XXIV. Gevelankers

Aan Amsterdamse gevels zijn veel ijzeren ankers te vinden. Het soort ijzer dat hiervoor werd gebruikt, kan ons veel leren over de ouderdom en de constructie van de desbetreffende gebouwen. Hetzelfde geldt voor de vormgeving van deze gevelankers; er bestaan verschillende modellen.

Wanneer en waarom werden ankers toegepast en uit welke onderdelen zijn deze opgebouwd? Wat voor een betekenis hebben de ingehakte strepen of merktekens; zijn dit huistekens of smidsmerken? Onderstaand overzicht zal hopelijk meer duidelijkheid geven over de ontstaansgeschiedenis van deze gevelankers en hun bouwkundige functies.

tek. 1 2 3 4 5 6 7 8

Smeedijzeren schootankers

De oudste gevelankers in Nederland dateren uit de dertiende eeuw, onder andere die aan de gevels van Oudegracht 175 in Utrecht en van Kasteel Ammersoyen. Een dergelijk ijzeren anker is eenvoudig een constructief element om de houten kap of de balklagen met de stenen top en/of gevel te verbinden. Dit soort ankers bestaan meestal uit een ‘schieter’, een verticale staaf met een vierkante doorsnede, die door het vierkante oog van een ‘veer’, een horizontale staaf wordt gestoken. Het uiteinde van deze staaf wordt door de gevel aan de houtconstructie bevestigd. Een dergelijk anker wordt een ‘schootanker’ genoemd. Aan de schieter wordt een neus of haak gesmeed om te voorkomen dat de schieter naar beneden zakt. De lengte varieert rond de 80 cm (tek. 1). Ook komt het voor dat een dergelijk anker met een achterliggende muurstijl van een houtskelet is verbonden. Deze ankers zijn meestal te herkennen aan een dunnere en langere schieter en zijn vooral te vinden in zijgevels en bouwmuren, zie de zijgevel uit 1560 van Nes 89 (foto 1). Aan bovenkant van de schieter wordt ook wel een schuine V-vorm toegepast om nog meer metselwerk te kunnen vasthouden. De ankers werden soms voorzien van haken of houders om luifels of toortsen aan te kunnen hangen.

Sierankers

foto 1 afb. 1

Vanaf het tweede kwart van de zestiende eeuw tot na het midden van de zeventiende eeuw paste men smeedijzeren sier- of jaartalankers toe. Een van de vroegste voorbeelden hiervan vinden we aan het Gravensteen uit 1526 te Zierikzee waar dergelijke ankers zijn voorzien van toortsenhouders. Ongeveer vanaf het derde kwart van de zestiende eeuw ging men er onder invloed van de renaissancestijl toe over om de ankers met Franse lelies en klaverbladvormen te versieren. In Amsterdam zien we in de eerste periode zowel rechte schootankers aan de huizen op het Rokin uit circa 1560 (afb. 1) als sierankers – aan de gevel van de Sint Annenstraat 12 uit 1565 (tek. 2).

Omstreeks 1600 verbeterde de ijzerkwaliteit snel, wellicht door de invoer van staven Zweeds ijzer. Hierdoor werd het mogelijk in het half afgekoelde ijzer met een beitel strepen of kerven te hakken. Onderaan de ankers werden nu versieringen in de vorm van strepen en/of kruisen aangebracht. Bij de oudste schootankers komen dit soort strepen niet voor. Het Sint-Andreaskruis is het meest voorkomende algemene teken dat gebruikt werd (tek. 3). Deze tekens komen in heel Nederland voor, niet alleen in de katholieke landsdelen. In Amsterdam is geen relatie te vinden met de drie kruisen van het stadswapen. Het meest aannemelijk is dat dit merktekens van een smid of smederij zijn, maar een verband met een smederij is nog niet gevonden.

Daarnaast komen verschillende vormen sierankers komen voor, zoals bij Geldersekade 97 uit circa 1600 (tek. 4), Oudezijds Voorburgwal 14 uit dezelfde tijd (tek. 5), het Oost-Indisch Huis uit 1605 aan de Nieuwe Hoogstraat (tek. 6), het Rembrandthuis aan de Jodenbreestraat uit 1606 (tek. 7) en Rapenburg 13 uit 1614 (tek. 8).

Onder invloed van het Hollands-classicisme worden er na het midden van de zeventiende eeuw vrijwel geen sierankers meer toegepast. Een late uitzondering hierop is te vinden aan de zijgevel van Herengracht 394 gebouwd in 1671.

tek. 9 10 11 12 13 14 15 16

Kleinere schootankers en blindankers

Vanaf het laatste kwart van de zeventiende eeuw worden steeds meer kleinere schootankers toegepast. De schieter met een lengte van circa 50 cm is nu duidelijk korter en meestal dikker. Dit type anker met versiering in de vorm van kruisen of strepen wordt de gehele achttiende eeuw gebruikt (tek. 9). Daarnaast worden zogenaamde ‘blindankers’ in de gevel ingemetseld. Deze zijn niet zichtbaar aan de voorgevel, maar dienen bij restauratie wegens roestvorming vaak vervangen te worden. Een model blindanker is een ‘wervelanker’ (tek. 10) of een ‘haakanker’ (tek. 11). De wervelankers uit de negentiende eeuw zijn te herkennen aan een schroefdraad aan de veer met een moerbout, waarmee de wervels zijn gekoppeld (tek. 10a).

Rozetankers

afb. 2

In de tweede helft van de negentiende eeuw komen gietijzeren rozetankers in gebruik. Gietijzer kan weinig trekkracht opnemen, en breken. Daarom zijn deze ankers klein van afmeting en vaak rond van vorm. Ook zijn ze te herkennen aan de schroefdraad met de moerbout waarmee de gietijzeren rozet aan de veer is bevestigd, zoals bij Hoogte Kadijk 29-31 uit 1852 (tek. 12). Ook aan de huizen van architect P.J. Hamer, zoals Planciusstraat 8-18, zijn rozetankers te vinden (foto 2). In negentiende-eeuwse modellenboeken werden door ijzergieterijen allerlei typen rozetankers te koop aangeboden. In het modellenboek van ‘De Prins van Oranje’ zijn een aantal vormen terug te vinden (afb. 2). Landelijk zijn er wel ongeveer 200 verschillende typen bekend. Sommige lijken erg op de smeedijzeren typen, maar de zeskantige moeren verraden dat het gietijzer is.

foto 2 foto 3

In het laatste kwart van de negentiende eeuw zien we onder invloed van de neorenaissancestijl weer smeedijzeren sierankers in het gevelbeeld terugkeren. Voorbeelden hiervan zijn de ankers van Prins Hendrikkade 188-190 uit 1878, Kromme Waal 9 uit 1879 van architect W. Springer (tek. 13) of Herengracht 213 uit 1896 van A.L.van Gendt. De enige jaartalsierankers in neorenaissancestijl in Amsterdam zijn te vinden aan Oude Hoogstraat 2 uit 1902 van de architecten J. Stuyt en J.Th.J. Cuypers (foto 3). De laatste smeedijzeren sierankers zijn tenslotte rond 1900 toegepast door H.P. Berlage aan Muntplein 2-4 (tek. 14) en aan het gebouw van de Diamantwerkersbond, Henry Polaklaan 9 (tek. 15). Aan de Koopmansbeurs op Damrak 277 paste hij schootankers toe (tek. 16). Vanaf de jaren dertig zijn dit soort ankers bij de invoering van spouwmuren overbodig geworden en vervangen door blindankers, de zogenoemde spouwmuurankers.

Theo Rouwhorst

Tekeningen: Theo Rouwhorst

Literatuur:
R.C. Meijer, 'Gietijzer in de Bouw: functioneel en decoratief' in: Monumenten, 4de jrg. (1983) nr. 9.
M. L. Stokroos, Gietijzer in Nederland, Amsterdam 1984.
H. J. Zantkuijl, Bouwen in Amsterdam, Amsterdam 1993.
R. Meischke, H.J. Zantkuijl, W. Raue, P.T.E.E. Rosenberg, Huizen in Nederland - Amsterdam, Zwolle 1995.
L. Fopma, M. van Hemert, T.A.J. Rouwhorst, Smeedwerk/ijzerwaren, Amsterdam 2004.

(Uit: Binnenstad 240, juni 2010)

Vorige aflevering: XXIII. Stoephekken (Binnenstad 239)
Volgende aflevering: XXV. Deurbeslag (Binnenstad 241)

[Oog voor detail - alle artikelen]

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.