XXIX. Gehengen en scharnieren

Historische gehengen en scharnieren zijn belangrijke details aan deuren, ramen en luiken van oude huizen en verhogen de authenticiteit van een monument als ze behouden kunnen blijven. Door slijtage en onnodige vervanging bij herstel of restauratie verdwijnen deze historische smeedkunstvoorwerpen langzamerhand. Sinds de middeleeuwen is de techniek en functie van het historische hangwerk steeds verbeterd, waarbij de vormgeving werd aangepast aan de heersende bouwstijl. Deze ontwikkeling valt af te lezen aan de thans nog overbleven oorspronkelijke gehengen en scharnieren.
tek. 1 a,b,c
tek. 2
tek. 3
tek. 4
tek. 5
tek. 6
tek. 7, 8

Zowel de vorm als de naamgeving veranderde daarbij voortdurend, zodat er een staalkaart van historisch hangwerk is ontstaan. Bij restauraties en herstelwerk van monumentale deuren, ramen en luiken is het hangwerk vaak een onderbelicht onderwerp. Hoe klein deze details ook zijn, ze vertegenwoordigen een grote historische waarde aan oude Amsterdamse huizen.

Middeleeuwen

Op oude bijbelminiaturen valt goed te zien dat de vroegste vorm van een draaipunt aan een houten deur een ronde stijl of achterhar is (tek. 1a). Een houten draaipunt versleet echter snel en werd al spoedig door ijzer vervangen. Zo is de ‘speun’ of ‘taats’ (tek. 1b) ontstaan en vervolgens werd een draaipunt op een smeedijzeren band geplaatst en ontstond het geheng (tek. 1c). Bij het artikel over deurbeslag in Binnenstad nr. 241 zijn de middeleeuwse kerkdeuren van de St-Servaaskerk en St-Petruskerk (te Sittard) in de collectie van het Bonnefantenmuseum te Maastricht afgebeeld. De eerste deur heeft ijzeren klampen waaraan geen draaipunten zijn bevestigd en bij de tweede deur zit het draaipunt al op de ijzeren band, zodat er duidelijk sprake is van een smeedijzeren geheng. Een fraai historisch overzicht van alle in bijbels voorkomende modellen is uitgebreid beschreven door H. Zantkuijl in Bouwen in Amsterdam.
Het woord geheng, ‘ghehangen’, werd in Middelburg al in 1352 al gebruikt. Scharnier komt van het Latijnse woord ‘cardo’: deurspil, deurgeheng, dat in het Frans ‘charnière’ wordt genoemd. In Brugge noemt men deze gehengen in 1532 ‘carnieren’ In Nederland wordt wel een duidelijk onderscheid gemaakt tussen een geheng en een scharnier.

Amsterdam

Foto 1. Foto 1 (detail).

Oorspronkelijke gehengen uit de vijftiende en zestiende eeuw zijn nog te vinden in de Oude Kerk. Op de deur van de voormalige Grafkapel werden in 1520 fraaie gotische duimgehengen aangebracht (tek. 2). De bovenduim of pen waaraan de deur werd opgehangen is langer dan de onderduim, hierdoor was het makkelijker om de deur af te hangen. Ook werden dit soort duimen soms versierd met een peervormige afronding aan de bovenzijde en een appelvormige afronding aan de onderkant. De duimgehengen gebruikte men vooral bij muuropeningen zonder houten kozijnen. In Amsterdam werden ze bij de houten huizen ook voor kozijnen gebruikt. Een dergelijke deur met duimgeheng en kozijn is in 1595 geplaatst in de Sint-Sebastiaanskapel naar de Librije van de Oude Kerk (foto 1).

Foto 2.

In dat zelfde jaar werd een houten wand opgetrokken om de ruimte van kerk af te scheiden. Op de renaissancedeuren in deze wand zien we in stijl ontworpen kruisgehengen (foto 2, tek. 3). Het woord kruisgeheng is ontstaan, doordat het gesmede blad op het kozijn haaks op het geheng staat. De uitsmedingen aan de gehengen zijn niet alleen versiering, maar tevens nuttig om het geheng met een aantal extra spijkers te bevestigen. Bij de gehengen die op deuren en buitenluiken werden geplaatst zijn de uitsmedingen vaak rond, zie Leidsegracht 12 (tek. 4). Oude smeedijzeren gehengen uit de zeventiende tot de negentiende eeuw zijn te herkennen aan de vezelachtige structuur en dunne uitsmeding aan het uiteinde. Andere typen zijn een raamgeheng (tek. 5) en een staartgeheng (tek. 6). Het staartgeheng werd toegepast voor draaiende delen in deuren of luiken. De verkleinde versie van een dergelijk geheng werd een zwaluwstaartgeheng genoemd (tek. 7). Het zwaluwstaartgeheng werd in het oppervlak van het hout ingelaten (verzonken) en kon daardoor veel meer trekkracht opnemen. Zo’n zwaluwstaartgeheng werd ook wel vlinderscharnier genoemd. Deze kleine scharnieren in timmerwerk kwamen in de zestiende en zeventiende eeuw al in allerlei modellen voor. Buiten Amsterdam zijn deze nog aangetroffen in het voormalige Agnietenconvent te Elburg.

Bochtscharnieren, 18de en 19de eeuw

tek. 9 a,b
tek. 10, 11
tek. 12, 13

In de achttiende eeuw worden deuren en luiken meestal met panelen uitgevoerd. Op paneeldeuren werden vooral scharnieren toegepast. Deze waren aanmerkelijk zwakker dan de gehengen. Door er een extra blad aan te smeden kon het bochtscharnier in de stijl van de deur met spijkers uit het zicht worden vastgemaakt (tek. 8).
Deze bochtscharnieren of knieren zijn moeilijk te restaureren omdat ze lastig uit oude deuren of luiken zijn te verwijderen. Wel is het mogelijk om de uitgesleten scharnierknopen met bronzen ringen of kogellagers te verbeteren. In stijlkamers met wandbespanningen werden behangselscharnieren gebruikt, vlak en met bocht (tek. 9a en 9b). Aan het eind van de achttiende eeuw werden scharnieren uit slechts twee delen met een bronzen ring gemaakt; dit werd een ‘fits’, van het Franse woord fiche (dook), genoemd (tek. 10).

Foto 3.

In het begin van de negentiende eeuw werden alle gehengen en scharnieren nog steeds door een smid vervaardigd. Vanaf het tweede kwart van deze eeuw produceert men scharnieren in fabrieken. Vanuit de ons omringende landen werden ze ook ingevoerd. Een gewoon scharnier ziet er dan vierkant of rechthoekig uit met een vaste of losse pen (tek. 11). Zoals ook bij bochtscharnieren kan de knoop bestaan uit een of meerdere geledingen (tek. 12). Daarnaast fabriceerde men smalle scharnieren, die later op het einde van de eeuw pianoscharnieren werden genoemd. Van de Hamburgervlagfits, die in de late negentiende eeuw werd toepast, verraadt de naam de plaats van afkomst (tek. 13).
In de periode van de neostijlen worden opnieuw ijzeren, gietijzeren en bronzen siergehengen toepast, maar deze zijn vooral nog in interieurs uit die tijd te vinden (foto 3).

Scharnieren 20ste eeuw

tek. 14, 15
tek. 16, 17 a,b
tek. 18

Rond de eeuwwisseling werden vrijwel alle gehengen van gewalst ijzer geproduceerd. Deze zijn te herkennen aan het feit dat ze niet dun aan het uiteinde werden uitgesmeed, maar uit een plaat werden geknipt. De kogellagerscharnier is een typische verbetering van de techniek (tek. 14) evenals de ‘briquet’ als uitneembare kraalfits (tek. 15). Vicischarnieren zijn ontwikkeld voor vouwwanden, waarbij de scharnieren uit het zicht dienden te blijven (tek. 16). Zo zijn ook deurveerscharnieren of ‘Bommerscharnieren’ gemaakt voor klapdeuren (tek. 17). Thans vinden we in onze huizen veel ‘paumelle-scharnieren’, omdat deze vooral worden toepast bij opdekdeuren, die fabrieksmatig met een kozijn worden geproduceerd (tek. 18). Ten slotte is de ‘taats’, die in het begin van dit artikel besproken is, verder ontwikkeld tot kogellagertaats, zoals we die kennen van glasdeuren.
Door slijtage en door de verbeterde nieuwe producten wordt het bij restauraties uit historisch oogpunt steeds belangrijker om oude authentieke exemplaren te behouden.

Theo Rouwhorst

Tekeningen: Theo Rouwhorst
Foto’s: Wim Ruigrok

Literatuur:
R. Jellema, e.a., Bouwkunde, deel I, Delft 1960
H.J. Zantkuijl, Bouwen in Amsterdam, Amsterdam 1993
E.J. Haslinghuis, H. Janse, Bouwkundige termen, Leiden 1997
H. Janse, De Oude Kerk te Amsterdam, Zwolle 2004
L. Fopma, M. van Hemert, T.A.J. Rouwhorst, Smeedwerk/ijzerwaren, Amsterdam 2004, 2011

(Uit: Binnenstad 246, mei 2011)

Vorige aflevering: XXVIII. Gevellantaarns II (Binnenstad 245)
Volgende aflevering: XXX. Oude sloten en sluitingen (Binnenstad 247)

[Oog voor detail - alle artikelen]

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.