Voorlopige nabeschouwing kwestie Binnengasthuisterrein

De gebiedsgerichte benadering

In de zich al vijftien jaar lang voortslepende kwestie van het Binnengasthuisterrein kenden de sloopplannen van de Universiteit van Amsterdam binnen de monumentenzorg niet alleen tegenstanders, maar ook voorstanders. De laatsten kwamen tot hun sloopadvies vanuit een zogenoemde gebiedsgerichte benadering. Dit is wel iets om bij stil te staan. Kan de gebiedsgerichte benadering binnen de monumentenzorg tot de conclusie leiden dat het beter is om monumenten te slechten?
De voormalige Tweede Chirurgische Kliniek (F.W.M. Poggenbeek, 1897-1900)

In de zich al vijftien jaar voortslepende kwestie hadden de sloopplannen van de UvA binnen de monumentenzorg niet alleen tegenstanders, maar ook voorstanders. In zijn rapport Bibliotheek Binnengasthuisterrein-Amsterdam (Schiedam 2009) ondersteunt de hoogleraar restauratie van de Technische Universiteit Delft, Paul Meurs, de sloopplannen. Vorig jaar mengde ook Fons Asselbergs, de vroegere directeur van de Rijksdienst Monumentenzorg (zoals de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed vroeger heette), zich in de discussie en betoonde hij zich niet alleen voorstander van de sloopplannen, maar ontpopte hij zich in de loop van de discussie zelfs als tegenstander van herbestemming van het voormalige ziekenhuis tot bibliotheek. De deskundigenrapporten van Meurs en Asselbergs gingen dwars in tegen de wettelijke adviezen uitgebracht door de Rijksdienst, de gemeentelijke Welstandscommissie en het gemeentelijke Bureau Monumenten en Archeologie, die negatief uitvielen voor sloop. In de laatste fase van de hele procedure kon de UvA uitsluitend steunen op de adviezen van Meurs en Asselbergs. Als enigen hielden zij bij de UvA de hoop levend, dat de sloopplannen wellicht nog doorgang konden vinden. Zowel Meurs als Asselbergs beroepen zich in deze monumentendiscussie op de ‘gebiedsgerichte benadering’. Nu zijn er bij mijn weten binnen de monumentenzorg geen tegenstanders van een gebiedsgerichte benadering te vinden, maar kennelijk bestaat er verschil van inzicht over wat die specifieke invalshoek inhoudt.
De Monumentenwet op zich heeft, daar kan geen misverstand over bestaan, het behoud van als zodanig aangewezen monumenten als doel. In de rechtspraktijk mag de Monumentenwet ook niet aangevoerd worden om een ander doel te bereiken dan het behoud van als monument aangewezen gebouwen en stadsgezichten. In monumentenprocedures kunnen pleitbezorgers voor het behoud van monumenten zich daardoor niet beroepen op de voordelen die de aanwezigheid van monumenten in hun omgeving heeft, bijvoorbeeld dat ze de omgeving aantrekkelijker maken. Dat is maar goed ook, want anders zou ook het omgekeerde kunnen gelden, namelijk dat lelijke monumenten alsnog in aanmerking komen voor sloop. Partijen die een monument weg willen hebben, zouden dan kunnen aanvoeren dat de omgeving beter af is zonder een bepaald monument. Dit zou hachelijk worden voor veel monumenten, want die worden niet alleen aangewezen vanwege hun schoonheid, maar ook vanwege hun wetenschappelijke (kunsthistorische) of historische belang. Lang niet alle monumenten zijn daarom ook per se mooi of aantrekkelijk of staan stedenbouwkundig op de handigste plek.
Het moet gezegd dat zowel Meurs als Asselbergs in hun rapporten afbreuk proberen te doen aan de kwaliteiten van de monumenten. Daarin slagen ze niet of nauwelijks en de Commissie Welstand en Monumenten trekt in zijn laatst uitgebrachte advies over deze kwestie terecht de conclusie, dat Asselbergs onbedoeld het belang van de omstreden monumenten eerder aantoont dan weerlegt. Het belangrijkste argument van Meurs en Asselbergs betreft echter hun ‘integrale visie’. Vanuit hun hedendaagse stedenbouwkundige inzichten en vanuit hun gebiedsgerichte benadering komen zij tot de conclusie, dat het gebied in stedenbouwkundig opzicht te wensen over laat. Er is in hun ogen sprake van een gegroeide situatie, die voor verbetering vatbaar is. Door de sloop van de omstreden rijksmonumenten en nieuwbouw zou het gebied, als zodanig ook een rijksmonument, weer een eenheid kunnen vormen. Om die reden vraagt Asselbergs een pionoffer. Door een van de monumenten op te geven, zou het gebied er als geheel volgens hem op vooruit kunnen gaan. Voor mij blijft het de vraag of de nieuwbouwplannen van Cruz y Ortiz deze heilzame werking inderdaad wel hebben, want een goede analyse die dat aantoont, ontbreekt tot op heden. Meurs gaat in zijn stuk uitvoerig in op de nieuwbouwplannen, maar nergens maakt hij duidelijk hoe deze de omgeving zouden kunnen verrijken en Asselbergs onderbouwt de vermeende positieve stedenbouwkundige werking van de nieuwbouw evenmin. Het punt waar het om draait is natuurlijk dat een historisch gegroeide omgeving noch een stedenbouwkundige eenheid hoeft te zijn, noch aan andere moderne stedenbouwkundige inzichten hoeft te voldoen. Het Binnengasthuisterrein is een monument, juist vanwege de historisch gegroeide situatie. Als we alle historische gebouwen en omgevingen die monument zijn, de maat gaan nemen volgens de hedendaagse stedenbouwkundige inzichten blijft er vermoedelijk weinig meer over om te behouden.

In mijn ogen betekent een gebiedsgerichte benadering dat de aanwezigheid van monumenten nadrukkelijk meespeelt in de verdere ontwikkeling van het gebied. Daarbij staat natuurlijk het behoud voorop, want dat is uiteindelijk het enige doel van de Monumentenwet. In uitzonderlijke situaties zullen niet altijd alle monumenten behouden kunnen blijven, maar dat is op het Binnengasthuisterrein niet aan de orde. Architect André van Stigt en ook het bureau Toornend hebben aangetoond, dat de door de UvA gewenste bibliotheek zelfs gewoon op dezelfde plek gerealiseerd kan worden in de bestaande gebouwen. De UvA heeft ook al aangegeven flink te willen investeren in het Binnengasthuisterrein. Kortom, hier doet zich nu de ideale situatie voor om het idee van een gebiedsgerichte benadering gestalte te geven.

Op woensdag 28 maart jongstleden ging de Universiteit van Amsterdam (UvA) overstag en liet weten onder voorwaarden over te willen gaan op het nog nader uit te werken ‘plan B’: renovatie en herbestemming van de bestaande Tweede Chirurgische Kliniek annex Zusterhuis van architect Poggenbeek tot Letterenbibliotheek. Het is te hopen dat de universiteit, die vijftien jaar lang inzette op de sloop van deze gebouwen, van deze mogelijkheid ook echt overtuigd is geraakt. Hun eerste uitingen over dit besluit getuigen eerder nog van een schoorvoetend toegeven dan van enthousiasme. Voor een geslaagd opdrachtgeverschap behoren enthousiasme voor de gestelde opgave en een flexibele opstelling tot de belangrijkste voorwaarden. De strakke en utilitaire vormgeving van de Poggenbeek-gebouwen leent zich uitstekend voor een combinatie met eigentijdse nieuwbouw. Wellicht dat de opdrachtgever hier alsnog oog voor krijgt en er echt warm voor gaat lopen. Met deze opgave is veel eer te behalen: herbestemming van monumenten is nu tot een van de belangrijke thema’s van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Hier ligt tevens een enorme kans om te laten zien, wat een gebiedsgerichte benadering in de monumentenzorg vermag te bereiken: het realiseren van een aansprekende omgeving met behoud van alle monumenten en versterking van de historisch gegroeide kwaliteiten door herbestemming en herontwikkeling.

Gerrit Vermeer

(Uit: Binnenstad 251, april/mei 2012)

Zie ook:
[Plan A van de baan, plan B staat in de steigers]

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.