Negentiende-eeuws kleurgebruik - Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad

Negentiende-eeuws kleurgebruik

Uitgebreid kleurenonderzoek is bij veel grote restauraties tegenwoordig een vast onderdeel, zoals bij de koepel van het sanatorium Zonnestraal in Hilversum en bij het interieur van het Rijksmuseum. Toch is er op het gebied van kleurgeving aan met name negentiende-eeuwse gebouwen in de dagelijkse praktijk van de erfgoedindustrie (gevelherstel, gevelreiniging, schilderbeurten) nog een wereld te winnen. Veel gebouwen uit die tijd staan er niet alleen onttakeld, maar ook verkleurd en verbleekt bij. Er bestaat ook een opvallend gebrek aan inzicht in zaken als het ‘schilderachtige’ kleurbegrip van de negentiende eeuw, in ‘oudhollandse’ en Art Nouveau kleurstellingen, in kleurtoeslagen en in de behandeling van felgekleurde grootformaat verblendstenen en geglazuurde stenen. In de opleiding van architecten en bouwopzichters zou hier meer aandacht voor moeten komen.
De houten bergloodsen van Artis langs het water van de Plantage Muidergracht.

Maar eerst een goed bericht over kleur. De houten bergloodsen van Artis langs het water van de Plantage Muidergracht (1874-1878) ondergaan een schilderbeurt. De schilderachtige reeks gebouwen van Artis-architect G.B. Salm krijgt zijn oorspronkelijke chaletkleuren terug. Onlangs is de eerste gebouw opgeleverd, in donker- en lichtbruine tinten, zoals chalets uit die tijd behoren te zijn. De kleurbehandeling is conform de negentiende-eeuwse doctrine over afwisselend en niet-monochroom, in één woord ‘schilderachtig’ kleurgebruik. De dragende delen en het beschotwerk zijn donkerbruin geschilderd, de niet-dragende lichtbruin-oker. Jarenlang waren deze gebouwen in een smetteloos modernistisch wit geverfd, alsof Le Corbusier himself ze had ontworpen. In 2005 werd hier en daar al een likje postmodern lichtgroen toegevoegd; achteraf gezien een eerste voorzichtige therapie tegen de twintigste-eeuwse kleurenfobie in de architectuur.

Historische prentbriefkaart van de Plantage Middenlaan (collectie Simon van Blokland). De derde erker van de hoek is Plantage Middenlaan 32.

Maar nu dan toch de oorspronkelijke kleuren. Gerlof Salm en later ook zijn zoon Bram (A. Salm) hebben beiden hun sporen verdiend op het gebied van kleurrijke houtbouw. Bram zou later studie maken van de bontgekleurde Russisch-Oekraiense isba-bouwkunst en liet dat merken bij de enkele jaren geleden opgeknapte remise van de Amsterdamsche Omnibus Maatschappij aan de Amstelveenseweg, ook al zo’n juweeltje. Waarschijnlijk kende hij de Russische kolonie Alexandrowka in Potsdam uit het begin van de negentiende eeuw, die overigens dezelfde kleurstelling heeft als de magazijnen van Artis. Maar sindsdien was er veel exactere informatie voorhanden. Onder meer Ernst Georg Gladbach, hoogleraar aan het Eidgenössisches Polytechnikum in Zürich, deed sinds 1860 onderzoek naar de bouwtechniek en de kleurrijke decoratie van Zwitserse, Noorse en Russisiche houtbouw. Zijn publicaties werden door architecten gelezen en worden ook nu nog wel geraadpleegd, zij het slechts als architectuurhistorisch naslagwerk.
Prentbriefkaarten van rond de vorige eeuwwisseling geven een indicatie van de oorspronkelijke kleuring van de Artis-magazijnen en laten inderdaad donker- en lichtbruin zien. Zulke afbeeldingen zijn weliswaar overdreven romantisch ingekleurd, maar ze volgen meestal wel de nuances, de lijnen en de verschillen in de gevels. Enige kleurcorrectie is wel vereist. Als enige bron voor kleurgeving zijn ze net iets te gevaarlijk. Er wordt tegenwoordig veel waarde gehecht aan het onderzoek naar kleurlagen – de bekende kleurladders – , maar ook dat is niet altijd betrouwbaar. Zo kreeg, naar verluidt, op grond van dergelijk onderzoek het kozijnhout van Die Port van Cleve zijn huidige oranjebruine kleur, die overigens verdacht veel overeenkomst vertoont met een populair nieuwbouwkleurtje. In de literatuur uit die tijd wordt echter duidelijk over een teakhoutkleur gesproken, wat meer overeenkomt met de toenmalige oudhollandse kleurcombinaties. Prentbriefkaarten, kleur- en bronnenonderzoek moeten elkaar wat dat betreft versterken dan wel corrigeren en bouwhistorische en architectuurhistorische methodieken elkaar aanvullen.

Kleur op erkers

Onlangs werd de oranjekleurige bakstenen gevel van Plantage Middenlaan 32, een pandje in Hollandse neorenaissance, gereinigd. Anders dan in de afgelopen decennia vaak het geval was, is het gladde oppervlak van de verblendsteen niet volledig kapot gereinigd. Maar fraai is anders, overal hinderlijke putjes. De gevel straalt weer helder als in zijn beginperiode, maar een directe noodzaak voor zo’n gevelreiniging was er niet. De verblendsteen is als het ware een zelfreinigende baksteen en de oranje kleur scheen ruim voldoende door het patina van de tijd. De kleurige gevel springt er nu nog meer uit dan hij al deed. Veel aardiger was het geweest om de twee verdiepingen hoge, witte erker zijn oorspronkelijke blank gelakte of teakhouten kleur terug te geven, zoals die op oude foto’s en prentbriefkaarten te zien is; op bijgaande afbeelding de derde erker vanaf de hoek. Dat kan natuurlijk nog steeds en hetzelfde geldt voor de twee andere erkers, waarvan de afgeschuinde erker op de hoek overigens zwaar verminkt is; ooit was dat een erkertoren met puntdak, een pendant van de gebombeerde hoekerkertoren van Bombach (zie Binnenstad 250) aan het eind van de Plantage Middenlaan.

De erker in de Maarten Jansz. Kosterstraat aan de achtergevel van Sarphatistraat 9.

Een aardig idee van de combinatie oranjerode verblendsteen met een teakhoutkleurige of ‘djatihouten’ erker geeft de achtergevel van Sarphatistraat 9. Heeft architect W. Hamer de voorgevel geheel van natuursteen gemaakt - in een mengeling van Hollandse en Franse late renaissance -, de achtergevel aan de Maarten Jansz. Kosterstraat laat een levendige afwisseling van kleuren en materialen zien die als typerend werd gezien voor de Hollandse renaissance. Het kleurige glas-in-lood versterkt dat nog. Hoewel lang niet alle neorenaissance gevels in Amsterdam zo’n fraaie verblendsteen hebben – in die tijd sprak men van ‘verglaasde’ steen - , zou deze gevel wat mij betreft als model kunnen dienen voor het terugbrengen van kleur op erkers en erkertorens. Kleuronderzoek is wat dat betreft geboden, want niet alle erkers hadden per definitie een donkerbruine, donkergroene of teakhouten kleur. Sommige waren van meet af aan wit of crêmekleurig, al naar gelang de aansluiting met het overige hout- en lijstwerk.

Reguliersgracht 57-59. De erker van Reguliersgracht 57-59.

Een ander voorbeeld van een blank gelakte erker, één van de oudste nog bestaande in de binnenstad, is die aan het door I. Gosschalk ontworpen huis Reguliersgracht 57-59. Interessante kleurstellingen treffen we aan bij twee panden van de architecten A. Jacot & W. Oldewelt in de Vijzelstraat, beide uit 1894 en beide hersteld in opdracht van de NV Stadsgoed (zie Binnenstad 223-224). Op nummer 107 zien we de beproefde ‘oudhollandse’ kleurcombinatie van (donker)rode verblendsteen met een donker- en lichtbruine erker, terwijl nummer 111, hoewel net als 107 in oudhollandse renaissance, met zijn gele verblendsteen en groene erkertoren op een afgeschuinde hoek vooruitloopt op een kleurstelling die rond de eeuwwisseling populair zou worden. In diezelfde tijd worden de kleuren vaak ook pastelachtiger, zoals te zien is bij het sigarenmagazijn ‘De Transvaalsche Boer’ op de hoek van de Herengracht en de Gasthuismolensteeg.

NZ Voorburgwal 177, tegenwoordig het Japanse Centrum. De erker van NZ Voorburgwal 177.

Rond de eeuwwisseling maken donkere en diepe kleuren immers plaats voor lichte, al blijven ‘oudhollandse’, blank gelakte erkers nog lange tijd in zwang bij gevels die ontworpen zijn in de voorzichtige transitiestijl tussen Hollandse renaissance en Art Nouveau, waarin onder meer J. Duncker uitblonk. Zie bijvoorbeeld diens Nieuwezijds Voorburgwal 177, tegenwoordig het Japanse Centrum.

Verbleekte kleurenpracht

Gevels uit de periode 1860-1914 zijn over het algemeen kleurrijker dan die uit de periode 1630-1860. Toch is het gedempte kleurenpalet uit die laatste periode vaak nog maatgevend bij de behandeling van gevels uit de late negentiende eeuw. Het oliën van gevels bijvoorbeeld is voor die periode vaak zeer hinderlijk. Het maakt de constructieve polychromie (veelkleurig metselwerk) onzichtbaar of geeft snoeiharde contrasten bij (neo-)Hollandse renaissance gevels, waarvan het metselwerk is geolied en het pleisterwerk of de natuursteen gewit. Wit en zwart zijn immers elkaars tegenpolen, terwijl rood en wit of bruinrood en crême of bentheimer een veel zachtere kleurstelling geeft. Bovendien moet je bij oliën (en trouwens ook bij reinigen) uitkijken of de gevel geen deel uitmaakt van een compositie van meerdere gevels, waardoor de eenheid verbroken wordt.
Kleurloos, of liever bleekjes is tegenwoordig de baksteen van het pand Singel 512 van Gosschalk. Als sluitstuk van het herstel enkele jaren geleden werd de gevel feestelijk ‘gereinigd’, want dan wordt het in veler ogen pas echt mooi. Weg is de rode kleurtoeslag op de Duitse Ruhrort-baksteen die Gosschalk had uitgezocht om de Oudhollandse roodwitte kleurstelling, waarvan hij de pionier was – we schrijven 1865 - te accentueren. In Nederland was zo’n steen toentertijd nog niet te vinden. Gebeurde deze gevelreiniging uit onbegrip of was men beducht voor een eventuele dampdichtheid van de kleurtoeslag? In ieder geval is een deel van de pionierwaarde van dit rijksmonument verloren gegaan. Een gekleurde prent van Tim Killiam laat die dieprode kleur nog duidelijk zien. Een vergelijkbare kleurtoeslag is overigens nog te zien bij het curieuze hoekpand Prins Hendrikkade 9.

Brouwersgracht 93 met sgraffito-decoraties boven de vensters.

Veel negentiende-eeuwse panden zijn veel kaler en kleurlozer dan ze oorspronkelijk waren. Om slechts één voorbeeld te noemen: het hoekwinkelpand Utrechtsestraat 18 mist niet alleen zijn ijzeren nokkammen en heeft een sierlijk gedecoreerde witte in plaats van blank gelakte erker, het is ook een van de panden waar neorenaissance sgraffito-decoraties in de boogtrommels weggewerkt zijn achter lelijk wit pleisterwerk. Wat voor stralende kleuren sgraffito’s kunnen geven, laat het pand Brouwersgracht 93 zien (mogelijk naar ontwerp van J.N. Landré) waar ze enkele jaren geleden in hun rood-met-gouden kleurenpracht hersteld zijn.

Kleur op bruggen

Nog even terug naar het ’schilderachtige’ kleurgebruik van de negentiende eeuw. In het Hortusplantsoen heeft de ijzeren balustrade van de stenen boogbrug naar de drieklimatenkas langs de Nieuwe Herengracht tegenwoordig een grachtengroene kleur. Deze brug wijkt af van de meeste bruggen van assistent-stadsarchitect Willem Springer in de binnenstad, die naar Parijs’ voorbeeld een ijzerconstructie hebben en een gecombineerde natuurstenen en gietijzeren balustrade met afwisselend kleurgebruik. Met zijn gemetselde boog verwijst de Hortusbrug naar de zeventiende eeuw. Net als de meeste ijzeren bruggetjes in het Vondelpark lijkt hij mij ten onrechte monochroom grachtengroen geschilderd. (Een uitzondering is de schilderachtige Hulstbrug in het Vondelpark, die wél groen en wit is, wat hem meteen een stuk levendiger dan de andere maakt.) Het ziet er naar uit dat de sierlijke balusters, de ronde sierknoppen en de verdwenen ‘lampadaires’ op de balustrade van de Hortusbrug donker gekleurd waren en de gecanneleerde postamenten lichter gekleurd. Bij het sierlijke, ultralicht geconstrueerde ijzeren bruggetje verderop, naar de achteringang van de Hortus, laten foto’s van Jacob Olie een duidelijke kleurafwisseling zien, waarbij de brug zelf waarschijnlijk groen was geschilderd, de vier ronde pijlers op de hoeken iets van grijs of wit, de bloemschalen weer groen, enzovoorts. De late negentiende eeuw hield nu eenmaal niet van monochroom. Te saai, te classicistisch. Non multum sed multa, niet veel maar velerlei, dat was het schoonheidsideaal. Wat dat betreft is het de vraag of men aan een uniform stadsbeeld moet vasthouden, met grachtengroen voor alle bruggen, of dat men de negentiende-eeuwse ‘schilderachtigheid’ moet honoreren. Zeker in groene omgevingen als het Vondelpark en het Hortusplantsoen zou ik voor het laatste kiezen. Maar ook voor gevelwanden in de binnenstad kan het geen kwaad om hier en daar wat stevige kleurtoetsen aan te brengen.

Wilfred van Leeuwen

(Uit: Binnenstad 257, maart/april 2013)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.