Boekbespreking - 1000 jaar Amsterdam, Ruimtelijke geschiedenis van een wonderbaarlijke stad - Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad

Boekbespreking

1000 jaar Amsterdam, Ruimtelijke geschiedenis van een wonderbaarlijke stad

Hoe zag het gebied van Amsterdam eruit voordat de stad ontstond? Is de Amstel eigenlijk wel een natuurlijke rivier? Waarom verschilt de Jordaan zo van de grachtengordel? Waarom ligt het Centraal Station in het IJ en niet aan de zuidzijde van de binnenstad? Waarom kwam het gemeentelijk streven om de binnenstad te veranderen in een modern zakencentrum rond 1975 tot een abrupt einde? Hoe groot is Amsterdam eigenlijk? Tal van dergelijke vragen worden beantwoord door Fred Feddes in zijn fraai geïllustreerde boek over duizend jaar ruimtelijke geschiedenis van Amsterdam. Het boek vult een leemte in de geschiedschrijving van Amsterdam en is voorbestemd een standaardwerk te worden.

Zo’n boek bestond vreemd genoeg nog niet. Publicaties die er enigszins bij in de buurt komen, zijn boeken als Het aanzien van Amsterdam en Kaarten van Amsterdam 1866-2000, maar hierin komt de ruimtelijke geschiedenis van de stad aan bod aan de hand van kaarten en stadspanorama’s. De nadruk ligt niet op de tekst, maar op het beeldmateriaal. Het boek van Feddes is in basisopzet een chronologische vertelling over het ontstaan, de groei en de ontwikkeling van Amsterdam, van gehucht tot handelsstad, van hoofdstad tot metropool. De nadruk ligt op de stedenbouwkundige geschiedenis. De ruimtelijke geschiedenis van Amsterdam is immers in onze door mensenhanden gemaakte woon- en leefomgeving ook meteen een geschiedenis van de stedenbouw. Moeilijke onderwerpen worden op ingenieuze wijze begrijpelijk gemaakt voor een groot publiek. En het moet gezegd: het boek is buitengewoon goed geschreven. Feddes’ achtergrond als journalist zal daarbij hebben geholpen. Op originele wijze weet hij zaken te benoemen zoals niemand dat eerder heeft gedaan. Zo noemt hij de Warmoesstraat en de Nieuwendijk, de dijken aan beide zijden van de Amstel, de ‘chromosoom van Amsterdam’, hetgeen niet alleen leuk bedacht is, maar ook betekenisvol. Feddes is een meester in het kort en krachtig, en tegelijk effectief formuleren van zaken waarover anderen hele boeken hebben volgeschreven. Een voorbeeld is de ‘perverse stedenbouw’ van de jaren ’40-’45, toen een plan voor het concentreren van de joodse bevolking in een bepaald deel van de stad werd uitgevoerd. Zelden heb ik een betere beschrijving daarvan gelezen als die ene pagina die Feddes hieraan besteedt. Inderdaad, de methoden van de moderne wetenschap werden toegepast en dat was nu juist de uniciteit van de vernietiging van het Europese jodendom, en zo dus ook in Amsterdam. Het is maar een voorbeeld, maar het boek staat vol met dergelijke erudiete observaties, juist omdat hij kennis uit verschillende vakgebieden met elkaar weet te verbinden, iets wat in onze tijd vrij uitzonderlijk is.
Het boek geeft tegelijkertijd een actueel overzicht van de allernieuwste inzichten over Amsterdam. Zo is 1000 jaar Amsterdam het eerste tekstboek waarin de opmerkelijke theorie van Chris de Bont over het ontstaan van de rivier de Amstel uit de doeken wordt gedaan. Om het best wel ingewikkelde verhaal van De Bont begrijpelijker te maken is de onleesbare kaart van De Bont voor dit boek opnieuw gemaakt, maar dan in de kleuren van de Bosatlas.
Zoals gezegd is de opzet van het boek grotendeels chronologisch, maar daarbinnen worden onderwerpen thematisch behandeld, hetgeen onvermijdelijk met zich mee brengt dat soms sprongetjes in de tijd moeten worden gemaakt. Als leidraad voor zijn verhaal heeft Feddes de indeling van de geschiedenis overgenomen, die de stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren in 1934 voor Amsterdam bedacht heeft. Hij onderscheidde de ‘vrije ontwikkeling’ van de middeleeuwen, de ‘glorie binnen de muren’ van de zeventiende en achttiende eeuw, de ‘ordeloosheid’ van de negentiende eeuw en tenslotte ‘volgens plan’ in de twintigste eeuw daarna. Het doel van deze indeling was uiteraard om aan te tonen dat de hele geschiedenis noodwendig culmineerde in de planmatigheid van de moderne stedenbouwers, een vooruitgangsdenken pur sang. Los van de problemen die het gebruik van deze indeling inhoudelijk gezien geeft, ontbreekt het postmoderne tijdperk vanaf de jaren zeventig. Feddes voegt daarom een hoofdstuk toe met de fraaie titel: ‘jullie orde is de onze niet’. De vraag is of de etiketten van Van Eesteren de lading nog wel dekken, want de tegenstelling die Van Eesteren zag tussen de planmatigheid van de zeventiende eeuw en de ordeloosheid van de negentiende eeuw is in werkelijkheid veel minder scherp. Zoals immers uit het onderzoek van Abrahamse blijkt was de planvorming die de zeventiende-eeuwse grachtengordel opleverde in werkelijkheid minder planmatig en meer chaotisch dan het uit de negentiende eeuw stammende ideaalbeeld ons wil doen geloven. Tegelijkertijd had de overheid in de negentiende eeuw wel degelijk een rol te spelen, aangezien de plankaart van de stadsuitbreidingen door Publieke Werken was opgesteld. Net als in de zeventiende eeuw was het particulier initiatief leidend en stelde de overheid bepaalde kaders. De verschillen tussen de zeventiende en de negentiende eeuw zijn dus in werkelijkheid minder groot dan altijd is gedacht met als gevolg dat het kader van Van Eesteren enigszins geforceerd is. De goede lezer haalt dat er wel uit, aangezien ook de nieuwste wetenschappelijke inzichten worden verwoord.
Wat het boek voor onze vereniging ook interessant maakt, is de schets van de ontwikkelingen in de twintigste eeuw, zoals de omslag in het denken over de stad – zowel over de binnenstad als over de stad in algemene zin – die in de jaren zeventig gestalte kreeg. Feddes is echter veel milder over die ontwikkelingen dan anderen. Hij noemt de stadsvernielers ‘aardige mannen, oprecht bewogen met de mensheid’ en kan wel begrijpen wat zij beoogden. De strijd van degenen die de stad wilden behouden tegen hen die de stad wilden moderniseren kenschetst hij niet zozeer als een strijd van goed tegen kwaad, maar als twee tegengestelde visies op de stad die beide goed te verdedigen zijn. De moderne stedenbouwers hadden volgens Feddes een heroïsche maar ook een tragische missie. Zelfs de gebroeders Das, die de Kinkerbuurt wilden vervangen door een moderne hoogbouwstad met Amerikaanse snelwegen, worden door Feddes voorgesteld als beschermers van de oude stad. Ze namen immers de oproep van Geurt Brinkgreve in 1954 ter harte om de cityvorming niet in de binnenstad maar in de negentiende-eeuwse wijken gestalte te geven. Brinkgreve zou op zijn bekende manier hebben gebromd: ‘Die Feddes snapt er niets van’. Maar anderzijds zou hij ook ruiterlijk hebben erkend dat hij er in zijn oordeel over de negentiende-eeuwse wijken naast zat. Misschien is Feddes eigenlijk gewoon niet zo heel kritisch als het om de moderne stedenbouw gaat. Op zijn analyse van de ontwikkelingen langs de IJ-oevers valt m.i. althans nog wel wat af te dingen.
Een ander voorbeeld van zijn mildheid is dat Feddes stelt dat plannen die niet doorgaan, in ieder geval de verdienste hebben dat zij alternatieve ideeën voortbrengen. Dat mag zo zijn, maar slechte plannen verdwijnen meestal niet vanzelf in een bureaula. Dat was toen niet anders dan nu. De strijd om de Nieuwmarktbuurt, waarin de restauratie van het Huis De Pinto doorslaggevend was, is daar uiteraard het schoolvoorbeeld van. Feddes beschrijft de cruciale periode in de naoorlogse geschiedenis op een veel betere wijze dan bijvoorbeeld De Liagre Böhl.
Een van de meest recente kwesties die Feddes aanhaalt is het streven van onze vereniging, met steun van stadsdeelbestuurder Frankfurther, om dichtgegooide grachten in de Jordaan weer open te graven – iets wat ik hier natuurlijk niet onvermeld kan laten. Feddes is de eerste die de inspanningen op dat gebied bespreekt in het kader van een analyse van de betekenis die Amsterdammers aan het stadswater hechten. Die plannen, die nu alweer van bijna tien jaar geleden dateren, zijn niet doorgegaan, maar Feddes schrijft dat een opengegraven gracht met een garage daaronder toch helemaal niet zo’n gek idee is. Het is natuurlijk aardig dat wij zo prominent in dit boek voorkomen – op zich al een reden om het aan te schaffen. Maar daarnaast zijn er nog 1000 andere redenen zoals de goed geschreven teksten over diverse onderwerpen, de up-to-date weergave van de laatste literatuur, de subliem gekozen afbeeldingen en de prachtige vormgeving.

Walther Schoonenberg

Fred Feddes. 1000 jaar Amsterdam. Ruimtelijke geschiedenis van een wonderbaarlijke stad. Bussum (uitgeverij Thoth) 2012. 368 pagina's, 250 kleurenillustraties. Prijs: € 29,90. Er is ook een Engelstalige editie verkrijgbaar.

(Uit: Binnenstad 254/255, november/december 2012)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.