Jacob van Campen en zijn kapitelen

In zijn bijdrage over de architectuur van Jacob van Campen in het in 1995 verschenen boek over het leven en de werken van de beroemde zeventiende-eeuwse kunstenaar, stelt Koen Ottenheym dat Van Campen zich in zijn ontwerpen als aanvulling op Vitruvius bij voorkeur baseerde op ‘twee eigentijdse Italiaanse boeken, dat van Palladio uit 1570 en dat van Scamozzi uit 1615.’ (1) In de besprekingen van de door hem aan Van Campen toegeschreven gebouwen beweert Ottenheym telkens, met weinig of geen duidelijk vermelde argumenten, dat Van Campen voor de klassieke orden het architectuurboek van Vincenzo Scamozzi hanteerde. (2) Een nauwkeuriger inspectie van de Amsterdamse voorbeelden wijst echter uit, dat dit zacht gezegd een stuk ingewikkelder ligt.

Van de beroemde bouwmeester Jacob van Campen is met enige zekerheid bekend dat hij in de jaren twintig en dertig van de zeventiende eeuw betrokken was bij het ontwerp van de gevel van het Coymanshuis aan de Keizersgracht, de Meisjesplaats van het voormalige Burgerweeshuis, de Heiligewegspoort, de Schouwburgpoort aan de Keizersgracht, waarvan alleen nog het toegangspoortje bestaat en het voormalige stadhuis op de Dam. Vroeger werden ook de verbouwing van het Rembrandthuis aan de Jodenbreestraat en het Accijnshuis aan de Oudebrugsteeg wel aan hem toegeschreven. (3)

Het Coymanshuis

Afb. 1. Het Coymanshuis, Keizersgracht 177 (Foto Anita Arensman) Afb. 2. Het Banqueting House van Inigo Jones (Foto Gerrit Vermeer)

Het Coymanshuis, Keizersgracht 177, uit 1625 is het vroegst bekende architectonische werk van Jacob van Campen. In Architectura Moderna uit 1631 vermelden de schrijvers Cornelis Danckertszoon en Salomon de Bray hem als de schepper van de voorgevel. (4) Van Campen stond op dat moment op het gebied van de bouwkunst nog aan het begin van zijn loopbaan. Naast het huis van Balthasar Coymans was hij bij het verschijnen van het boek ook betrokken geweest bij het ontwerp van het in 1628 gebouwde buiten Huis ten Bosch in Maarssen voor de Amsterdamse koopman Pieter Belten. Bij beide opdrachten speelde de uitdrukkelijk door Danckertszoon en De Bray genoemde ‘bouw-konst lievenden’ Cornelis van Campen, een oom van Jacob van Campen, kennelijk een rol. (5) Waarschijnlijk stimuleerde deze oom zijn neef zich te bekwamen in de bouwkunst en legde hij het contact met de opdrachtgevers. Mogelijk had Jacob van Campen in 1626 ook een belangrijke inbreng bij de verbouwing van het huis Jodenbreestraat 4-6, het Rembrandthuis. Dit onderging een verbouwing voor Pieter Belten, de zoon van de eerder genoemde Pieter Belten. De zoon was juist getrouwd met de dochter van Balthasar Coymans. Het nog bestaande huis, dat de historische kern vormt van het huidige Rembrandthuis, kreeg bij die gelegenheid het huidige bekronende fronton, dat in de plaats kwam van een Hollandse trapgevel.
Architectura Moderna roemde de voorgevel van het Coymanshuis met de twee klassieke orden, de Ionische beneden en de Composiete of Romeinse orde daarboven ‘al vol met pilasteren en hare oppercieraden en ornamenten, alles ten nauwsten waergenomen, en suyverlijck uyt-ghewrocht [uitgevoerd]’ (afb. 1). Scamozzi beschouwde de Composiete orde als lager dan de Corintische, waardoor deze in rangorde volgde op de Ionische. Indachtig dit uitgangspunt plaatse Jacob van Campen in het Coymanshuis boven de Ionische pilasters inderdaad een Composiete orde. Voor de specifieke superpositie – het boven elkaar plaatsen van klassieke orden – van het Coymanshuis bood het architectuurboek van Scamozzi echter geen specifiek voorbeeld. Als meest waarschijnlijke bron van inspiratie voor deze brede façade zonder geveltoppen geldt het Banqueting House in Londen, dat Inigo Jones in 1622 had voltooid en waarbij de schoonzoon van Hendrick de Keyser, Nicholas Stone als opzichter had gewerkt (afb. 2). (6) Inderdaad vertonen de kort na elkaar verrezen gevels opvallende overeenkomsten die moeilijk op toeval kunnen berusten. Beide gevels bestaan uit een basement met daarop twee verdiepingen met beneden een Ionische en daarboven een Composiete orde. In London plaatste Inigo Jones boven de afsluitende kroonlijst een balustrade. Van Campen trok hiervoor in de plaats een lage attiek op om plaats te bieden aan zolderlichten. In Londen beslaat de gevel zeven vrijwel identieke assen, waarvan de middelste drie bij wijze van middenpartij licht naar voren komen. Bij het Coymanshuis telt de middenpartij niet drie, maar vier assen. Deze extra as was onvermijdelijk, omdat het Coymanshuis een dubbelhuis betrof met twee ingangen in de twee middelste assen. Inigo Jones paste in de middenpartij vrijstaande zuilen toe en in de zijassen pilasters, Van Campen gebruikte over de volle breedte uitsluitend pilasters.

Afb. 3. De Ionische orde volgens Scamozzi Afb. 4. De ionische orde volgens Serlio

In het licht van de toepassing van Scamozzi is de detaillering van de orden zowel in Londen als Amsterdam buitengewoon interessant. In Londen ontleende Jones de details van zowel de Ionische als de Composiete orde aan Scamozzi (zij met met aanzienlijk minder ornamenten). Het voorbeeld van Scamozzi valt vooral te herkennen in de manier waarop de voluten van bovenaf stuitten op de eierlijst (afb. 3). In alle eerdere architectuurboeken, zoals die van Serlio, zetten de voluten aan weerszijden van het kapiteel zich horizontaal boven de eierlijst voort, waardoor ze in elkaar doorlopen (afb. 4). Jones plaatste niet alleen de voluten van de ronde zuilen in de middenpartij diagonaal, maar ook die van de pilasters in de zijassen. De voluten van de pilasters horen plat in het vlak te liggen, maar kennelijk om de eenheid in het gebouw niet te verstoren, gebruikte hij ook hier overhoekse voluten. Eerder al, in het begin van de jaren twintig van de zeventiende eeuw, paste hij Ionische pilasters met overhoekse en gesplitste voluten toe in Stoke Park, waarvan slechts de paviljoens resteren (afb. 5). Deze gesplitste voluten betrof geen vernieuwing, maar komen ook veelvuldig voor in de Romeinse architectuur.

Afb. 5. Paviljoen van Stoke Park, ontworpen door Inigo Jones (Foto Gerrit Vermeer) Afb. 6. Composiet kapiteel van het Coymanshuis (Foto Anita Arensman) Afb. 7. Ionisch kapiteel van het Coymanshuis (Foto Gerrit Vermeer)

In de gevel van het Coymanshuis van Van Campen volgen alleen de voluten van de composiete orde het voorbeeld van Scamozzi. Deze plaatste hij, precies zoals Jones in Londen, ook overhoeks en ook splitste hij deze (afb. 6). Bij Scamozzi bestaan uitsluitend de hoekvoluten van het Composiet door splitsing uit twee afzonderlijke delen. De Ionische kapitelen ontleende Van Campen niet aan Scamozzi, maar deze volgen met hun doorlopende voluten het voorbeeld van Serlio en andere oudere architectuurboeken. (7) De voluten liggen hier anders dan bij Inigo Jones plat in het gevelvlak en staan niet overhoeks (afb. 7). In de ontwerpen die Van Campen kort daarop maakte staan de voluten van de Ionische pilasters eveneens overhoeks, zoals bij het Huis ten Bosch in Maarsen uit 1628, het Mauritshuis in Den Haag uit 1633-1637 en de Meisjesplaats van het Burgerweeshuis in Amsterdam uit 1632-1635 en de nieuwe Amsterdamse Schouwburg uit 1637. Het is goed denkbaar dat Van Campen zich hierin alsnog liet inspireren door de Ionische pilasters van het Banqueting House.

De Meisjesplaats van het Burgerweeshuis

Afb. 8. Ionisch kapiteel van de Meisjesplaats van het Burgerweeshuis (Foto Gerrit Vermeer) Afb. 9. Ionisch poortje op de Meisjesplaats van het Burgerweeshuis (Foto Gerrit Vermeer)

De opdracht voor de drie vleugels aan de Meisjesplaats van het Burgerweeshuis kreeg Jacob van Campen mogelijk door tussenkomst van zijn achterneef Nicolaas van Campen, die van 1631 tot aan zijn dood in 1638 regent was van het weeshuis en die zijn familielid in 1636 in dezelfde functie vermoedelijk ook de opdracht bezorgde voor de Nieuwe Schouwburg, die onder het toezicht viel van het Burgerweeshuis. (8) In zijn monografie over het Burgerweeshuis meende Meischke dat de detaillering van de kolossale Ionische orde tegen de drie vleugels van Jacob van Campen om de meisjesplaats wat betreft de basementen en de hoofdgestellen is gedetailleerd volgens het architectuurboek van Scamozzi. De exacte verhoudingen komen echter met geen enkel architectuurboek overeen. De opzet van de kapitelen waarbij de twee voluten met elkaar zijn verbonden door een lijst boven de eierlijst, gaan in ieder geval onmiskenbaar terug op Serlio. Alleen de kleine ornamenten tussen de voluten en de eierlijst en het bladwerk halverwege de eierlijst vonden hun oorsprong in het voorbeeld van Scamozzi (afb. 8). Van Campen negeerde hier echter ook de veel rijkere uitdossing die deze Italiaan aan zijn orde meegaf. Meischke gaf ook aan dat het in elkaar doorlopen van de voluten afwijkt van Scamozzi, maar vermeldt niet, dat dit juist een kenmerk was van de Ionische orde van Serlio. (9) De eveneens Ionische poorten op de Meisjesplaats vertonen nog een ander onderscheidend kenmerk van de Ionische orde volgens Serlio: de friezen van het hoofdgestel vertonen hier een bolle (kussenvormige) vorm (afb. 9).

De Heiligewegspoort

Afb. 10. Detail van de ontwerptekening van Philips Vingboons voor de Heiligewegspoort, 1636 (Stadsarchief Amsterdam) Afb. 11. R. Nooms, de Heiligewegspoort, 1661 (Stadsarchief Amsterdam)

De toeschrijving van de in 1636 ontworpen Heiligewegspoort aan Jacob van Campen berust op een uitspraak hierover van de stadsbeschrijver Commelin. (10) Als Van Campen inbreng had in het ontwerpproces, maakte hij vaak gebruik van een ervaren tekenaar. In dit geval was dat Philips Vingboons de tekenaar, want hiervoor werd hij in 1640 uitbetaald. (11) Een van de ontwerptekeningen van Vingboons, vermoedelijk uit 1636, bleef bewaard (afb. 10). (12) Op deze tekening zijn weer Ionische pilasters toegepast met voluten volgens Serlio. Uit Scamozzi overgenomen details ontbreken in ieder geval in de ontwerptekening. Uit andere overgeleverde afbeeldingen blijkt dat de voluten wel overhoeks gestaan moeten hebben en vermoedelijk ook waren gesplitst waren (afb. 12).

Het Accijnshuis uit 1638

Afb. 12. Ionische kapitelen van het Accijnshuis. (Foto Gerrit Vermeer)
Afb. 13. Het Ionische poortje van de Schouwburg aan de Keizersgracht. (Foto Gerrit Vermeer)
Afb. 14. De Ionisch orde met kussenfries op het Diaconiehuis van de Nieuwe Kerk. (Foto Gerrit Vermeer)

Als reden voor het splitsen van de voluten veronderstelde Meischke dat gesplitste voluten bij vierkante pilasters minder ver uit hoefden te steken. De rechte hoek van de pilaster kon zo in de holle ruimte van de gesplitste pilaster verdwijnen. Helemaal steekhoudend is dit argument niet. Serlio en anderen boden hiervoor namelijk een veel handiger oplossing door de voluut van de Ionische orde deels in de schacht van de zuil te laten opnemen. Voor deze oplossing is ook gekozen uit het in 1638 gebouwde Accijnshuis in de Oude Brugsteeg (afb. 12). Vroeger gold dit gebouw als een ontwerp van Jacob van Campen, maar juist omdat de kapitelen niet ontleend zijn aan Scamozzi, wordt het gebouw tegenwoordig toegeschreven aan de toenmalige stadsbouwmeester Pieter de Keyser. (13) Nader beschouwd vertonen de Ionische kapitelen van het Accijnshuis nauwe verwantschap met die van de Meisjesplaats, die evenmin in alle opzichten aan Scamozzi zijn ontleend. Het enige verschil betreft de voluten, die hier, net als in het geval van het Coymanshuis, plat in het vlak van de gevel liggen. Anders dan op de meisjesplaats en precies zoals in het Coymanshuis ontbreken hier aan Scamozzi ontleende ornamenten. De voluten steken hier niet ver uit, omdat ze net als in eigenlijk alle ordeboeken, deels zijn opgenomen in de schacht van de kolossale pilasters. In de laatste jaren van zijn leven was Nicolaas van Campen, die zijn achterneef Jacob ook andere belangrijke opdrachten toespeelde, naast thesorier-extraordinaris ook accijnsmeester. (14) Hier zou hij dus eveneens als bemiddelaar opgetreden kunnen zijn. Het Accijnshuis met zijn streng klassieke uiterlijk past ook veel beter in het oeuvre van Jacob van Campen dan dat van Pieter de Keyser, die nooit helemaal afstand deed van het Hollandse maniërisme.
In het nog bestaande poortje van de Amsterdamse Schouwburg aan de Keizersgracht paste Van Campen opnieuw weer overhoekse en gesplitste voluten toe (afb. 13). Aan de aan Serlio ontleende voluten zijn enkele ornamenten uit Scamozzi toegevoegd, zoals op de Meisjesplaats. Exact dezelfde kapitelen als in de Amsterdamse Schouwburg keren terug in de gevel van het Diaconiehuis uit 1642 aan de noordzijde van de Nieuwe Kerk (afb. 14). Van dit gebouw in opdracht van de stad Amsterdam vermelden de archieven geen bouwmeester. Bij een eerste bespreking waren ‘onderfabryck’ Maarten Corneliszoon, stadsmetselaar meester Philips de Vos en timmerman Pieter Michielsen aanwezig. (15) Ook dit werk is wel aan Pieter de Keyser toegeschreven, maar een belangrijke inbreng van Jacob van Campen behoort hier ook tot de mogelijkheden. (16)

We kunnen concluderen dat de werkelijkheid complexer is dan Ottenheym ons wil doen geloven. Jacob van Campen keek niet uitsluitend naar het traktaat van Scamozzi, zoals de Meisjesplaats en de gevel van het Coymanshuis aantonen. Ook Serlio, die hier al toepassing vond vanaf de jaren veertig van de zestiende eeuw, was nog steeds belangrijk. Als gevolg daarvan komen eveneens een aantal vroegere toeschrijvingen aan Jacob van Campen weer in beeld.

Gerrit Vermeer

Voetnoten:
(1) Koen Ottenheym, ‘Architectuur’, in: Jacobine Huisken, Koen Ottenheym en Gary Schwartz, Jacob van Campen. Het klassieke ideaal in de Gouden Eeuw, Amsterdam 1995, p. 155-199 (156). De zes boeken van Vincenzo Scamozzi verschenen in 1615 in Venetië onder de titel La idea dell’architettura universale in Venetië. Rond 1658 verscheen de eerste vertaling in het Nederlands. Van het boek waren in de zeventiende en de achttiende eeuw voor architecten, timmerlieden en metselaars verkorte versies beschikbaar. Van het belangrijke deel over de zuilenorden bestaat een recente vertaling: Maaike Dicke, Koen Ottenheym, Wolbert Vroom (red.), Vincenzo Scamozzi, architect te Venetië, De grondgedachte van de universele bouwkunst, deel VI, de klassieke zuilenorden, Amsterdam 2008.
(2) Zie ook Koen Ottenheym, Paul Rosenberg, Niek Smit, Hendrick de Keyser Architectura Moderna. Moderne bouwkunst in Amsterdam 1600-1625, Nijmegen 2008. In het hoofdstuk ‘Het ‘By-voeghsel’ van de Architectura Moderna: de erfenis van Hendrick de Keyser’ (p. 112-123) beweren de auteurs dat de klassieke orden bij de genoemde werken van Van Campen geproportioneerd zijn volgens het architectuurboek van Scamozzi, maar zonder dit met opmetingen te staven.
(3) Voor het Rembrandthuis de toeschrijvingen van R. Meischke, ‘De Vroegste Werken van Jacob van Campen’ in: Bulletin KNOB 65 (1966), p. 131-145 (144) en J.J. Terwen, ‘Vincenzo Scamozzi’s invloed op de Hollandse architectuur van de zeventiende eeuw’, Bulletin KNOB 65 (1966), 129-130. Voor het Accijnshuis de toeschrijvingen van F.A.J. Vermeulen, Bouwmeesters van de Klassicistische Barok in Nederland, ’s-Gravenhage 1938, 21-22 en P.T.A. Swillens, Jacob van Campen, schilder en bouwmeester: 1595-1657, Assen 1961, 69.4 Zie de herdruk (deel 3, p. 24) in: Ottenheym, Rosenberg en Smit 2008.
(5) Voor meer gegevens over deze oom zie I.H. van Eeghen, ‘Jacob van Campen’s Amsterdamse familieleden’ in: Maandblad Amstellodamum 44 (1957), p. 98-101.
(6) W. Kuyper, Dutch Classicist Architecture. A Survey of Dutch Architecture, Gardens and Anglo-Dutch Architectural Relations from 1625 to 1700, Delft 1980, p. 59. Zie ook Ottenheym 1995, p. 160.
(7) R. Meischke, ‘De Vroegste Werken van Jacob van Campen’ in: Bulletin KNOB 65 (1966), p. 131-145 (135). Meischke beschouwt de Ionische kapitelen als navolgingen van het architectuurboek van Giacomo Barozzi da Vignola, Regole delli cinque ordini d’architettura, Rome 1562. Bij Vignola hebben de voluten van het Ionisch echter ongeveer dezelfde vorm als bij Serlio. In het geval van het Coymanshuis lijkt een ontlening aan het in Amsterdam veel bekendere en ook door Hendrick de Keyser toegepaste architectuurboek van Sebastiano Serlio veel waarschijnlijker: Sebastiano Serlio, Regole generali d’architettura, Venezia 1537. De architectuurboeken van Serlio werden al in 1539 vertaald in het Nederlands door de Antwerpse kunstenaar Pieter Coecke van Aelst. Meischke opperde dat de Ionische kapitelen van het Coymanshuis mogelijk al waren geleverd voordat Van Campen enige bemoeienis met de gevel had, maar dat zou dan ook betekenen, dat de opzet van de gevel met acht gelijkvormige vensterassen niet van hem afkomstig is. Dan zou de roem die de Architectura Moderna Jacob van Campen in 1631 toezwaaide ook niet terecht zijn geweest.
(8) R. Meischke, Amsterdam Burgerweeshuis in: De Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst, De provincie Noordholland, de gemeente Amsterdam, deel 1, Zeist 1975, p. 182-183.
(9) Meischke 1975, 184.
(10) C. Commelin, Beschrijvinghe van Amsterdam […], Amsterdam 1665, 233.
(11) K. Ottenheym, Philips Vingboons (1607-1678), architect, Zutphen 1989, 23.
(12) Stadsarchief Amsterdam, bouwtekeningen, afbeeldingsbestand 010056916728, door het archief toegeschreven aan Jacob van Campen.
(13) R. Meischke, H.J, Zantkuijl, W. Raue, P.T.E.E. Rosenberg, Huizen in Nederland, Amsterdam, Zwolle/Amsterdam 1995, p. 55.
(14) Van Eeghen 1957, p. 100.
(15) B.M. Bijtelaar, Nieuwe Kerk Kamer Diaconie, onuitgegeven typescript, Stadsarchief Amsterdam.
(16) Meischke, Zantkuijl, Raue, Rozenberg 1995, p. 56.

(Uit: Binnenstad 246, mei 2011)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.