Een halve eeuw Monumentenwet

In het kader van de modernisering van de monumentenzorg gaat er in de nabije toekomst veel veranderen. Het is de intentie van de Haagse beleidsmakers om de monumentenzorg meer te integreren in de ruimtelijke ordening. Hoe dat precies in zijn werk zal gaan weet niemand, maar het is in principe geen slecht idee. Zo komt tenslotte een einde aan de marginale positie van de erfgoedsector in de wereld van stedenbouwkundigen en planologen. Men zal moeten onderkennen dat ook monumenten deel uitmaken van het stedelijk bouwwerk. Dat biedt tevens de mogelijkheid, zo niet de verplichting, om voortaan niet alleen bouwwerken te beschermen, maar ook de openbare ruimte serieus te nemen als een gegeven met specifieke historische kwaliteiten. Het feit dat zelfs de hoofdgrachten ooit bestraat zijn met betonstenen zegt alles over het wanbeleid dat decennia lang is gevoerd.
Een aantal willekeurige monumenten bij de Sint Antoniessluis (foto: Wim Ruigrok)

De eerste versie van de Monumentenwet dateert uit 1961. Wat heeft die wet ons eigenlijk opgeleverd in de afgelopen vijftig jaar? Het is zeker niet overdreven om van een groot succes te spreken. Wie herinnerd wil worden aan de moeizame en vaak tevergeefse strijd die de voorafgaande halve eeuw kenmerkt, moet de cd-rom raadplegen met de vele jaargangen van het tijdschrift Heemschut. De verbeten sfeer werd treffend verwoord door Ton Koot met de titel Help! Ze verpesten ons land, die hij in 1973 koos voor de bundel opstellen over een kwart eeuw ervaring als secretaris van de Bond Heemschut. In Amsterdam streed hij zij aan zij met Geurt Brinkgreve voor het behoud van de historische handelsmetropool die inmiddels gelukkig door iedereen als een wereldwonder wordt beschouwd.
Na 1961 was het in Nederland niet meer mogelijk om historische bouwwerken zonder slag of stoot af te breken. De wet introduceerde een zorgvuldige procedure die het voor gemeentebesturen onmogelijk maakte om onbezonnen sloopvergunningen te verlenen voor het gebouwde erfgoed. In Amsterdam werden binnen korte tijd vele duizenden gebouwen op de Rijksmonumentenlijst geplaatst en in de daarop volgende jaren kwam zoetjesaan ook de restauratie van al deze nieuwe monumenten op gang. Daarbij kampte men permanent met gebrek aan geld, maar inmiddels kan toch geconstateerd worden dat de stad er piekfijn bijstaat. Nog belangrijker was misschien wel dat de monumentenzorg een plaats kreeg in het dagelijks leven van de stad. Meer en meer mensen ontdekten dat het bijzonder prettig wonen is in een monument. Na vele jaren van krimp begon het inwonertal van de historische binnensteden in Nederland weer te stijgen, met als gevolg dat de beschermde stads- en dorpsgezichten anno 2011 de meest populaire woonomgeving van ons land vormen.
Nadat de slag om het gebouwde erfgoed uit de eeuwen vóór 1850 gewonnen was, diende zich een nieuw probleem aan. De zogenoemde ‘jongere bouwkunst’ uit de periode 1850-1940 begon te verdwijnen. De vaak grote neogotische kerken kampten met snel dalende bezoekersaantallen en vele andere karakteristieke bouwwerken uit die periode werden het slachtoffer van nieuwe technologie. De Rijksdienst voor de Monumentenzorg reageerde slagvaardig met een landelijk inventarisatieproject waarna echter, gezien de aantallen, alleen de topmonumenten geplaatst konden worden. Dit goede voorbeeld inspireerde gelukkig vele gemeentebesturen om de rijkslijst ruimhartig aan te vullen met gemeentelijke monumenten. Alleen al in de Amsterdamse binnenstad, later Stadsdeel Centrum, werden zodoende nog eens 900 voorbeelden van ‘jongere bouwkunst’ geselecteerd voor de gemeentelijke monumentenlijst. Ook deze categorie is nu goed beschermd.
Dankzij de Monumentenwet is er zelfs een nieuwe architectuurpraktijk ontstaan. De herbestemming van gebouwen vormt een probleem dat bij de ontwerpers enige kennis van historische architectuur veronderstelt. Vroeger was dat een specialisme van een handvol ‘restauratiearchitecten’, maar door de snel groeiende omvang van deze ontwerpopgave zal ook het onderwijs meer moeten bieden op het gebied van oude gebouwen. Iets dergelijks gebeurt ook, in elk geval in Delft. Daar werd architectuurgeschiedenis altijd beschouwd als een overbodige luxe voor architecten, maar het besef begint te dagen dat het tijdperk van nieuwbouwwijken en kantoortorens waarschijnlijk voorgoed voorbij is. Toekomstige architecten en stedenbouwkundigen zullen moeten leren om zich beschaafd te gedragen in een omgeving die in feite al ontworpen is door voorgaande generaties. Rem Koolhaas, mogen we hopen, was de laatste ontwerper die zich faam verwierf met het devies ‘fuck the context’.
De Monumentenwet heeft onze samenleving dus grote winst opgeleverd. Er heeft zich een ware mentaliteitsverandering voltrokken. Bij de Open Monumentendag maken jaarlijks een miljoen mensen van de gelegenheid gebruik om een monument te bezoeken. Men begrijpt dat erfgoed belangrijk collectief bezit is. Na een tijdperk waarin modernisering en vooruitgang een soort nationaal geloof waren geworden, heeft iedereen blijkbaar schoon genoeg van de harteloze betonnen wereld die ons werd voorgespiegeld als het beloofde land. Nu zijn het de negen straatjes die op zondag druk bezocht worden door het winkelend publiek. De Monumentenwet heeft bij deze ommekeer een belangrijke en wellicht zelfs essentiële rol gespeeld. Toen het verval eenmaal een halt was toegeroepen en een aanvang kon worden gemaakt met het herstel, werden de charmes van de historische stad weer zichtbaar. Die ontwikkeling heeft ook het openbaar bestuur te denken gegeven. Het stedenbouwkundig beleid in ons land is nog verre van perfect, maar het tij begint te keren. Meer en meer wethouders komen tot het inzicht dat de grootste successen op het gebied van de stadsontwikkeling gedurende de afgelopen vijftig jaar zijn gerealiseerd door de monumentenzorg.

Vincent van Rossem

(Uit: Binnenstad 250, maart 2012)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.