XXXIV. Waterlijsten en lekdorpels

In historische gevels bevinden zich vaak horizontale natuurstenen lijsten en lekdorpels. Waterlijsten zijn vooral toegepast om de relatief dunne bakstenen gevels te beschermen tegen ons regenachtige klimaat en om zoveel mogelijk regendoorslag te voorkomen, maar dienden vaak ook ter versiering. Natuurstenen 'spekbanden', 'afzaten', waterlijsten en lekdorpels zijn in verschillende eeuwen toegepast waardoor er een grote verscheidenheid aan profileringen en wijzen van stijltoepassing bestaat.
Doopkapel van de Oude Kerk Noorderportaal van de Oude Kerk

Spekbanden en afzaten

afb. 1: hoek Vredenburgersteeg / Oudezijds Voorburgwal

In middeleeuwse bakstenen kastelen zoals het Muiderslot (circa 1285) en Loevenstein (circa 1360) vinden we nog geen natuurstenen lijsten in de gevels. Bij dikke muren was er blijkbaar geen noodzaak om met stenen lijsten te werken. Ook de hoge prijs van de natuursteen, die over de rivieren vanuit de ons omringende landen moest worden aangevoerd, speelde daarbij mogelijk een rol. Vanaf 1400 zien we in Nederland natuurstenen speklagen verschijnen. Deze gemengde toepassing van materialen komt voor het eerst voor in de late gotiek en is waarschijnlijk afkomstig uit Frankrijk; zij komt onder andere voor in het slot van Angers. De spekbanden zijn dan vlak in de gevel toegepast, als een grafisch patroon. Sprongsgewijs beweegt het gebruik van speklagen zich vervolgens van stad tot stad, van Zuidwest- naar Noordoost- Nederland. In Amsterdam zien we deze bouwwijze voor het eerst toegepast in de gevels van de zijkapellen van de Oude Kerk. De gevels van de Doopkapel (1504) en van de Smidskapel en Sint-Sebastiaanskapel (1515-1516) zijn op die manier uitgevoerd. In het laatgotische Noorderportaal (1510) vinden we drie typen lijsten: spekbanden in de gevel, een schuin aflopende 'afzaat'-lijst onder de vensternissen en een uitstekende waterlijst met hellend bovenvlak (tek. 1) op deurhoogte. De speklagen zijn meestal van Ledesteen en Gobertangersteen gemaakt, terwijl voor de andere onderdelen doorgaans Bentheimer zandsteen werd gebruikt. Bij de afgebroken gotische gevel (1499) van Vredenburgersteeg 2 / Oudezijds Voorburgwal 1 zijn deze onderdelen ook goed te onderscheiden (afb. 1: tekening G. Lamberts, circa 1820). De speklagen werden daarbij als hoekblokjes uitgevoerd. Dit soort blokjesgevels werden van ongeveer van 1500 tot 1640 toegepast, bijvoorbeeld in Spuistraat 88 uit 1640.

1: Noorderportaal Oude Kerk 2: Sint Annenstraat 12 3: Sint Olofspoort 1
4: Nieuwmarkt 22-24
5: profilering lijst Westerkerk 6: Sint Olofspoort 4
7: Peilsteeg 31
8: onderdorpel profilering
9: Lauriergracht 116 1784
10: Oudezijds Voorburgwal 103
11: Herengracht 580
12: Gravenstraat 14-16
13: Raadhuistraat 52-54
14: Saffierstraat

Waterlijsten en dorpels

De dunne baksteengevels van de woonhuizen zijn doorgaans een steen dik. Onder invloed van de renaissancestijl werden gevels in Amsterdam vanaf circa 1558 van uitstekende waterlijsten voorzien, bijvoorbeeld Sint Annenstraat 12 uit 1565 (tek. 2). De onderdorpels van de houten kruiskozijnen kregen daardoor een extra natuurstenen dorpellijst. Vanaf 1600 worden geprofileerde waterlijsten ook tot in de trapgevels doorgetrokken, vaak twee metsellagen hoog (circa 9 cm) met ojiefprofilering (tek. 3: ojief, recht). Deze lijsten werden eveneens voor de afdekking van trapgevels gebruikt, zoals bijvoorbeeld bij Sint Olofspoort 1. Een andere profilering, afgeleid uit de vormgeving van kraagstenen onder de bovenste middenpinakels, zoals bij Nieuwmarkt 22-24 (1605) (tek. 4: bol, recht, hol), werd wat later toegepast, zie hiervoor ook Nieuwebrugsteeg 13 (uit 1618). De profileringen van waterlijsten in vergrote trap- of halsgevels zijn nog van een ojief voorzien, zoals bij Herengracht 38. Bij de Westerkerk (Hendrick de Keyser, 1622) valt aan de beëindiging van de steunberen de profilering van een lijstopbouw te herkennen (tek. 5). De architecten Jacob van Campen en Philips Vingboons ontwierpen vanaf 1630 gevels met waterlijsten door toepassing van klassieke kroonlijsten (zie het artikel 'Houten kroonlijsten' in Binnenstad nr. 226, 2008). Boven de houten kruiskozijnen uit het tweede kwart van de zeventiende eeuw verschijnen de eerste losse bovendorpels als waterlijst, zie Sint Olofspoortsteeg 4 (tek. 6) of de westelijke binnenplaats van het Burgerweeshuis. De onderdorpel bestaat vaak nog uit een gemetselde rollaag. Bij eenvoudige huizen en achtergevels wordt de rollaag uitgevoerd met een 'vleilaag' daarboven, zie Peilsteeg 31 (tek. 7). Bij de invoering van het schuifraam aan het eind van de zeventiende eeuw verschijnen ook losse natuurstenen onderdorpels. Voor het woord 'dorpel' wordt ook wel 'drempel' gebruikt, maar vanaf de twintigste eeuw werd hiermee een stofdorpel onder een binnendeurkozijn bedoeld.

Herengracht 38 Prinsengracht 600

Achttiende eeuw

De eerste natuurstenen dorpels onder houten schuifraamkozijnen waren meestal rechthoekig van vorm, aan de bovenkant schuin aflopend en even breed als het kozijn (tek. 8). In de loop van de achttiende eeuw veranderen de onderdorpels en worden in plaats van houten kozijndorpels stenen dorpels gebruikt, voorzien van verticale opstanden ('neuten'), zoals bijvoorbeeld bij het voormalige Lutherse weeshuis op Lauriergracht 116 (voorgevel uit 1784)(tek. 9). Soms worden ook geprofileerde modellen toegepast, waarbij de profilering aan de zijkant is 'omgecornist' of omgezet, zoals bij Oudezijds Voorburgwal 103 (tek. 10) of Damrak 85. In het laatste kwart van deze eeuw worden de onderdorpels in Lodewijk XVI-stijl wat strakker geprofileerd en voorzien van een 'console'-decoratie ('lamberquins'), zie Herengracht 580 (tek. 11). Als gevolg van de in stijl bijpassende kozijnomlijsting zijn de dorpels hier breder dan de kozijnen. Bij onderdorpels worden deze ook wel 'oren' genoemd.

Negentiende en twintigste eeuw

In de negentiende en twintigste eeuw zijn schuin aflopende rechthoekige dorpels het meest toegepast. Bij de neostijlen komen waterlijsten weer terug in de gevelontwerpen. Een markant voorbeeld uit 1855 is het ontwerp van het ziekenhuis Prinsengracht 767-771 van architect J.H. Leliman met zware horizontale waterlijsten. Op de hoek van Prinsengracht 600 staat een pand uit 1880 met onderdorpels in neo-Lodewijk-XVI-stijl met lamberquins, ontworpen door de bouwkundige / architect P.J. de Visser. In datzelfde jaar werden er ook neorenaissance panden met spekbanden, hoekblokjes en geprofileerde onderdorpels uitgevoerd, zoals bij Gravenstraat 14-16 van J.P.F. van Rossem & W.J. Vuyk (tek. 12) of Nieuwezijds Voorburgwal 126-172 van architect A.L. van Gendt (1888-1889). In 1902-1903 ontwierp architect G. van Arkel voor Raadhuisstraat 52-54 een gevel in de Berlagestijl van de Nieuwe Kunst met onder- en bovendorpels als waterlijsten. De hoekblokken zijn daarbij eveneens in natuursteen uitgevoerd (tek. 13). Tijdens de Amsterdamse School-stijl in de jaren dertig van de vorige eeuw verdwijnen de natuurstenen dorpels en waterlijsten langzamerhand uit de architectuur. Onder de kozijnen worden dan houten dorpels en vooral uitstekende rollagen van metselwerk toegepast, zoals in de Saffierstraat van architect J.C. Van Eepen (tek. 14), of werden geglazuurde raamdorpelstenen gebruikt, zoals in de Veeteeltstraat van architect D. Greiner.

Theo Rouwhorst

Tekeningen: Theo Rouwhorst
Foto's: Wim Ruigrok

Literatuur:
Everhard Jans, Burgerhuizen tussen IJssel en Eems, Zutphen 1989.
H. J. Zantkuijl, Bouwen in Amsterdam, Amsterdam 1993.
R. Meischke e.a., Huizen in Nederland, Zwolle 1995.
H. Janse, De Oude Kerk te Amsterdam, Zwolle 2004.
P. Vlaardingerbroek, 'Achttiende-eeuws opdrachtgeverschap: het Luthers Weeshuis' in: V. van Rossem e.a., Amsterdam. Monumenten & Archeologie. Jaarboek 10, Amsterdam 2001.

(Uit: Binnenstad 251, april/mei 2012)

Vorige aflevering: XXXIII. Natuurstenen onderpuien (Binnenstad 250)
Volgende aflevering: XXXV. Historische dakschoorstenen (Binnenstad 253)

[Oog voor detail - alle artikelen]

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.