Interview met Jenny Bierenbroodspot

Met elkaar hebben we veel Jongere Bouwkunst weten te redden

Jenny Bierenbroodspot houdt van Amsterdam, waar ze in 1964 sociale geografie aan de Gemeentelijke Universiteit ging studeren en later architectuurgeschiedenis aan de Vrije Universiteit. Met grote betrokkenheid heeft zij – samen met geestverwanten en buurtbewoners – menig historisch gebouw van de ‘wisse dood’ gered. Een gesprek over die betrokkenheid en bijna van de kaart geveegde monumenten.
Jenny Bierenbroodspot

Hoe is je interesse in de architectuurgeschiedenis ontstaan?
Die belangstelling had ik als kind al, maar in Amsterdam werd het echte liefde. Als je uit Eindhoven komt, maakt dat totaalbeeld van historische stedenbouw en architectuur in Amsterdam grote indruk op je. Ik ging sociale geografie studeren, omdat mijn vader vond, dat ik mijn eigen brood moest kunnen verdienen; van een ‘luxe-studie’ als kunstgeschiedenis was geen sprake. Wel koos ik als hoofdvak historische geografie. Mijn belangstelling voor de ‘Jongere Monumenten’ moest toen nog komen. Ik kan me nog goed herinneren dat ik, toen we tijdens een excursie naar Duitsland door een wijk met veel negentiende-eeuwse architectuur liepen, tegen een studiegenoot, de latere hoogleraar historische geografie Guus Borger, zei, dat ik veel meer van oudere bouwkunst hield. Zijn reactie was: ‘De geschiedenis leert, dat waardering voor de achterliggende periode tijd nodig heeft’. Hij heeft gelijk gekregen, want juist voor het behoud van de bouwkunst uit die periode ben ik me in gaan zetten.

Waar ben je na je afstuderen gaan werken?
Dat was bij de Bond Heemschut en ik gaf ook aardrijkskundeles; maar weinig uren, want ik had ook een gezin om voor te zorgen. Kleine kinderen verzorgde je toen zelf; je was leesmoeder; ging met schoolreisjes mee; begeleidde clubjes enz. Bij Heemschut werd ik adviseur voor Amsterdam – de andere Heemschutadviseurs opereerden op provinciaal niveau – en later eindredacteur van het maandblad Heemschut. Ik heb toen ook nog de legendarische secretaris Ton Koot meegemaakt, die Help, ze verpesten ons land schreef. Zijn adagium: ‘Zo lang een gebouw er nog staat vechten wij ervoor, al is het besluit om het af te breken al genomen’ is ook het mijne geworden.

Bij welke acties was je in die tijd betrokken?
Een van die acties waar ik bij betrokken was, was tegen de verbreding van de Bakkerstraat. Men dacht toen nog dat de auto’s de stad in moesten en daarvoor de radiaalstraten verbreed. Waar die auto’s dan moesten blijven en of die aanpak überhaupt zin had, daar werd niet over nagedacht. Door mijn studie was ik op de hoogte van Amerikaans stadsontwikkelingsonderzoek, dat aantoonde dat zo onleefbare stadscentra ontstaan. De oostkant van de Bakkersstraat, dus ook het fin-de-siècle gebouw met die erkers op de hoek, bleef behouden. Bovendien werd er definitief afgezien van de verbreding van de Utrechtsestraat; helaas was de westkant van de Bakkerstraat al afgebroken.
Een geslaagde actie die ik me ook goed kan herinneren was die tegen de plannen van AGO-verzekeringen om auto’s te parkeren in de tuin, een keurtuin, achter hun kantoor aan de Herengracht. Onbegrijpelijk dat het stadsbestuur daar goedkeuring aan wilde geven. Pikant was, dat AGO de prachtige zaal in hun pand toen ter beschikking stelde voor de maandelijkse vergadering van de adviseurs van Heemschut en ik aan kon wijzen waar de doorbraak vanuit de Raadhuisstraat en die parkeerplaats hadden moeten komen. Door gezamenlijke strijd van de oudheidkundige verenigingen, buurtbewoners en het wijkcentrum d’Oude Stadt tegen andere soortgelijke aanslagen zijn de keurtuinen als groene longen en rustgebieden in de binnenstad behouden en zijn de wettelijke regels voor bescherming nog steeds van kracht en in de bestemmingsplannen opgenomen.

Nicolaas Witsenkade, tussen Pieter Pauwstraat en Huidekoperstraat (foto Wim Ruigrok) 'Gebouw nr 1', Binnengasthuis-terrein (foto Wim Ruigrok)

Hoe is je belangstelling voor de ‘Jongere bouwkunst’ ontstaan?
In die tijd – midden jaren zeventig van de vorige eeuw – begonnen de acties tegen sloop van architectuur uit de ‘tweede Gouden Eeuw’, die toen nog niet het beschermen waard werd gevonden, door velen zelfs werd verafschuwd. Door de ogen van jonge, vaak nog studerende, architectuurhistorici – aanvankelijk binnen een werkgroep van Heemschut – heb ik toen de schoonheid van de bouwkunst uit die periode leren zien. Ze beschreven de nieuwe typologieën van gebouwen als hotels, restaurants, warenhuizen, verzekeringsmaatschappijen, banken en villa’s die vaak tot stand kwamen met gebruikmaking van de nieuwe technieken en materialen die vanaf het derde kwart van de negentiende eeuw ter beschikking kwamen. Het is de vraag wat daarvan was overgebleven als toen die onderbouwing van het pleidooi voor hun behoud niet was gestart. Die gebouwen verlenen nu gelukkig nog altijd aan straten als het Damrak, het Rokin, de Vijzelstraat en de Raadhuisstraat hun uitstraling en grandeur. Voor deze periode was binnen de kring van de gevestigde restaurerende instellingen en Heemschut overigens nog nauwelijks belangstelling.
De particuliere organisatie die eigenlijk nodig was, is het Cuypersgenootschap geworden, dat uiteindelijk in 1984 werd opgericht met als doelstelling het behoud van negentiende-eeuws en vroeg-twintigste-eeuws cultuurgoed, door onderzoek, publicaties en gerichte acties. Hierin vond jong architectuurhistorisch Nederland elkaar en deze organisatie speelde een belangrijke rol in het tijdig beschermd krijgen van veel belangrijk bouwkunstig erfgoed. In die periode werd de Jongere Bouwkunst door het rijk weliswaar geïnventariseerd, maar de bescherming daarvan liet veel te lang op zich wachten. Ik werd voorzitter van de ruim honderd leden tellende kring-Amsterdam van het Cuypersgenootschap en eindredacteur van het orgaan De Sluitsteen. Het eerste nummer was geheel gewijd aan de toen sterk bedreigde Agneskerk en heeft zeker bijgedragen aan haar behoud.

De Vondelkerk (foto Wim Ruigrok)

Tot de eerste acties van genoemde architectuurhistorici hoorden die voor het behoud van het Witte Huis op de hoek Raadhuisstraat/Singel, de Hollandsche Manege tussen de Vondelstraat en de Overtoom door Lydia Lansink. Samen met Dorien van der Waerden redde zij ook de villa op de hoek van de Honthorststraat/Museumplein. Een belangrijk aspect van hun acties was, dat zij eigenaren wisten te overtuigen dat deze gebouwen nog toekomst hadden, ook commercieel. Met kerken die toen gesloten werden voor de eredienst lag dat anders. Dat werd duidelijk toen ik met hen beiden de Stichting Vondelkerk oprichtte, waarvan ik nog altijd secretaris ben. Deze kerk wisten we aan te kopen, te restaureren en voor ander gebruik te bestemmen. Daarvoor was ik samen met Guido Hoogewoud al in 1975 betrokken bij de Stichting Posthoornkerk, die failliet is gegaan. Door Guido’s niet aflatende inzet daarna is die kerk uiteindelijk verworven en gered. Beide stichtingen hebben een belangrijke voorbeeldfunctie gehad en stonden aan de basis van de stichting Amsterdams Monumenten Fonds (AMF), dat in 1992 is ontstaan, een initiatief van Lydia Lansink, restauratiearchitect Andre van Stigt en Maarten de Boer, die als directeur een belangrijke rol heeft vervuld. Ik werd van het AMF (ideëel) commissaris. Deze stichting heeft in vrij korte tijd zo’n vijftien grote monumentale gebouwen verworven, waaronder de Parkkerk en De Duif, voor welk laatste gebouw we trouwens eigenlijk het geld niet hadden, maar wij speelden wel een essentiële rol in het behoud van dit toen bouwkundige wrak. Door de latere fusie met Stadsherstel konden deze gebouwen uiteindelijk op een hoger onderhoudsniveau worden gebracht. Vaak zijn die gebouwen zoals de Oranjekerk en Gerardus Majella mede gered door aanvragen van het Cuypersgenootschap voor plaatsing op de monumentenlijst, waarna het AMF sterker stond en subsidie kon krijgen voor de restauratie.

Interieur van de kapel van Bleijs in het voormalige kloostercomplex aan de Lauriergracht (foto Wim Ruigrok)

Je was ook nauw betrokken bij de nieuwe invulling van het Binnengasthuis. Nog steeds?
Ja, vanuit het Cuypersgenootschap zijn we samen met de Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad en andere organisaties nog steeds bezig om de voormalige Theaterschool, de oorspronkelijke Tweede Chirurgische Kliniek van de architect Poggenbeek voor sloop te behoeden. Het is een prachtig gebouw, waarvan de plattegrond bovendien teruggrijpt op de middeleeuwse hovenstructuur van dit terrein. Begin jaren tachtig zat ik als vertegenwoordiger van de stadslievende organisaties in de werkgroep Binnengasthuisareaal. Die werkgroep moest een plan maken voor het gebied omdat het ziekenhuis uit de binnenstad vertrok en met hulp van Elle de Wijs heb ik toen globaal de unieke samenhang en het belang uit oogpunt van monumentenzorg van deze ziekenhuisgebouwen – die eigenlijk losse paviljoens zijn, maar ook de structuur van de oude stad volgen – aangegeven. Ze zijn nu alle rijksmonumenten. Je kunt je toch niet voorstellen dat al die markante gebouwen van de (stads-)architecten De Greef, Springer, Godefroy, Van der Mey, Leguyt en Poggenbeek niet meer op het BG-terrein zouden staan.

Heb je ook wel eens ‘onparlementaire’ acties ondernomen?
Ja, dat was voor het behoud van het Van Abbemuseum van architect Kropholler in Eindhoven en daar heb ik geen enkele spijt van. Bij het hoofdbestuur van het Cuypersgenootschap heb ik toen gelekt over welke stukken ze moesten opvragen met behulp van de Wet Openbaarheid Bestuur (Wob) om het gebouw met succes te kunnen voordragen voor de rijksmonumentenlijst. De Raad voor Cultuur adviseerde toen afbraak ten behoeve van nieuwbouw, waarbij sprake was van doorgestoken kaart. Omdat ik lid was van de monumentencommissie van die Raad was ik daarvan op de hoogte. Het oorspronkelijke museum is toen behouden gebleven en geïntegreerd met nieuwbouw; daardoor is een aantrekkelijk en zeker ook uit museaal oogpunt goed functionerend ensemble ontstaan.

Je hebt je sporen verdiend in landelijke en gemeentelijke adviescommissies. Hoe verenigde je dat met het actievoeren?
Ook als ik in een officieel adviesorgaan zat, voerde ik actie. Maar ik heb die twee petten, denk ik, altijd weten te scheiden. Ik adviseerde als lid van de landelijke monumentenraad bijvoorbeeld negatief over een door het Cuypersgenootschap aangevraagde plaatsing op de rijksmonumentenlijst, maar liet in de motivering van die afwijzing dan een pleidooi voor bescherming op gemeentelijk niveau opnemen. Een voorbeeld daarvan is het terecht als gemeentelijk monument behouden gebleven bouwblok met die paleisachtige structuur op de Nicolaas Witsenkade.

Pakhuis De Zwijger (foto Wim Ruigrok) Het Panamagebouw, de voormalige havencentrale aan Oostelijke Handelskade 4 (foto Stadsarchief Amsterdam)

Welke andere acties van het Cuypersgenootschap staan je nog helder voor ogen?
Dat wordt moeilijk kiezen. De redding van de kapel achter een kloostergebouw aan de Lauriergracht bijvoorbeeld, een hoogst verfijnd ontwerp van architect Bleijs, maar te laag gewaardeerd in de destijds bestaande kerkennota. De buurt vroeg steun bij zijn behoudsactie en toen heeft een van de redacteuren van De Sluitsteen, promovendus aan de VU, de desbetreffende raadscommissieleden met succes uit weten te leggen, dat dit een uniek en belangrijk specimen van Jongere Bouwkunst was.
Het gebouw Panama, een voormalige krachtcentrale in het havengebied, dat was wegbestemd vanwege de nieuwe ontwikkelingen aldaar, heeft zijn bescherming aan de door het genootschap gemaakte waardestelling te danken – ook zo’n belangrijk cultuurhistorisch object, dat we niet zouden willen missen en door herbestemming ‘levend’ bleef.
Een vrij recente actie was die voor het behoud van pakhuis De Zwijger van architect De Bie Leuveling Tjeenk. Het pand was al sinds de eerste inventarisatie van de Jongere Bouwkunst eind jaren zeventig een ‘evident’ monument en stond op de concept-indicatieve lijst van de Rijksdienst voor Monumentenzorg. Op een gegeven moment is daar toen toch die brug doorheen geboord [de Jan Schaeferbrug, red]. Iedereen, onder wie de projectleider van de oostelijke IJ-oevers, Bouw- en Woningtoezicht, en dus wethouder Stadig, beweerde dat het pand bouwvallig was, rijp voor de sloop en dat, als het pakhuis bleef staan, het de nieuwe stedenbouwkundige opzet van het gebied zou ontkrachten. Dat is een lang verhaal, maar het belangrijkste is dat het het Cuypersgenootschap toen is gelukt het pakhuis beschermd te krijgen. Nu is iedereen blij met deze karakteristieke herinnering aan de vroegere havenfunctie, die bovendien ruimtelijk een prachtig rustpunt vormt in die nieuwe, onverbiddelijk strakke stedenbouwkundige opzet.

Waar ben je op dit moment mee bezig?
Hoewel ik nergens meer officieel in zit, blijf ik wel geïnteresseerd. Sinds kort ben ik afgevaardigde van het Cuypersgenootschap in het Amsterdam Overleg, en verder ben ik nog betrokken bij het jaarboek van het Cuypersgenootschap, adviseur van Stadsherstel Amsterdam en bestuurslid van het Rozenhofje op de Rozengracht, een interessant complex dat uit verschillende eeuwen dateert, waar 28 oudere vrouwen met plezier wonen. Het is enige tijd geleden ingrijpend gerestaureerd en ik blijf betrokken bij het onderhoud. Er komt ruimte in mijn leven om zelf onderzoek te gaan doen. Daar verheug ik me op.

Waar moeten we in 2011 op letten?
Er is al iets verschrikkelijks gebeurd: de gemeenteraad heeft per 1 januari de Raad voor de Stadsontwikkeling opgeheven. Ze realiseren zich niet hoeveel expertise er in deze adviesraad bij elkaar was gebracht; alle nodige disciplines waren daarin vertegenwoordigd. Ik vind dit zo’n onnodige verarming. Er moet gekeken worden of er toch nog niet weer een dergelijk onafhankelijk adviesorgaan kan komen.
Verder mag het Bureau Monumenten en Archeologie door de bezuinigingen niet verder uitgekleed worden. Het moet een behoorlijke greep kunnen houden op een effectief monumentenbeleid in Amsterdam en onafhankelijk blijven. Zelden is het bureau zo goed geëquipeerd en zo doelgericht geweest als nu.
En last but not least: waar we ons sterk voor moeten gaan inzetten is de bescherming van de bouwkunst uit de tijd van de Wederopbouw. De waardering daarvoor wordt steeds groter en het zou zonde zijn als we er niet op tijd bij zijn om uit deze periode de belangrijkste panden – waarvan er ons al weer enkele zijn ontvallen – en de nodige stedenbouwkundige ensembles te behoeden voor de sloophamer.

Addy Stoel

(Uit: Binnenstad 245, maart 2011)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.