Tafeltoespraak voor Sjuwke en Geurt Brinkgreve d.d. 9 december 1992 - Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad

Tafeltoespraak voor Sjuwke en Geurt Brinkgreve d.d. 9 december 1992

Zoals blijkt uit deze feestrede waren Ruud Meischke (1923-2010) en Geurt Brinkgreve (1917-2005) goede vrienden. Samen met Henk Zantkuijl vormden zij het driemanschap dat een onuitwisbaar stempel heeft gedrukt op de Amsterdamse monumentenzorg. Meischke had in Delft gestudeerd en ging op verzoek van zijn hoogleraar C. van Eesteren in 1953 leiding geven aan het nieuwe Bureau Monumentenzorg in Amsterdam. In 1992 werd Brinkgreve 75 jaar en bij die gelegenheid blikte Meischke terug op de strijd die zij samen hadden gevoerd tegen de ‘cityvorming’, het vernielen van de binnenstad. Dankzij hun inspanningen kunnen wij nu feestelijk gedenken dat de grachtengordel vier eeuwen oud is.

Bij gelegenheden als deze denk je als vanzelf terug aan de jaren van vroeger toen ‘het’ allemaal begon. Dat was in 1954 en daarmee ben ik dan een van je oudste strijdmakkers die hier aanwezig zijn. Geurt was ruim vijf jaar ouder dan ik en ik zag tegen hem op vanwege zijn ongebreidelde aanvalskracht, al was ik wel bang dat hij daarmee ruïnes zou aanrichten. Gelukkig overtroffen de successen de rampen, anders zouden we hier nu niet zitten.

Geurt maakte reeds direct een grote indruk op mij. Hij was de spil van het verzet tegen stadsontwikkeling, de dirigent van de contrabassen, de Hercules die doorbraken kon weghonen en de tovenaar die allerhande stichtingen uit zijn mouw wist te schudden. En deze bewondering is gebleven nu bijna veertig jaar lang.

Er zijn vele begaafdheden nodig om een strijd als deze te kunnen voeren. Enkele zal ik noemen: Geurt was altijd dezelfde, je wist wat je aan hem had en kon op hem rekenen. Toch is hij veelzijdig met vele interesses en emoties. Hij is een beeldend kunstenaar en tegelijk een voortreffelijk schrijver. Bovendien gebruikte hij zijn pen nooit om zijn werk aan te praten. Hij heeft een geweldige liefde voor het detail en tegelijk een strategisch overzicht over het hele slagveld van de oude stad. Hij is gehecht aan de traditie, maar uiterst wendbaar en creatief in het tegenspel.

Zo kan ik nog wel doorgaan, maar dat doe ik niet, het zou te erg worden. Bovendien hadden al deze begaafdheden en nog vele andere daarbij weinig of niets uitgericht wanneer daar niet een heel kleine factor bijgekomen was, die ik toch ter sprake wil brengen: ‘het vileine trekje’. Geurt bezit een angeltje waarmee hij duchtig kan steken. Dit kan verduidelijkt worden aan het biologische verschil tussen een bromvlieg en een wesp. Een bromvlieg is in een kamer veel nadrukkelijker aanwezig dan een wesp, maar de laatste maakt onmiskenbaar meer indruk.

Op dat zo karakteristieke vileine trekje wil ik nog wat ingaan. Geurt kende de sluipwegen van het stadhuis en kon daar de vreugdeloze tred van de gewone ambtenaar imiteren. Het leek er zelfs op of hij in het ambtelijke milieu best zou passen. Langs de achtertrap benaderde hij mijn nederig zolderkamertje. Als uitstekend luisteraar nam hij genoegen met een kwart woord. Een week later kon het hele stadhuis dan in Elsevier lezen wat ze van plan waren. In bevattelijke beeldende taal, maar wel in pikzwarte tinten, ontdaan van alle modieuze ambtelijke waterverfkleurtjes, waarin slechte plannen verpakt worden.

Het vileine trekje en zijn mooie taalgebruik maakte hem tot grootmeester van het tegenbetoog. Dit ontwikkelde zich in die tijd door de vele oudheidkundige adressen en boze artikelen. Het was een speciaal genre met vaste regels, waarvan ik er enkele zal verklappen: Begin met een hoogstand Europees, cultureel beeld dat iedereen aanspreekt, noem Rome of Parijs, in verband met Renaissance of Barok. Uiteraard niet in verband met maffia of stijfkoppigheid. Iets wat het altijd doet is de Campanile op het San-Marcoplein van Venetië. Ingestort in 1902 werd hij volledig in oude vorm herbouwd, zeer tot geluk van het reizende deel van de mensheid. Dit is dan de eerste indoctrinatie; de lezer krijgt ongemerkt ingeplant dat een herbouwd monument altijd nog waardevoller is dan een eigentijdse miskleun.
Op dit moment moet de lezer achteloos over een onopvallend bruggetje gevoerd worden zodat hij begrijpt dat de omstreden kwestie in Amsterdam precies eender ligt als bij het hoge culturele voorbeeld. De lezers die het tegenbetoog vergelijken met de aanprijzende ambtelijke nota denken al gauw: over deze culturele dingen lees je daar niets, zouden die ambtenaren wel enig begrip hebben van cultuur? Het bijgaande voorstel sterkt hen in het vermoeden dat dit begrip ontbreekt.
Op dat moment moet de aap uit de mouw getoverd worden en meedogenloos te kijk worden gesteld. Het is duidelijk, het plan berust alleen op de diepste domheid en het grofste winstbejag. Hiervoor geldt geen enkele verzachtende omstandigheid. Voor de grootste boef in ons vaderland is altijd nog wel begrip voorradig, de schenner van oud stadsschoon moet volgens de schrijvers van tegenbetogen definitief uit de menselijke gemeenschap worden gestoten.
Als het betoog zover is volgt dan ook de doodsteek, die ik zou willen aanduiden als ‘de Mercedestruc’. Men kent het verhaal van de Amsterdamse ‘antiquaar’ die op een beurs in Frankfurt een buitengewoon duur boek te koop aanbiedt. Een mogelijke klant schrikt van de prijs en zegt: voor dat bedrag koop ik een Mercedes. Waarop de handelaar antwoordt: Moet je doen en kom dan volgend jaar nog eens langs, kan je zien wat je Mercedes waard is en wat dit boek dan opbrengt.

Dit betoog is eindeloos vaak gevarieerd en bevat een simpel thema dat in de hoofden gestampt moest worden, namelijk het nieuwe veroudert buitengewoon snel, dat wat van vroeger overbleef heeft zijn test op bruikbaarheid doorstaan en zal alleen maar meer waard worden.
Eerlijk gezegd heb ik jouw adressen wel eens te vilein gevonden, met te weinig begrip voor de werkelijke toestand. Maar achteraf zie ik wel dat eenzijdigheid en herhaling nodig waren om ze te laten doordringen. Met duizenden variaties moest een voor iedereen bevattelijke boodschap worden gebracht en dat is gelukt.

Er is een algemeen inzicht ontstaan dat iedere ingreep in een bestaande structuur maar heel kort voldoet, als hij al iets oplost, terwijl de bestaande situatie zeker nog veel langer dan vandaag meekan. Het oude staat een beetje buitenspel en daardoor ook min of meer buiten de tijd. Het nieuwe, vooral het eigentijdse maakt deel uit van een zo snel veranderende wereld dat thans overal gebouwen en verkeerssituaties van 25 jaar terug aan diepgaande herziening toe zijn. Er is een grote voorliefde ontstaan voor gebouwen van vroeger, van buiten onze tijd, voor ‘buitenspel-gebouwen’. Zelfs de jongere bouwkunst raakt hierdoor bemind.

Geurt, het evangelisatiewerk dat je de laatste veertig jaar hebt verricht, soms zelfs in speciaal daartoe opgerichte periodieken, zou wel eens het allerbelangrijkste kunnen zijn van het vele wat je voor Amsterdam hebt gedaan. Je hebt een geestelijk fundament gelegd voor het voortbestaan van de stad die ons het meest dierbaar is. Ik ben er van overtuigd dat de grote kentering in het inzicht niet is teweeggebracht door Provo of de krakers. Die hebben de goegemeente alleen wijs trachten te maken dat je in oude gebouwen meedogenloos kon kamperen zonder dat er enig onderhoud bij te pas hoefde te komen. Een geloof dat nu niet bepaald is aangeslagen.
Het inzicht echter dat je, wanneer je de oude dingen met zorg blijft gebruiken, vaak beter af bent dan wanneer je ze vervangt door snel verouderende eigentijdse producten, die hoofdstroom van stadsfilosofie heeft zich via het Aalsmeerder veerhuis over de stad verbreid.
En iedereen van deze ‘clan’ willen we daarvoor danken.

Ruud Meischke

(Uit: Binnenstad 254/255, november/december 2012)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.