Amsterdamse gevelstenen: De Laag Brandewyn Stucken - Groenburgwal 37 - Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad

Amsterdamse gevelstenen

Gevelsteen De Laag Brandewyn Stucken
Groenburgwal 37

De voorstelling op deze gevelsteen, het interieur van een kelderruimte met twee mannen – de een met een wijnhevel en een glas – te midden van twee stellingen met (wijn)vaten, verklaart het woord ‘laag’ in het onderschrift. De ‘dikke Van Dale’ leert ons dat een laag een hoeveelheid voorwerpen is die in min of meer horizontale richting ligt, zoals de vaten op de gevelsteen.

Nu is het opvallend, maar wellicht niet toevallig, dat het woord laag, maar dan als de naam Van der Laagh, ook voorkomt bij de diverse huiseigenaren. In 1764 verkoopt Arent Hartjens een huis, achterhuis en erf gelegen aan de Groene Burgwal, tussen de Korte Zwanenburgerstraat (de huidige Staalstraat) en de Raamgracht, ‘alwaar de Laag Brandewijn Stucken in de gevel staat’. Genoemde Arent Hartjens was de broer en enig erfgenaam van wijlen Catharina Hartjens en zij waren samen erfgenaam van hun zuster Maria Hartjens. Arent, Catharina en Maria waren de enige nagelaten kinderen en tevens erfgenamen van wijlen Catharina van der Laagh, weduwe van Jacob Hartjens (testament d.d. 7 april 1679).

Catharina van der Laagh was een dochter en voor een derde part mede-erfgename van Trijntje Schutte, weduwe van Herman Swijnevoet van der Laagh, die met de executoire kwijtschelding (d.d. 26 augustus 1695) eigenaresse van een huiserf was geworden. Het is dit pand dat op 2 juni 1708 aan eerder genoemde Catharina van der Laagh, de weduwe van Jacob Hartjens, wordt toebedeeld en in 1764 wordt verkocht. In de verkoopakte staat o.a. dat het huis na de toebedeling aan Catharina van der Laagh, in 1708, ‘vertimmerd en geschikt gemaakt is tot de nagemelde percelen’ – het betreft hier namelijk huis en achterhuis – en dan volgt de bovengenoemde beschrijving. Uit een koopakte van het noordelijke buurhuis uit 1676 blijkt dat in ‘ons’ pand een door een paard aangedreven kalandermolen was gevestigd. Een kalandermolen diende om lakense stof glad en glanzend te maken. In de muren van het pand waren uitstulpingen gemaakt, ten koste van de buren, om het paard de ruimte te geven om zijn rondjes te lopen.
De genoemde ‘vertimmering’ zal waarschijnlijk het verwijderen van de kalandermolen en het tot woning verbouwen van het pand betreffen. Uit de ondertrouwakte van Trijntje Schutte en Herman Swijnevoet van der Laagh (1657) weten we dat hij als beroep wijnverlater, kleinhandelaar in wijnen, opgaf. De gevelsteen zal na de ‘vertimmering’ aangebracht zijn en verbeeldt dus op merkwaardige wijze familienaam en beroep.

Onno Boers

[www.amsterdamsegevelstenen.nl]

(Uit: Binnenstad 250, maart 2012)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.