Amsterdam 1900: Joseph Herman (1862-1937) - Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad

Joseph Herman (1862-1937)

Joseph Herman behoort tot de vele Amsterdamse architecten voor wie nog het nodige onderzoek gedaan moet worden. Hij was in België geboren, maar werd al in 1883 lid van het Amsterdamse architectengenootschap Architectura et Amicitia. Het is vooralsnog de vraag wanneer hij verhuisde.

Bij zijn overlijden sprak het Bouwkundig Weekblad over ‘de menging van zijn Hollandse en Belgische allure’, Herman moet dus lang genoeg in zijn geboorteland gewoond hebben om zich die zuidelijke charme eigen te maken. Misschien had ook zijn talent voor de Art Nouveau met deze Belgische achtergrond te maken. Niet alleen het begin, maar ook het slot van Hermans carrière roept vragen op. Na 1914 liet hij lange tijd niets meer van zich horen, tot er in 1923 op de Omval nog een door hem ontworpen villa werd gebouwd. Dat was het laatste werk, althans in Amsterdam. Maar na 1914 moeten er natuurlijk nog veel meer ontwerpen tot stand zijn gekomen, misschien landhuizen buiten de stad. Herman publiceerde in 1904 een plaatwerk met twaalf ontwerpen voor moderne villa’s, uiteraard om opdrachten te krijgen. Hij had kort na 1900 twee grote dubbele huizen gebouwd aan de Van Eeghenstraat en aan de Koninginneweg. Mogelijk bevielen dergelijke opdrachten hem goed.

Werk

Rokin 44 (foto: Han van Gool, BMA)

Het is niet uitgesloten dat Herman nog in België enige opleiding heeft genoten, maar later volgden ongetwijfeld nog leerjaren bij een Amsterdams architectenbureau. Hij was een ambitieuze ontwerper die regelmatig deelnam aan prijsvragen. Een eerste prijs in 1887 geeft aan dat zijn aanleg niet onopgemerkt bleef. Toch manifesteerde hij zich pas tien jaar later als zelfstandig architect. Dat was maatschappelijk gezien ook wel een waagstuk. Zoals gebruikelijk maakte hij zijn debuut met winkelpuien, die uiteraard allemaal vernield zijn. Continental Bodega in de Kalverstraat beet in 1898 de spits af. Een jaar later volgde Wijnkooperij Reurhoff, Spuistraat 262, een fraai Art Nouveauwerkstuk waarvan twee deuren met gesmeed beslag zijn hergebruikt voor een karakterloos nieuw ontwerp. Uit hetzelfde jaar dateert De Ster in de Reguliersbreestraat, een tamelijk sobere pui. In 1900 ontwierp hij een zwierige Art Nouveau-winkel in de Ferdinand Bolstraat. Tegelijkertijd kreeg Herman opdracht om het dubbele woonhuis Van Eeghenstraat 66-68 te ontwerpen, dat gelukkig nog bestaat. De architectuur is tamelijk conventioneel. In de jaren daarna volgden kort na elkaar een aantal belangrijke opdrachten. Hij bouwde in 1901 Rokin 44, Elandsgracht 12 en de dubbele villa Koninginneweg 32-34. Rokin 44, als door een wonder gaaf bewaard gebleven, is een spectaculair Art Nouveau-winkelgebouw. De oorspronkelijke opdrachtgever handelde in modern sanitair en dat was rond 1900 een modieuze nieuwigheid. Het gebouw moest dus ook een frisse eigentijdse geest uitstralen. Dat is bijzonder goed gelukt, met een vrijwel geheel verglaasde en rijk gedetailleerde gevel die ook ruim een eeuw later nog steeds opvalt. Elandsgracht 12 is meer ingetogen, maar het loont zeker de moeite om eens aandachtig naar dit bouwwerk met zijn zorgvuldig gedetailleerde erker te kijken. Een vergelijking met de belendende architectuur spreekt boekdelen. De huizen aan de Koninginneweg zijn aardig maar niet werkelijk bijzonder.
In 1903 realiseerde Herman in de Jan Luijkenstraat twee woonhuizen, nrs 68-70, Keizersgracht 657, een ingrijpende verbouwing, en een groot winkelhuis, Leidsestraat 97. Over dit laatste ontwerp kreeg hij onenigheid met zijn opdrachtgever, zodat het in versoberde vorm werd uitgevoerd door de ontwerpende aannemer Z. Deenik. Deze affaire heeft zijn reputatie naar het zich laat aanzien geen goed gedaan in zakelijke kring, want de opdrachten werden schaarser. Bovendien begon in 1903 een nieuw tijdperk: de Beurs van Berlage betekende een ommekeer in de bouwkunst. Net als talloze collega’s wist Herman zich niet goed raad met de lessen van Berlage. Een prijsvraagontwerp uit 1906 voor een gemeentehuis in Zeist geeft aan dat hij wel ongeveer begreep wat de bedoeling was en het blok huurwoningen Pieter Langendijkstraat 39-45 uit 1908 heeft zeker geslaagde berlagiaanse trekjes. Toch voelde Herman zich duidelijk niet gelukkig met deze architectuur. In 1910 publiceerde hij in het Bouwkundig Weekblad een ontwerp voor een academiegebouw dat onmiskenbaar duidt op stilistische radeloosheid. Zijn gebouw voor de NV Glasindustrie Dykstra, Nieuwezijds Voorburgwal 23, dateert uit 1909 en grijpt terug op de vertrouwde Art Nouveau. Die stijl was toen natuurlijk uit de mode, maar het ontwerp getuigt nog wel van de flair die Herman had. Toch was dit de opmaat tot zijn Amsterdamse zwanenzang. In 1914 presenteerde het Bouwkundig Weekblad Nes 11-15, een bedrijfsgebouw met representatieve kantoorruimte voor de firma Drijfhout, die edele metalen bewerkte. Deze onderneming zou ook Rokin 44 overnemen, vandaar de naam Drijfhout op die gevel. Voor de kantoren aan de Nes had Herman een monumentale ingang ontworpen met een classicerende vormentaal. De zakelijke maar toch elegante bedrijfsruimte, met geavanceerde technische snufjes om het kostbare metaalstof terug te winnen, doet wat denken aan de beroemde spaarbank van Otto Wagner in Wenen. Anno 1914 maakte het ontwerp voor Drijfhout echter geen indruk. Meer of minder historiserende architectuur werd toen nog veel gebouwd in Amsterdam maar het was toch in veler ogen een noodoplossing zonder echte toekomstwaarde. Het gebouw bestaat nog, als hotel, en heeft zelfs een plaats op de rijksmonumentenlijst gekregen. Rokin 44 was misschien een betere keuze geweest, het ware hoogtepunt in zijn oeuvre, maar dat ontwerp is nu beschermd als gemeentelijk monument. Tien jaar later verrees tenslotte de villa op de Omval, met een bijzonder interieur dat ook een zekere Weense allure had. Ondanks fel verzet van het Cuypersgenootschap tegen de sloop is het niet gelukt om dit laatste werk van Herman in Amsterdam te behouden. Na een jarenlang slepende procedure kwam er in februari 1997 een bruut einde aan het bestaan van de villa. De Omval is nu het zoveelste toonbeeld van de onbenullige en banale visie waarmee het gemeentebestuur de vooruitgang meent te dienen.

Vincent van Rossem

(Uit: Binnenstad 245, maart 2011)

Vorige aflevering: IJme Gerardus Bijvoets (1837-1901) (Binnenstad 242)
Volgende aflevering: C.A. Bombach Czn. (1857-1917) (Binnenstad 250)

[Amsterdam 1900]

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.