In memoriam Maarten Brinkgreve (1946-2010)

In de vroege ochtend van oudejaarsdag 2010 overleed Maarten Brinkgreve. Zeker veertig jaar is hij de fotograaf geweest van ons tijdschrift. Zijn werk geeft een beeld van de strijd voor het in stand houden van het karakter van het historische Amsterdam. Hij fotografeerde de stad in tijden dat het er duidelijk om spande, maar ook in haar pracht, en op momenten dat het verval vrijwel onopgemerkt aan haar fundamenten knaagde. Maarten had een voorliefde voor al wat met aandacht en vakmanschap is gemaakt, en dat kenmerkt ook zijn eigen werk. Hij heeft niet alleen architectuur gefotografeerd, maar allerlei onderwerpen die hem aanspraken, waarbij hij steeds zocht iets van het leven te vangen. Toch zal zijn naam waarschijnlijk in de eerste plaats verbonden blijven met de foto’s die hij de afgelopen halve eeuw heeft gemaakt van het veranderende beeld van de Amsterdamse binnenstad.
Maarten Brinkgreve

De oudste foto’s van Maarten Brinkgreve dateren uit de vroege jaren ’60 en moet hij gemaakt hebben als 15- of 16-jarige jongen: foto’s van Jasper Grootveld bij het Lieverdje op het Spui en van diens ‘K-tempel’, een slop in de Korte Leidsedwarsstraat dat Grootveld in 1962 zelf in brand heeft gestoken. In de eerste nummers van de Lamp van Diogenes wordt niet vermeld wie de foto’s heeft gemaakt, maar vanaf 1970 staat steeds Maartens naam aangegeven. Zeker veertig jaar en misschien dus nog wel langer – vanaf de eerste verschijning in juni 1967 – heeft Maarten de foto’s gemaakt voor ons blad. Hij fotografeerde niet alleen voor De Lamp, die in 1988 werd omgedoopt tot Binnenstad, maar ook voor vrijwel al het andere drukwerk dat vanuit het Aalsmeerder Veerhuis werd uitgegeven. Omdat het blad niet alleen melding maakte van de restauraties van de stichting Diogenes, maar van meet af aan als spreekbuis fungeerde van de voorvechters van het ‘stadsschoon’, die ageerden tegen de stadsvernieuwingsplannen die de stad moesten opstoten in de vaart der volkeren, geeft zijn werk een goed overzicht van het verval, de aantastingen en het herstel van de Amsterdamse binnenstad gedurende de afgelopen decennia. Ontelbare foto’s heeft Maarten gemaakt van onttakelde panden met gebroken vensters, door vocht en boktor aangevreten houtskeletten en gretig puin ruimende shovels. Naast de vervallen panden staan diezelfde gebouwen vaak afgebeeld in gerestaureerde toestand en aan grotere herstelprojecten, zoals het Claes Claesz. Hofje in de Jordaan (1973) en het gekraakte Huis De Pinto (1975), besteedde Maarten natuurlijk uitgebreid aandacht. Maar ook de nieuwe bouwwerken die het karakter van de binnenstad bedreigden ontbreken niet: de detonerende nieuwbouw van de Universiteitsbibliotheek van de UvA in de historische gevelwand van het Singel (1967), het Maupoleum in de Jodenbreestraat (1971) en de Bank van Duintjer in de Vijzelstraat (1973). Het probleem van die nieuwbouw was – en is vaak nog steeds – de grootschaligheid en het gebrek aan geleding, plasticiteit en detaillering. De Nieuwmarktrellen tegen de sloop van talloze panden ten behoeve van de aanleg van de metro in het ‘Monumentenjaar 1975’ brachten een omslag in het denken van het stadsbestuur, maar de strijd was toen nog lang niet beslecht. Heel die roerige periode heeft Maarten Brinkgreve meegemaakt en in stadsbeelden vastgelegd. Zonder die foto’s is het nu bijna niet meer voorstelbaar dat de stad zó gehavend was dat vrijwel niemand hier meer wilde wonen en veel bewoners wegtrokken.
Van al die jaren heb ik Maarten alleen de laatste tien jaar gekend. Nadat hij de foto’s voor Binnenstad had gemaakt, zochten we die altijd samen uit, eerst nog met Geurt Brinkgreve, op de grote tafel in het Aalsmeerder Veerhuis, later op de computer in de werkkamer bij hem thuis. De belangrijkste vraag was meestal welke foto er op de voorplaat zou komen. Van verschillende varianten van hetzelfde onderwerp kozen we dan de meest geschikte compositie. 
Maarten was zeer zorgvuldig en nam de tijd voor zijn werk. Hij maakte altijd een nieuwe, actuele foto van een object, ook al had hij daarvan nog een prima foto van een jaar geleden in zijn archief. Als fotograaf wist hij welk licht en welke bewolking het meest geschikt waren om te fotograferen. En wanneer dat maar enigszins mogelijk was, wachtte hij ook op dat juiste licht, of ging hij enkele dagen later nog eens terug om een nieuwe foto te maken. Een enkele keer moest een artikel worden uitgesteld omdat in een donker steegje de zon alleen ’s zomers hoog genoeg kwam om over de daken te reiken of juist omdat een pand alleen in de winter niet geheel door bladeren aan het zicht werd onttrokken. Anderzijds was Maarten nooit te beroerd om op het laatste moment op de fiets te springen om nog een nieuwe foto te maken. Ook ging hij altijd naar de drukkerij om de eerste exemplaren te beoordelen die van de pers rolden om zo nodig nog iets bij te stellen. 
Gebouwen, interieurs en stillevens waren meer zijn onderwerp dan portretten, maar een stadsbeeld zonder teken van menselijk leven vond hij niet compleet. Het liefst moest er net toevallig een fietser of een wandelaar met een hondje voorbij komen. Daarnaast had hij nog een opvatting die ik opmerkelijk vond. Zo was hij van mening dat een foto altijd iets van de context van het onderwerp moest laten zien; een gebouw fotografeerde hij graag in zijn omgeving en op een foto van een gevelsteen liet hij het liefst ook iets zien van de muur waarin de steen was ingemetseld.
In de tijd dat ik met Maarten heb samengewerkt, vond de overgang plaats van analoge naar digitale fotografie, die voor ons blad min of meer samenviel met de overgang van zwart-wit naar kleur. Die stap werd relatief laat gemaakt: zolang de digitale fotografie qualitatief nog onderdeed voor de analoge, wilde Maarten daar niet naar overgaan. Eens per jaar gaven we een kleurennummer uit, maar ook daarvoor bleef hij lange tijd een beetje beducht. Architectuur leende zich toch heel goed voor zwart-witfotografie? Waren de zwart-witfoto’s van De schoonheid van ons land bijvoorbeeld niet onovertroffen? En zouden verschillende kleurenfoto’s naast elkaar niet een te bont geheel met vloekende kleuren opleveren? De foto van de keizerskroon van de Westertoren op de voorplaat van Binnenstad 218 (2006) gaf echter de doorslag. Toen was hij overtuigd, maar het zou nog tot 2008 duren voordat elk nummer van kleurenfoto’s werd voorzien.

Het restauratie- en houtsnijatelier van Gedexnus en Van Mierlo in de Barndesteeg (1999)

Tussen de papieren op de grote tafel in het Aalsmeerder Veerhuis zwierf een foto van een antieke stoel in een restauratie-atelier, die mij altijd enigszins fascineerde. Niet zozeer vanwege de bijzondere vorm van die net gerestaureerde stoel, maar vooral omdat dat beeld tevens een doorkijkje geeft van hoe dat werkstuk tot stand is gekomen: naar de man die daar op de achtergrond ietwat verscholen tussen gipsvoorbeelden en proefwerkstukjes aan een bankschroef staat te werken. Maarten heeft hem op een onbewaakt ogenblik gefotografeerd. Hij had een speciale liefde voor ambachtelijk werk, niet alleen voor het handwerk van zijn eigen vak, maar voor alle vormen van vakwerk die met aandacht en kennis van zaken werden uitgevoerd. Het was dan ook op zijn initiatief dat ik naar houtsnijder Kees van Mierlo belde met de vraag of ik hem mocht interviewen voor Binnenstad – iets wat ik nog nooit eerder had gedaan. Maarten ging vaak mee met zo’n vraaggesprek, om iemand in een ongedwongen pose op de foto te zetten en ook om indien mogelijk de objecten die in het gesprek naar voren kwamen direct te fotograferen. Die eerste keer vond ik dat een beetje eng – zou ik naar zijn oordeel wel de juiste vragen hebben voorbereid? – maar Maarten hield zich op de achtergrond en was tegelijkertijd zo enthousiast dat ik die onzekerheid al snel vergat. 
Later ging ik ook wel eens met hem mee, om bijvoorbeeld aan te wijzen welke iepen ik graag bij een artikel wilde afbeelden, maar ook voor de aardigheid, omdat ik me een beetje schuldig voelde over het feit dat het ‘bijzondere project’, dat we hadden bedacht, eigenlijk teveel van zijn tijd in beslag nam, zoals het nummer met de (honderden!) bedreigde monumenten langs de Noord/Zuid-lijn.
Meestal werd Maarten op pad gestuurd met een adressenlijstje van gebouwen die gefotografeerd moesten worden, maar zo nu en dan kreeg hij ook een meer vrije opdracht of plaatsten we een foto die hij op eigen initiatief had gemaakt. Zo vond hij het heerlijk om foto’s te maken van de overgroeide begraafplaats Huis te Vraag, om daar wat rond te struinen en zelf zijn beelden te kiezen.
Voor zijn vrije werk maakte Maarten graag foto’s van interieurs en stillevens, die van de verzameling gevonden voorwerpen van zangeres Marianne Kweksilber bijvoorbeeld: zorgvuldig gekozen composities, die in hun kleurnuances en verbijzondering een grote natuurgetrouwheid hebben. Maarten fotografeerde ze vaak in zacht glanzend strijklicht, dat je als het ware langs de voorwerpen voelt kruipen. Ook was ik onder de indruk van de bijna abstracte foto’s van de koelinstallatie van de suikerfabriek in Halfweg.

Knotwilg (2004) Bedreigde iepen op de Korte Prinsengracht (2008)

De laatste jaren fotografeerde Maarten graag bomen en bloemen. Daarbij had hij een speciaal oog voor details; voor de hoger liggende, oplichtende bloembladaderen van enigszins verdroogde tulpen, die de bloemblaadjes een soort satijnen glans geven, of voor de zeer fijne, bijna grafische tekening van het gebladerte en de knoestige en schilferige bast van een knotwilg in een rietland. Die wilg heeft hij gefotografeerd met een grote scherptediepte en in alle nuances van het helderste wit tot het diepste zwart, waardoor je vrijwel elk blaadje kan onderscheiden en bijna een muisje kan horen ritselen.
Op de voorplaat van dit blad prijkt een typisch Amsterdams stadsgezicht: een stille voorjaarsochtend op de Korte Prinsengracht. De foto werd gemaakt in 2008, naar aanleiding van de bedreiging van de Hollandse iepen. Die iepen waren niet heel oud, maar onvervangbaar omdat deze voor het stadsbeeld toch zo karakteristieke variëteit – met zijn doorgebogen takken en fijne twijgjes – vanwege de iepziekte niet meer wordt gekweekt. In Amsterdam is de iepziekte momenteel onder controle en de bomen hadden twee ziektegolven overleefd, maar wegens de op handen zijnde walmuurrenovatie konden ze niet gehandhaafd blijven. Maarten maakte de foto op het moment dat ze voor de laatste keer vol in het zaad stonden. Wie weet waar die zaadjes toch weer wortel schieten.

Juliet Oldenburger

(Uit: Binnenstad 244, februari 2011)

[Themanummer Maarten Brinkgreve]

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.