschrift Bouwkunst. Toch zijn hedendaagse architectuurhistorici meer geneigd om dit ontwerp te karakteriseren als traditioneel. Dit geldt eveneens voor Prinsengracht 911-915 dat twee jaar later tot stand kwam. Maar hier werd de op het eerste gezicht traditioneel ogende detaillering misleidend. Welbeschouwd had dit ontwerp niets meer te maken met bouwstijlen uit het verleden. Het woonhuis Prins Hendrikkade 149 uit 1916, later heel netjes met een verdieping opgehoogd, was in dit opzicht minstens zo interessant. Anno 2010 maakt de ambachtelijk verzorgde detaillering een ouderwetse indruk, tegelijkertijd ontbreekt echter elke stilistische verwijzing naar de Gouden Eeuw.

Toch Berlage

Terwijl Prins Hendrikkade 149 werd gerealiseerd, werkte Van Oort ook aan twee opmerkelijke gebouwen voor de Amsterdamse armenzorg. Soberheid was in dit kader natuurlijk geboden, belastinggeld moet zorgvuldig worden besteed. Op de hoek van de Leidsegracht en de Prinsengracht verrees het derde bouwdeel van de Inrichting voor Stadsbestedelingen. De oplettende waarnemer ziet na enige tijd nog veel prettige detaillering, maar dit was toch een opmerkelijk zakelijk ontwerp. Het kantoorgebouw voor de Huiszittende Armen in de Reguliersdwarsstraat vormde tenslotte een ware hommage aan Berlage. Niet de Berlage uit 1916, maar een jongere Berlage. Het was een monumentaal gebouw dat net als de Beurs op een strikt zakelijke wijze was gedecoreerd. Ook het interieur, uitgevoerd in fraai metselwerk met waar nodig natuurstenen onderdelen, vertoonde overeenkomsten met het meesterwerk van Berlage. Dit mengsel van zakelijkheid en ingetogen decoratie zou tien jaar later het veld moeten ruimen voor een architectuur zonder enige decoratie, het functionalisme. Berlage had daar kritiek op, tevergeefs uiteraard, en Dirk van Oort deed er zoals altijd het zwijgen toe. Het gebouw voor de Huiszittende Armen, zijn belangrijkste bijdrage aan de hoofdstedelijke bouwkunst, is helaas verdwenen.

Vincent van Rossem

(Uit: Binnenstad 240, juni 2010)

Vorige aflevering: Francois Marie Joseph Caron (1866-1945) (Binnenstad 237)
Volgende aflevering: IJme Gerardus Bijvoets (1837-1901) (Binnenstad 242)

[Amsterdam 1900]

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.