Hoe het allemaal begon: Interview met mevrouw Brinkgreve-Kunst - Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad

Terugblik bij de 250ste aflevering

Hoe het allemaal begon

Interview met mevrouw Brinkgreve-Kunst

Ter gelegenheid van het 250ste nummer van ons blad spreek ik met Sjuwke Brinkgreve-Kunst (Bandoeng 1922), de weduwe van Geurt Brinkgreve. Zij woont in het Aalsmeerder Veerhuis, boven het kantoor van de Vereniging en de diverse andere monumentenstichtingen die Brinkgreve heeft opgericht. Deze zomer wordt zij 90 jaar en ter gelegenheid daarvan zal er een boekje verschijnen met de tekeningen die zij in de Tweede Wereldoorlog in Zuid-Limburg heeft gemaakt. Voor deze jubileumuitgave heb ik haar gevraagd iets te vertellen over ‘hoe het allemaal begon’.
Sjuwke Brinkgreve-Kunst (foto Wim Ruigrok)

‘Tijdens de oorlog zat ik op de Rijksacademie, in de beeldhouwklas van professor Bronner. In die jaren woonde ik op kamers in Amsterdam, maar de zomers van 1942 en 1943 heb ik doorgebracht op Kasteel Oost, een oud kasteeltje aan de Maas tussen Eijsden en Maastricht. Een groep Amsterdamse kunstenaars had dat voor een prikkie gehuurd en van daaruit heb ik dagenlang door het Limburgse heuvelland gefietst en tientallen tekeningen gemaakt.’
Het werk dat ik van haar ken is expressief en vaak raak getroffen. Ze tekent meestal gewoon de dingen om haar heen: landschappen en interieurs, een uitzicht door een raam, maar ook een schaal met fruit of een vaas bloemen. Met enkele lijnen of toetsen weet zij een zekere lichtval of ruimtelijkheid te suggereren.
‘Geurt heeft voor de oorlog in Den Haag op de Koninklijke Academie gezeten. Hij was klassieker dan ik en echt iemand die hield van het ambachtelijke van zijn vak’. Aan het begin van 1940 was hij naar Rome gegaan, maar toen de oorlog uitbrak, werd het treinverkeer stilgelegd en kon hij niet meer terug. Pas twee jaar later, in de winter van 1941 op 42, reden er weer enkele treinen. Toen hij terugkwam, was ik de eerste die hij zag. Wij kenden elkaar vaag omdat zijn zus bij mij op school had gezeten.’ Vlak voor de Hongerwinter, in oktober 1944, zijn zij getrouwd. Ze betrokken een oude, achttiende-eeuwse volkswoning aan de Lijnbaansgracht. ‘Dat huis was ingericht met eenvoudige negentiende-eeuwse meubelen die we voor een krats op een veiling hadden gekocht. De vader van Geurt vond die verschrikkelijk – Geurt had als peuter in een kinderstoel van Rietveld gezeten – , maar ze hadden iets vriendelijks en wij vonden ze mooi.’
‘In juni 1946, na de oorlog gelukkig, werd Maarten geboren en binnen vijf jaar kregen we vier kinderen’, vertelt ze. ‘Toen omstreeks 1950 de opdrachten voor het maken van penningen en oorlogsmonumenten opdroogden, heeft Frithjof van Thienen Geurt gestimuleerd om voor Elseviers weekblad kunstkritieken te gaan schrijven’. Behalve voor Elsevier verzorgde hij, onder het pseudoniem Jacob Ever, ook vrijwel wekelijks een kunstrubriek in De Linie. Die kritieken gingen niet alleen over beeldende kunsten, maar al snel ook over architectuur en monumenten. Een van de eerste artikelen over dat onderwerp is een pleidooi uit 1952 voor het behoud van de Utrechtse Geertekerk.
Opeens vraag ik me af in hoeverre hun kunstenaarschap van invloed is geweest op hun visie op de stad. Natuurlijk hebben zij door het verval heen de schoonheid ervan gezien. Maar zijn hun opvatting en de keuzes die zij daarbij maakten ook bepalend geweest voor de manier waarop Geurt de strijd voor het behoud van de stad heeft genomen? Zou je kunnen zeggen dat zij tussen de woelige golven van het expressionisme en de steeds verder opgang makende abstracten een nuchtere koers bleven varen? ‘We gingen gewoon ons eigen gang en deden wat we dachten dat goed was. Het was niet zo dat wij een uitzonderlijke plaats innamen, de meeste mensen die we kenden werkten zoals wij. Belangrijker was denk ik dat we allebei van buiten kwamen, Geurt uit Den Haag en ik ben pas op m’n elfde uit Indië gekomen. Daardoor keken we misschien met andere ogen.’ ‘Heeft Geurt als kunstcriticus niet als geen ander de hemelbestormende wederopbouwplannen en hooggestemde idealen waarmee die werden gelanceerd op hun merites kunnen beoordelen? Hij kende de ‘Bauhausidealen’ en de ideeën van Le Corbusier over cityvorming, volkshuisvesting en functiescheiding, hij begreep welke impact deze op de bestaande stad zouden hebben en hij wist ook hoe hij ze moest pareren.’ ‘Belangrijk is dat hij op het juiste moment heeft ingezien dat er iets moest gebeuren’, zegt mevrouw Brinkgreve, ‘en misschien zou je inderdaad ook mogen zeggen dat hij daarvoor het geestelijke fundament heeft gelegd, zoals Ruud Meischke jaren later eens heeft aangegeven. Daarbij kwam dat hij een goede organisator was en dat alle betrokkenen een grenzeloze inzet hadden.’

Sjuwke Brinkgreve-Kunst, Zicht vanuit het Huis De Pinto naar de Waag over de vlakte, ontstaan door de sloop van tientallen panden ten behoeve van de metro-aanleg (tekening uit 1976)

‘Hoe is het eigenlijk allemaal begonnen?’, vraag ik. ‘Eind 1953 heeft Geurt voor een serie artikelen over monumentenzorg een bezoek gebracht aan het Ministerie van Onderwijs, Kunsten & Wetenschappen. Daar werd hem duidelijk dat de Wederopbouwwet ook op historische stadskernen van toepassing was, dat wil zeggen dat verruiming van verkeersruimte voor 80% door het rijk werd vergoed. Toen bovendien bleek dat een kwart van de gebouwen van de Voorlopige monumentenlijst [1928] inmiddels niet meer bestond, begreep hij dat het vijf voor twaalf was. Op het ministerie, verantwoordelijk voor het monumentenbeleid, kon men echter niets voor hem doen en werd hij doorverwezen naar de bond Heemschut en naar het zojuist opgerichte Amsterdamse Bureau Monumentenzorg.’ Begin 1953 waren namelijk verschillende ‘wederopbouwplannen’ vastgesteld, onder meer voor de Nieuwmarktbuurt en de Oostelijke eilanden, die voortborduurden op het Algemeen Uitbreidings Plan van Van Eesteren uit 1934. Hierin werd voorzien in de grootschalige sloop van historische bebouwing ten gunste van de verbreding van straten, sanering van armoedige woontoestanden en ‘cityvorming’: de omvorming van de oude binnenstad tot zakencentrum.
Naar aanleiding van zijn artikelenserie werd Brinkgreve in het najaar van 1954 uitgenodigd om een voordracht te houden voor De Amsterdamsche Kring, ‘Gevecht om Amsterdam’, die hij vlak daarna nog eens herhaalde voor – en publiceerde in – Amstelodamum (1). In diezelfde tijd lekte het beruchte plan van commissaris Kaasjager uit om verschillende grachten en een deel van de Amstel en het IJ te dempen ten behoeve van een betere doorstroming van het autoverkeer. ‘Dat was eigenlijk helemaal geen officieel plan’, zegt mevrouw Brinkgreve, ‘maar het schudde de mensen wel wakker. Om een stevig tegengeluid vanuit de burgerij te laten horen is toen het comité ‘De Stad Amsterdam’ opgericht met het doel om de wederopbouwplannen te verwerpen en een instelling op te richten om het herstel van de stad ter hand te nemen, de latere Maatschappij tot Stadsherstel.’ Jhr. mr. Jan Six van Hillegom werd gevraagd als voorzitter, de voorzitter van de Kamer van Koophandel werd penningmeester en jhr. mr. Joost van der Does de Willebois, president van het Amsterdamse gerechtshof, secretaris. ‘Oom Joost heeft Geurt toen een maandelijkse toelage gegeven om het secretariaat te voeren en Alarm in Amsterdam samen te stellen. Ik heb het hier’. En ze laat me een in zwart linnen en rood leer gebonden boekje zien, met fijne opdruk in bladgoud. ‘Dit is het exemplaar dat we uit erkentelijkheid aan oom Joost hebben aangeboden toen het af was. Na zijn overlijden hebben we het teruggekregen.’
‘Hoe had Geurt Van der Does de Willebois eigenlijk leren kennen?’, vraag ik. ‘Een van mijn broers was getrouwd met een nichtje van hem’, antwoordt mevrouw Brinkgreve, ‘maar we kenden hem eigenlijk nauwelijks totdat Geurt, ook voor een artikel voor Elsevier, een bezoek bracht aan het Maagdenhuis, het R.K.-weeshuis dat toen nog helemaal in de oorspronkelijke staat verkeerde. Daar werd hij rondgeleid door de voorzitter, en dat was ‘oom Joost’ van der Does. Hij had het Maagdenhuis willen verkopen aan de gemeente om daar de universiteitsbibliotheek te vestigen, maar vanwege een hoger bod van een grote bank, is dat helaas niet doorgegaan en toen is dat lelijke gebouw aan het Singel gebouwd.
Heel belangrijk is ook de Nota Binnenstad van B&W geweest, waarin de gemeente voor het eerst haar visie op de binnenstad presenteerde. Samen met Corneille Janssen heeft Geurt die nota toen integraal in Heemschut gepubliceerd [1955], met daaronder een commentaar in naam van de historische verenigingen.’ (2)
Het gemeentelijk Bureau Monumentenzorg, waar men Brinkgreve op het ministerie naartoe had gestuurd, was gehuisvest in een kamertje op de zolderverdieping van het voormalige stadhuis in het Prinsenhof, naast de dienst Publieke Werken die onder leiding stond van Cornelis van Eesteren. Hoofd van dat bureau was ir. Ruud Meischke. ‘Meischke zat dus dichtbij het vuur’, vertelt mevrouw Brinkgreve, ‘hij had direct zicht op de wederopbouwplannen die in de kamer naast hem werden uitgewerkt en Geurt ging vaak bij hem langs om daar kennis van te nemen. Meischke kwam ook regelmatig bij ons thuis op de Lijnbaansgracht en wij raakten met elkaar bevriend. Hij zei: “Wat wonen jullie hier toch buitengewoon prettig” en zo is het idee ontstaan om vervallen woningen op te knappen en weer bewoonbaar te maken.’
‘Na Elsevier kwam de redactie van het tijdschrift Heemschut. Daarnaast zat Geurt in het bestuur van Arti en in de gemeenteraad. ‘Bij Arti et Amicitiae had hij inmiddels zijn eerste restauratie-ervaring opgedaan en toen is het idee ontstaan om de stichting Diogenes op te richten [1960], speciaal om woon- en atelierruimte te bieden aan kunstenaars en musici.’
Vanuit de raad heeft hij geprobeerd om het bouwplan voor de ABN-bank in de Vijzelstraat tegen te houden. Voorafgaand aan die beslissing is toen voor het eerst een ‘teach-in’ georganiseerd, waar vele bewoners op af kwamen. ‘De grote beroering over het bankplan in de Vijzelstraat heeft aangetoond dat Amsterdam binnen de Singelgracht voor tallozen iets volkomen anders betekent dan welke andere stadswijk ook. De schaal, de sfeer, de leefbaarheid van de oude stad bleken ineens veel méér mensen ter harte te gaan dan de kring der oudheidkundige verenigingen’, zou Brinkgreve een half jaar later in het eerste nummer van De Lamp schrijven. Nadat de raad in december 1966 toch met het plan had ingestemd, stapte hij uit de gemeenteraad. ‘Dat is een van de beste besluiten die Geurt ooit heeft genomen’, zegt mevrouw Brinkgreve. Zomers ging ik in m’n eentje met de kinderen op vakantie, omdat Geurt door wilde werken. Kamperen in Frankrijk. Geurt hield ook niet zo van kamperen, maar wij hebben onvergetelijke reizen gemaakt. “La reine sans roi”, werd ik genoemd op een camping waar we vaker kwamen.’
‘Inmiddels waren wij naar het Aalsmeerder Veerhuis verhuisd. Na het Ban-de-Bank-debâcle is Geurt actie gaan voeren tegen de gemeentelijke plannen. Hij heeft de werkgroep Amsterdaad 1975 opgericht met het doel om het wederopbouwplan Nieuwmarkt van tafel te krijgen en in datzelfde jaar is hij met De Lamp begonnen, een eigen, onafhankelijk blad dat later werd omgedoopt tot Binnenstad. Toen is ook het restauratie-atelier Uilenburg opgericht, waar Hans ’t Mannetje tientallen beeldsnijders en beeldhouwers heeft opgeleid, een initiatief dat Geurt natuurlijk zeer nauw aan het hart lag.

In juni 1967, nu bijna 45 jaar geleden, verscheen de eerste aflevering van De Lamp van Diogenes, als mededelingenblad van de vereniging Vrienden van Diogenes. “Het werk van Diogenes is onderdeel van het gehele vraagstuk wat er met de Amsterdamse binnenstad in de komende tientallen jaren gaat gebeuren”, schrijft Brinkgreve in de inleiding van het eerste nummer. Het behoud en herstel van de woonfunctie in de historische bebouwing stond daarbij centraal. De restauraties van de stichting worden natuurlijk met belangstelling gevolgd, vaak voorzien van een foto van de bestaande, meestal bouwvallige toestand van een zojuist verworven pand met daarnaast een tekeningetje van ‘hoe het moet worden’ – van de hand van Sjuwke Brinkgreve. Maar van meet af aan wordt ook aandacht besteed aan het weren van grootschalige kantoren uit de binnenstad en aan alternatieve oplossingen voor het daarmee samenhangende verkeersprobleem. Ter illustratie van ‘hoe het niet moet’ worden een aantal ‘recente mislukkingen’, zoals de Universiteitsbibliotheek en de Nederlandsche Bank op het Frederiksplein (beide uit 1966), op de korrel genomen en wordt de welstandscommissie bekritiseerd. Zo wordt direct al in het eerste nummer het voorstel genoemd om de Commissie Oude stad, die bouwprojecten in de binnenstad moest beoordelen, te reorganiseren en aan strengere maatstaven te binden. Later worden echter ook architecten als Aat Evers uitgenodigd om hun visie te geven hoe er dan wel gebouwd zou kunnen. De meeste van die onderwerpen zijn nog altijd actueel.
‘Ik mis Geurt natuurlijk wel en het verlies van Maarten is onherstelbaar’, zegt mevrouw Brinkgreve, ‘maar veel van ’t leven gaat hier door, op deze plek waar ik hun aanwezigheid altijd om me heen voel en ik omringd word door een rijke kring van vrienden, kinderen en kleinkinderen’.

Juliet Oldenburger

(1) Geurt Brinkgreve, Gevecht om Amsterdam, Amsterdam (Amstelodamum) 1954.
(2) ‘Een antwoord op de Nota-Binnenstad …’ in: Heemschut, 32e jrg. nr 4 (aug. 1955).

(Uit: Binnenstad 250, maart 2012)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.