De afgeronde stad - Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad

De afgeronde stad

Er is tot nu toe weinig aandacht besteed aan negentiende-eeuwse stedenbouwkundige hoekoplossingen en -verfraaiingen. We staan er nauwelijks bij stil dat tal van stedenbouwkundig belangrijke knooppunten in de binnenstad, maar ook minder belangrijke hoeken en kruispunten, vormgegeven zijn door ontwerpers uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Daar droeg een geleidelijk explicieter wordend gevoel voor stedenbouw en voor ruimtelijke context toe bij. Negentiende-eeuwers creëerden op veel plaatsen open ruimte, die nu eens niet uitsluitend, zoals in vroegere eeuwen, voor de handel diende.
Geldersekade 2 in februari 1966, pand op de hoek van de Oudezijds Kolk en de Geldersekade (foto: Stadsarchief Amsterdam)

Men werd zich meer bewust van zicht- en perspectieflijnen en doorkijkjes, al ontstonden die in eerste instantie, vanwege het toenemende verkeer, uit pure noodzaak. Ook de obsessie die men in de tweede helft van de negentiende eeuw had met silhouet en met schilderachtigheid kwam voor een deel voort uit contextueel ruimtelijk denken. Zo ontstond rond de Munttoren van Hendrick de Keyser aan het eind van de negentiende eeuw een ware torenmanie, met hoektorens aan de winkelpandjes tussen de Binnen-Amstel en de Reguliersbreestraat, het Hotel de l’Europe, Berlages ‘De Nederlanden van 1845’ en later het Carlton Hotel. Parallel aan de architectuur, waarin de bestemming, het ‘karakter’ van een gebouw onderstreept werd, zocht men in de negentiende eeuw naar een stedenbouwkundige ‘karakteruitdrukking’, de markering van een specifieke plek, hoek, plein of straatwand.

Op de kaart van Cornelis Anthonisz (1538) is te zien dat het laatmiddeleeuwse Amsterdam een dicht en zuiver functioneel bebouwingsidioom had, waarin straten en grachten lange aaneenschakelingen van individuele huizen vormden en waarin open ruimten benut werden voor de handel en het marktwezen. Er bestond geen behoefte aan samenvatting of groepering van individuele huizen tot een groter geheel, evenmin aan de verbinding van pleinen of straten door axiale zichtlijnen. Dergelijke stedenbouwkundige kunstgrepen ontstonden ook pas in het zestiende-eeuwse Rome van de renaissancepausen. De Via Pia gold als een van de eerste stedelijke assen, mede bedoeld om de vele pelgrims – jaarlijks enkele honderdduizenden – in goede banen te leiden. De barokke stedenbouw van de Europese vorstenresidenties borduurde op de thema’s van het pauselijke Rome voort, maar pas in de negentiende eeuw – Donald Olsen heeft dat in The City as a Work of Art beschreven – werden bestaande steden als Londen, Parijs en Wenen, althans grote delen daarvan, opgewaardeerd tot stedenbouwkundige kunstwerken, waarin de stedelijke wand en de openbare ruimte in esthetische zin op elkaar reageerden. Grote doorbraken, boulevards, pleinen en bruggen zorgden bovendien voor een hiërarchisering van de stedelijke ruimte.
In Amsterdam bleven dergelijke ingrepen zeer beperkt. Incidenteel was er een ambitieus boulevardplan, zoals dat van Cornelis Outshoorn en Louis Kuinders uit 1866 voor een brede boulevard tussen Dam en Plantage Middenlaan, dwars door de Jodenbuurt, maar bij gebrek aan investeerders vond dit plan geen doorgang. De enige negentiende-eeuwse doorbraak door de grachtengordel was die van de Raadhuisstraat; de ‘swingende’ gevelwand van de winkelgalerij die deze doorbraak begeleidt is wel monumentaal van opzet, maar de uitwerking gebeurde vooral met kleine schilderachtige middelen. Dat wil niet zeggen dat de negentiende eeuw stedenbouwkundig geen stempel op de binnenstad heeft gedrukt. Integendeel, tal van straathoeken – vooral van winkelstraten – en hoeken van pleinen dragen een sterk negentiende- en vroeg twintigste-eeuws karakter. Veel winkels, magazijnen en verzekeringsmaatschappijen vestigden zich op hoeken en kruisingen om hun etalageruimte te vergroten of om zich anderszins op een opvallende manier te presenteren. Daarbij werd het steeds meer de gewoonte om voor- en zijgevel als één doorlopend geheel te ontwerpen en niet meer als twee gescheiden gevels.
In de zeventiende en achttiende eeuw werden keur- en bouwblokken meestal tot op de uiterste punt van de hoek volgebouwd. Ze werden, anders dan bijvoorbeeld in Duitsland, zelden of nooit van hoekaccenten voorzien. Wel werden er soms op of vlakbij de hoek twee topgevels haaks op elkaar geplaatst. Een echt hoekaccent kan men dat niet noemen, maar bij een overhoeks perspectief ontstond hierdoor wel een bijzonder stedenbouwkundige effect. Voorbeelden zijn het café Papeneiland aan het begin van de Prinsengracht en het Huis aan de drie grachten aan de Grimburgwal, de laatste overigens met een geheel blinde zijgevel.

Stedenbouwkundige blikvangers

‘Rijm’ van de hoekpanden aan het begin van de Damstraat (foto: Wim Ruigrok) De afgeronde hoek Zoutkeetsplein-Zoutkeetsgracht, met duidelijk zichtbaar gebogen glas (foto: Wim Ruigrok)

Een mooi voorbeeld was ook het vroeg-zeventiende-eeuwse huis dat op veel oude prenten schuin achter de Schreierstoren te zien is, op de hoek van de Oudezijds Kolk en de Geldersekade (adres: Geldersekade 2). Zowel de zijgevels als de kopgevel hadden elk een eigen trapgevel. Het werd omstreeks 1875 vervangen door een gepleisterde gevel, die op de noordelijke kopgevel een middenaccent, een halfrond balkon op een schelp en afgeronde hoeken naar de beide zijgevels had. Op de begane grond was in die jaren de tabakszaak ‘De semafoor’ gevestigd. De (onbekende) ontwerper was zich duidelijk bewust van het stedenbouwkundige belang van de plek. Datzelfde geldt voor een andere blikvanger op een vergelijkbare ‘taartpuntlocatie’: de afgeronde gevel die de timmerman-architect G.W. Breuker in 1870 ontwierp aan het begin van de Nieuwezijds Voorburgwal en de Spuistraat. Deze halfronde gevel van het pakhuis ‘De Vier Winden’, ontworpen met quasi-middeleeuwse kantelen, sluit nog steeds de zichtlijn van de Martelaarsgracht en het Hekelveld af, maar tegenwoordig mist hij toch de stedenbouwkundige spanning die hij op oude foto’s wel lijkt te hebben gehad. De gevel, beroofd van zijn kantelen, werd later beklampt in Hollandse renaissancetrant en is momenteel volstrekt onbeduidend door een akelige zwarte sauslaag. Interessant is dat in 1870 de gemeente volop meewerkte aan de ronding van de gevel. Zij stond een stuk gemeentegrond aan de eigenaar af, die daarmee dus geen vierkante meters in zijn eigen perceel hoefde op te offeren. Toch zal dat laatste meer regel dan uitzondering zijn geweest. De vergaande Amsterdamse bouwverordening van 1858 stond immers toe dat het bouwen door particulieren op de rooilijn door de gemeente belet kon worden ten behoeve van het afronden, afschuinen of anderszins afrooien van hoekhuizen. Dat kon het geval zijn wanneer er sprake was van stedenbouwkundige reconstructies of van kwesties van orde, veiligheid en gezondheid in het algemeen.
Onderzoek naar dit fenomeen ontbreekt nog, maar we mogen wel aannemen dat de gemeente – met een actieve rol van de bouwopzichters (de voormalige rooimeesters) en de stadsingenieur – herhaaldelijk van dit recht gebruik heeft gemaakt. Mogelijk is dat bijvoorbeeld al gebeurd bij het hoge pand op de hoek van de Nieuwendijk en de Dam, in 1861 als koffiehuis gebouwd in opdracht van modekoning Alexander Heyman (die op de hoek van de Kalverstraat en de Dam zat), naar ontwerp van W.J.J. Offenberg. Opvallend is dat op veel plaatsen in de stad bij de ingang van straten een stedelijk ‘rijm’ is of was te vinden, in de vorm van twee tegenover elkaar liggende afgeronde hoeken onder een min of meer identieke, of in elk geval sterk verwante eclectisch-classicistische architectuur. Dat was bijvoorbeeld het geval op de beide noordelijke hoeken van de kruising Vijzelstraat-Herengracht (beide gesloopt) en dat is nog steeds het geval aan het begin van de Damstraat, op de hoek met de tegenwoordige Dam, waar tot het eind van de negentiende eeuw de Vijgendam was. De bouwtekening van het pand Damstraat 1 (1870) is niet door een architect of timmerman gesigneerd, maar door bouwopzichter J. Ammerman. Dit kan betekenen dat het om een door Ammerman gereviseerd ontwerp gaat. In ieder geval vond hij het nodig om zijn naam aan het ontwerp te verbinden, wat opmerkelijk mag heten, omdat een vermelding van de naam van de bouwopzichter ongebruikelijk is. De afgeronde hoeken aan het begin van de Damstraat maakten een uitnodigend gebaar en moeten de suggestie – of was het de illusie? – hebben gewekt van een entree naar een mondaine winkelstraat naar Parijse snit. Ook verderop in de Oude Doelenstraat verrezen winkelmagazijnen met afgeronde hoeken. Het belang van deze koopgoot werd tien jaar later geïllustreerd door het (mislukte) experiment met houtbestrating, aangelegd door de Continental Wood Paving Company.

Woonhuisblokken

Ook de architecten van woonhuisblokken ontdekten de afgeronde hoek. Tot de oudste als één geheel ontworpen speculatieve bouwblokken behoort het woonhuisblok Plantage Parklaan 10-20/Henri Polaklaan 2-6/Plantage Middenlaan 1-5, in 1865 ontworpen door de timmerman-architect G.W. Breuker. Over hem schreef de architect I. Gosschalk met licht afgrijzen dat hij ‘tot voor kort nog bescheiden de reischaaf hanteerde en planken groefde naar hartenlust’, maar sinds kort een uitgebreide architectenpraktijk bestierde. Toch was Breuker kennelijk goed op de hoogte van de heersende architectuurmodes in België en Frankrijk. Hij vatte zijn 11 herenhuizen tegenover het Park (thans Wertheimpark) samen in een paleisvormig blok met midden- en zijrisalieten verbonden door iets lagere vleugels. De hoeken met de Plantage Middenlaan en de Henri Polaklaan rondde hij sierlijk af, waarbij hij de balkons, geschraagd door torsende hermen uit de ornamentenfabriek, om de hoek liet meelopen. Anders dan het nog gave bouwblok aan het Haarlemse Kenaupark van dezelfde ontwerper, dat monumentaler van opzet is en waarbij alle risalieten afgerond zijn, is dit blok helaas zwaar verminkt door de sloop van het middelste pand.
Al eerder, in het begin van de jaren zestig, had architect P.J. Hamer enkele grote, in één compositie samengevatte bouwblokken ontworpen voor de Vereeniging ten behoeve der Arbeidersklasse. In de Willemsstraat en de Westerstraat liet hij de gevel voorzichtig meelopen met de hoek. Deze woningen waren veel minder Frans georiënteerd dan het speculatieve blok van Breuker. Het grootste bouwblok dat Hamer voor de Vereeniging ontwierp was dat in de Huidekoperstraat (1869), op het voormalige Drilveld, een blok met 72 arbeiderswoningen. Dit gedeelte van de Schans was niet bepaald bedoeld als arbeidersbuurt, maar Hamer gaf aan het geheel een Frans cachet, met lisenen, omlijste vensters en chique neogrec kapitelen, zodat het zich goed in de omgeving voegde; meer nog dan dat, het is een van de zorgvuldigst ontworpen stukken architectuur in deze buurt. De afgeronde hoeken aan de Falckstraat en de Weteringschans zijn composities op zichzelf, met lisenen, open balustrades boven de kroonlijst en met winkelpuien voorzien van grote etalageruiten. Tegelijk maken zij deel uit van de totaalcompositie van het blok.

Gebogen vensterglas

De zesruits empirevensters en de winkeldeur op de hoek van dit pand hebben gebogen glasruiten. Op veel plaatsen in de stad is dat gebogen glas gelukkig nog aanwezig, zoals ook in de afronding van het blok op de hoek van de Zoutkeetsgracht en het Zoutkeetsplein. Hier vinden we nog van die prachtig spiegelende T-ruiten met gebogen vensterglas, die in Nederland voor het eerst opduiken in de jaren vijftig. Het machinaal vervaardigen en buigen van grotere stukken vlak- en gietglas – het laatste onder meer voor etalageruiten – was een typisch negentiende-eeuwse innovatie, waar ontwerpers gretig gebruik van maakten. De populariteit van de stedelijke afgeronde hoek is zelfs voor een groot deel aan die innovatie te danken. Bij monumentenvergunningen, renovaties en vooral inspecties zou er daarom extra op gelet moeten worden, temeer daar bij renovaties en herstelwerkzaamheden in de vorige eeuw het gebogen glas en ook het gebogen kozijnhout vaak vervangen zijn door een terugwijkend recht kozijn of door vensterruiten met vlak glas, wat een onbevredigende, goedkope indruk maakt. Een wel heel kras voorbeeld is het hoekpand Nieuwmarkt 4a/Zeedijk 138, één van de oudste vestigingen van de hoeden- en pettenzaak Meuwsen, oorspronkelijk gebouwd in 1880 en iets later, met behoud van de afgeronde hoek, in Hollandse renaissancetrant verbouwd. Ergens in de vorige eeuw werd de hoek echter afgeschuind, waarbij merkwaardig genoeg de afgeronde verdiepingsvloeren gehandhaafd bleven.

Hoekkoepels

De twee bekoepelde hoekpanden op de hoek van het Koningsplein en het Singel (gebouw ‘Kosmos’ en ‘Nieuw Engeland’) (foto: Stadsarchief Amsterdam) Dezelfde twee panden op de hoek van het Koningsplein en het Singel nu (foto: Wim Ruigrok)

Al gauw beantwoordden hoekafrondingen onder een rechte lijst niet meer aan het vormgevoel van ontwerpers. De hoek moest sprekender worden gemaakt. Bij kleinere winkelpanden verschenen ronde of veelhoekige erkertorens op de hoeken, bekroond door helmdaken of Oudhollandse uispitsen. Het café ‘Het Gouden Hoofd’ aan het Rembrandtplein (C.A. Bombach) en het onlangs opgeknapte gebouw van het kledingmagazijn Kattenburg op de hoek van de Nieuwendijk en de Dam (W. Langhout Gzn.) zijn daarvan geen slechte voorbeelden. Bij meer monumentale gebouwen, zoals verzekeringsgebouwen en modepaleizen werd de ronde hoek, vaak als een cilindervormig element gedeeltelijk van de gevels losgemaakt, bekroond door een koepel. Een baanbrekend gebouw was in dat opzicht het sociëteitsgebouw De Groote Club, dat in 1870-1872 op de hoek van de Kalverstraat en de Dam verrees en waarvoor de manufacturenzaak van Heyman moest wijken, die in die tijd een van de uitbundigste (vroeg-neogotische) etalages van Amsterdam bezat. Op zijn beurt moest het elegante clubgebouw van de architecten H.J. van den Brink en I. Gosschalk in 1912 wijken voor de huidige Groote Club, waarvan de wat zwaarmoedige polygonale koepel in de pers al gauw als een molen zonder wieken werd omschreven. De koepel op de eerste Groote Club was ongetwijfeld een idee van Gosschalk, die ook de interieurs ontwierp en die sowieso aan het gebouw een wat moderner, renaissancistischer aanzien gaf dan het door Van den Brink alleen, in opdracht van sigarenfabrikant Hajenius ontworpen gebouw ‘De Rijnstroom’ op de hoek van de Dam en het Rokin. Dat gebouw uit 1869, rijk gedecoreerd en door een kolossale orde geleed, bestaat evenmin nog. Het bezat geen koepel, maar wel een sprekende ronde hoek onder een attiek en een balustrade met vazen. Beide sierlijk afgeronde gebouwen, die tot de beste van hun tijd behoorden, gaven aan de zuidwesthoek van de Dam (waar ook nog het clubgebouw Zeemanshoop van J.T. Hitchcock uit 1845 stond), ooit een luchtig-mondain aanzien dat stedenbouwkundig interessanter was dan de huidige bebouwing.
De hoekkoepel van de Groote Club vond met enige vertraging navolging, al zoeken we in Amsterdam vergeefs naar monumentale negentiende-eeuwse boulevards waarvan de entrees geaccentueerd worden door vrijwel identieke koepelgebouwen aan weerszijden, zoals het Rotterdamse Stationsplein die ooit had en de Antwerpse Meir nog steeds heeft. Toch geven de bekoepelde hoekpanden op de hoek van het Koningsplein en het Singel een waardige entree naar het winkelgebied van het Koningsplein en de Leidsestraat. Des te meer reden om het gehavende silhouet van deze gebouwen met verbetersubsidie eens opnieuw onder de loep te nemen. De koepel van het verzekeringsgebouw Kosmos van Schill & Haverkamp (1890-1891), die al heel lang zijn oorspronkelijke in- en uitzwenkende lijn mist, vormt evenals die van de Groote Club de bekroning van een half vrijstaande hoekcilinder. Deze hoekoplossing heeft oude wortels en wordt vaak in verband gebracht met het Pavillon d’Hanovre in Parijs (1760), oorspronkelijk een vrijstaand paviljoen, later als hoekgebouw opgenomen in de Boulevard des Italiens en in 1932 verplaatst naar het Parc de Sceaux. Bij het tegenover liggende modemagazijn Nieuw Engeland (1899, Jacot & Oldewelt) is dat niet het geval en is de koepel tussen flankerende Art Nouveau-topgeveltjes ‘koud’ op de afgeronde hoek geplaatst. Een paar jaar later, bij het ontwerp van het kledingmagazijn Broekmans op de hoek van de Herengracht (tegenwoordig Selexyz Scheltema) lieten Jacot & Oldewelt de koepel op de afgeronde hoek achterwege. Al deze gebouwen maakten tegelijk reclame voor zichzelf en de opdrachtgevers en reageerden op de stedenbouwkundige situatie. Ze verbeterden die zelfs. Het Koningsplein is één van die plekken in Amsterdam waar, met behoud van de historische structuur, iets is gerealiseerd van de negentiende-eeuwse idee van de stad als kunstwerk.

Wilfred van Leeuwen

(Uit: Binnenstad 248, oktober 2011)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.