Sint Jakob, de roomse burcht aan de Plantage Middenlaan - Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad

Sint Jakob, de roomse burcht aan de Plantage Middenlaan

Op voorstel van de Commissie Dooijes werd de Plantage in 1980 voorgedragen als ‘Beschermd stadsgezicht’. (1) Niet lang daarna verzuchtte Ine Vermaas, vermaard historicus en pleitbezorger van de Plantage bij uitstek, in Ons Amsterdam: ‘Wie schetst echter de verbazing en verbijstering van zowel bewoners als betrokken ambtelijke en adviserende deskundigen wanneer, na maanden van geruchten, blijkt dat het bejaardentehuis Sint Jacob aan de Plantage Midden-laan eind 1981 gesloopt moet worden om plaats te maken voor een modern verpleegtehuis’. (2)
Het voormalige bejaardentehuis Sint Jacob, Plantage Middenlaan 52, in 1982 (foto: SAA, Ino Roël)

Het voormalige Rooms-Katholiek Oude Mannen- en Vrouwenhuis was een onvervangbaar onderdeel van de gevelwand en wanneer de gebruikers niet meer in het gebouw zouden passen, zou nieuwbouw elders in de stad toch een betere keuze zijn. Hoe vooruitziend was haar blik, want ook de vervangende nieuwbouw uit 1983 van het architectenbureau Peeters en Boogers zal binnenkort het lot delen van het Sint Bernardus aan de Marnixstraat en worden gesloopt. (3)

Het omvangrijke legaat van fl. 350.000 van de op 28-jarige leeftijd gestorven Jacob Diederik Lodewijk Emanuel Baron van Brienen, Heer van Stad aan ’t Haringvliet, gaf in 1858 de katholieke bejaardenzorg een nieuwe impuls. Voor niet-armlastige katholieke bejaarden waren in de zeventiende en de achttiende eeuw hofjes beschikbaar. Na de stichting in 1825 van Brentano’s Steun des Ouderdoms, Herengracht 595, en de bouw van het St.-Bernardusgesticht aan de Oude Turfmarkt in 1840, koos het Roomsch-Catholijk Oud Armenkantoor voor de bouw van een grootschalig en vernieuwend bouwplan voor minvermogenden. Sinds de vierde vergroting van 1662 was de overzijde van de Amstel bestemd voor bijzondere functies, zoals het Besjeshuis of Amstelhof (1681-1683) van de Diaconie. Na de opheffing van beperkende bepalingen voor woningbouw in 1858 werd de Plantage gebruikt als locatie voor de bouw van dergelijke instellingen, ook aan de overzijde van de Weesperstraat bevonden zich al twee grote gebouwen voor charitatieve zorg. Aan de Nieuwe Keizersgracht was het Lutherse Diaconiehuis gesticht voor armlastige mannelijke en vrouwelijke bejaarden (C. Hoeneker, 1769-1771). (4) Kort daarna werd naar ontwerp van stadsarchitect Abraham van der Hart (1747-1820) het Spin- en Nieuwe Werkhuis (1779-1782) aan de Nieuwe Kerkstraat gebouwd. Dit enorme gebouw (102 x 51 meter), gesticht tijdens economische neergang om zowel opvang en zorg te bieden als verbetering door werk, had zowel binnenslands als buitenslands veel lof geoogst. Gescheiden door een centraal middengebouw hadden vier afdelingen hun plaats gekregen aan vier binnenplaatsen met omlopende zalen. (5) Na aankoop van het terrein tussen de Plantage Lepellaan en de, later gedempte, Nieuwe Prinsengracht, stelden de architecten A.N. Godefroy, W.J.J. Offenberg en de stadsrooimeester Th.W. van Outersterp (6) in 1860 het programma van eisen op voor een gebouw bestemd voor 400 personen. (7) Samen met de architecten P.J. Hamer (1812-1887) en Cornelis Outshoorn (1810-1875), de architect van het Paleis voor Volksvlijt, werd dit drietal uitgenodigd als juryleden voor de prijsvraag. Er waren zeven ontwerpen ingekomen; het ontwerp van Jan van Maurik werd aangekocht en met fl. 500,- beloond, Hendrik Springer kreeg fl. 300,-. (8) Wegens het grote verschil tussen de beschikbare bouwsom van fl. 200.000 en de raming van het plan Springer van fl. 445.000, kwam geen van beide plannen in aanmerking voor uitvoering. De afloop komt bekend voor: een in deze impasse door het jurylid Offenberg opgemaakt plan werd voorgedragen voor uitvoering. Hij werd bijgestaan door Theodoor Asseler (1823-1879) (9) als hoofdopzichter en door J.W. Offenberg, J. Timmer en G.J. en J. van Straaten.

Huidig interieur van de kapel (foto: Wim Ruigrok)

Van het oorspronkelijke, onvoltooid gebleven ontwerp van architect Wilhelmus Jacobus Johannes Offenberg (1812-1873) resteert alleen de kapel in de middenvleugel. Deze was bedoeld als het hart van een carré met twee omsloten binnenplaatsen. (10) Het hoofdgebouw aan de Plantage Middenlaan werd in 1866 gebouwd zonder de hoekrisalieten waarvoor wel de fundamenten waren gelegd. In 1881 vond alsnog de voltooiing plaats door P.F. Laarman in dezelfde vormgeving als het bestaande werk. In plaats van de ontbrekende zijvleugels werd aan de Plantage Prinsenlaan (Westermanplantsoen) in 1911 het Sint-Barbarahof gesticht naar ontwerp van Peter Johannes Bekkers (1859-1918). (11) Aan de Plantage Lepellaan kwam in 1958 een laagbouw voor recreatie en sanitaire voorzieningen. Na 1970 maakte het vigerende bejaardenhuisconcept van individuele wooneenheden korte metten met de gemeenschappelijke huisvesting op zalen, en tussen 1973 en 1977 werden het Barbarahof en de gebouwen aan de Muidergracht en de Lepellaan vervangen door nieuwe woonvleugels. In 1983 viel tenslotte ook het hoofdgebouw onder de slopershamer; alleen de middenvleugel met de kapel werd gespaard. De sloopplannen voor Sint Jacob leidden tot protest bij omwonenden en monumenteninstanties; de waarden van het gebouw waren tijdig herkend en hadden al in 1970 geleid tot de voordracht als Rijksmonument. (12) Maar, en dat was een slecht teken, in de voordracht aan de Amsterdamse gemeenteraad ontbrak Sint Jacob, want waar het Rijk met de ene hand monumenten inventariseerde, weigerde de andere hand renovatiesubsidie voor bestaande verzorgingshuizen. In 1982 verschenen op de ramen pamfletten ‘Geen gesol, wij bejaarden worden dol’. Een georkestreerde handtekeningenactie op straat door het personeel onder de leuze ‘Wij willen bouwen nu’ zette de besluitvorming onder druk en resulteerde in de sloopvergunning.

Exterieur en interieur

W.J.J. Offenberg, Plattegrond van de ‘kruisvormige’ kapel ter hoogte van de galerij, 1866 (Archief Bouw- en Woningtoezicht, SAA)

Met een hoogte van meer dan 20 meter vormde Sint Jacob het hoogtepunt van de Plantage Middenlaan. Ook de omvang, een geheel bouwblok, was met een lengte van 118 meter naar Amsterdamse maatstaven indrukwekkend in vergelijking met het Paleis voor Volksvlijt (126 meter) en het Rijksmuseum (134 meter). De ingangspartij, met een monumentale triomfboog over drie bouwlagen, was een onuitwisbaar herkenningspunt voor iedere bezoeker. Boven de ingang stond het beeld van de H. Jacobus (Louis Royer, 1793-1868) als beschermer van een oude man en oude vrouw aan zijn voeten (J.T. Stracké, 1817-1891). (13) Deze beelden zijn in de nieuwbouw herplaatst. De middenvleugel heeft dezelfde opbouw als het gesloopte hoofdgebouw: drie bouwlagen en een mezzanino onder een schilddak met blauwe pannen. De tuingevels zijn verdeeld in zeven traveeën met twee vensters per travee. De uitbouwen in de oksels tussen de lengte- en de dwarsas dienen als liftkokers voor personentransport naar de bovenzalen en goederenverkeer tussen de kelders en de opslag op de zolders. De gevels vormen een compositie in baksteen, met natuursteen voor basementen en waterlijsten, die karakteristiek is voor complexen voor gemeenschappelijk verblijf van de jaren zestig van de negentiende eeuw. Een vergelijkbaar voorbeeld is het Binnengasthuis in Amsterdam (1870-1875) van A.N. Godefroy (1822-1899) en stadsarchitect Bastiaan de Greef (1818-1899). De baksteen van de uitkragend gemetselde muizentandlijst, tussen de begane grond en de verdieping, en de kroonlijst tussen de tweede verdieping en de mezzanino geeft de gevel reliëf. De gietijzeren ventilatieroosters en ankers, onmisbaar voor het binnenklimaat, zijn in de gevelcompositie opgenomen in de omlijsting van de venstertraveeën. (14)

Kapel

J.M.A. Rieke, Interieur van de kapel in 1885 (SAA)

Het interieur van de kapel heeft de vorm van een kruiskerk. De middenruimte wordt geflankeerd door galerijen en is twee verdiepingen hoger dan de lagere zijvleugels. De situering van de kapel tussen eetzalen gold destijds als een voorbeeld van multifunctionaliteit: ‘zoodat, wanneer de kolossale deuren, reikende tot aan het plafond en de geheele breedte beslaande van de vier zijwanden van de kapel, geopend zijn, het geheel eene kruiskerk uitmaakt, eene ruimte zoo groot, dat menige kerk zulk eene oppervlakte op verre na niet aanbiedt’. (15) In de hoeken schragen brede muurdammen tussen pilasters met korintische kapitelen het opgaand werk en de kap. Daartussen dragen balken met een grote spanwijdte de galerijen. De lage zijbeuken worden door segmentbogen in traveeën verdeeld. Het gewicht van de zoldering, oorspronkelijk een cassettenplafond met daklicht, wordt door consoles overgebracht op een koof boven de lunetten, die op de draagbalken boven de galerijen rusten. Op de oostelijke gaanderij staat het door de fa. Adema in 1871 gebouwde orgel, op de andere gaanderijen bevonden zich zitplaatsen.
De wijzigingen in het interieur illustreren de veranderingen in gebruik en modegevoeligheid door de tijd. In aanzet ademde de kapel het academisch Antwerps classicisme van het kerkinterieur van De Duif (Th. Molkenboer, 1857), dat voorafging aan de neogothiek. Geleidelijk veranderden de kleurstelling en vormgeving; de tussen 1942 en 1952 door Willem Maria Martinus Mengelberg (1897-1969) ontworpen gebrandschilderde ramen met voorstellingen gewijd aan de instelling, de Liefdezusters van Tilburg, de H. Jacobus en verschillende strofen uit het Credo, geven blijk van een andere inspiratiebron. Zoals wel vaker was het honderdjarig jubileum in 1966 fataal voor het bestaande interieur; de oorspronkelijke inrichting werd verwijderd en alle kleur verdween ten gunste van wit gestucte wanden. Zelfs het orgel werd wit geschilderd. De kruiskerk werd door wanden gecompartimenteerd en na de sloop van de recreatievleugel in 1972 kreeg de middenvleugel de bestemming van recreatiezaal. Onder het orgel werd een podium aangebracht. Sindsdien is de kapelfunctie tot de zuidvleugel beperkt.

Bouwmeester tot in merg en been

W.J.J. Offenberg was een representant van de vakmatig geschoolde bouwmeester in contrapositie met de ontwerper-kunstenaar en de bouwkundige-makelaar. Het In memoriam in De opmerker schetst zijn positie in het toenmalige architectenklimaat: ‘Hij had van jongs af hard gewerkt en zich van timmermansgezel tot een voornaam en geëerd bouwmeester weten te vormen. Dat deed hij niet door zoo-genaamd marktgeschreeuw, noch door het in het werk stellen van vriend, pen of pers, en allerminst door het aanwenden van ongeoorloofde dingen. (16) Van 1836 tot 1863 was hij als onderwijzer bouwkunst verbonden aan de Koninklijke Academie te Amsterdam. Daarnaast was hij tussen 1858 en 1870 actief lid van de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst. (17) Zijn prijsvraagontwerpen voor een korenbeurs, een prijstekening voor de Koninklijke Academie uit 1833 en een ‘Vorstelijk paleis voor een der voorname steden des Rijks’ uit 1843 brachten hem lof. (18)
Offenberg was de schoonzoon van de bouwkundige Johannes van Straaten (1781-1858), met wie hij samen het ontwerp had gemaakt voor de in 1841 voltooide Mozes- en Aäronkerk, dat na supervisie door de Brusselse architect T.F. Suys door Th. Molkenboer in bestek zou zijn vastgelegd. Ook waren zij beiden verantwoordelijk voor het ontwerp van de St-Ignatiuskerk (‘De Zaaier’), Keizersgracht 22, uit 1835-1837. (19) Tot na 1850 vulden verbouwingen van bestaande panden een belangrijk deel van zijn orderportefeuille. Na 1860 kon Offenberg zich profileren als architect van het ‘grote gebouw voor gemeenschapsverblijf’. Werd Sint Jacob zijn magnum opus, het
Nederlands-Israëlitisch Krankzinnigengesticht aan de Nieuwe Keizersgracht 102-110 (1865) en het Nederlands-Israëlitisch Meisjesweeshuis aan de Rapenburgerstraat 171 brachten hem eveneens bekendheid. Helaas zijn deze beide grote instellingen in de jaren tachtig van de twintigste eeuw vakkundig met de grond gelijk gemaakt. Eerder al, in 1960, zijn ook de twee woonhuizen aan het Frederiksplein (1869) afgebroken om plaats te maken voor het kantoorgebouw van P. Zanstra voor de British Petroleum (1961).
Offenberg kon zich baseren op de Amsterdamse traditie van charitatieve gebouwen met verblijfszalen rond een binnenplaats als uitwerking van het achttiende-eeuwse typologisch concept voor het ‘grote gebouw voor gemeenschappelijk verblijf’, hetzij een arsenaal, een ziekenhuis, een kazerne of een oudeliedenhuis. In functionele en typologische zin waren het Oudemannenhuis aan de Kloveniersburwal (1754-1757), ontworpen door G.F. Meybaum (1747-1786, directeur-generaal van het Stadsfabriekambt), en het hierboven genoemde Nieuwe Werkhuis van Abraham van der Hart de meest voor de hand liggende voorbeelden. Het initiatief voor de bouw van Sint Jacob als liefdadige instelling voor de huisvesting van weinig draagkrachtige katholieken paste zodoende in een ontwikkeling die al in de late zeventiende eeuw was ingezet; de centraal gelegen kerkzaal kwam al eerder voor in het Amstelhof en het Lutherse Diaconiehuis. In het werkklimaat van de bouwkundigen van zijn tijd kan hij bekend zijn geweest met recente voorbeelden als het prijswinnende ontwerp van T.F. Suys voor een Centraal Gasthuis (Prix de Rome 1812) van de Ecole Imperiale des Beaux-Arts (1807-1814). (20)
Destijds stond de regenten voor ogen ‘dat bij gedeeltelijke uitvoering het onvoltooide later zonder schade voor het geheel zou kunnen worden bijgebouwd, en voorkomen werd dat wat eenmaal was daargesteld, later wederom zou moeten worden afgebroken, wanneer tot verdere uitbreiding werd besloten’. (21) Er sprak een langetermijnvisie uit, die geheel tegengesteld is aan de huidige kortetermijnvisie, waardoor de voorspelling uit 1981: ‘Schade aan de fundamenten is pas te verwachten na 25 jaren, ook een verpleeghuis is dan verouderd’ nu bewaarheid wordt. (22) De sloop van Sint Jacob in 1983 blijk achteraf onnodig te zijn geweest. Het behoud van de middenvleugel met de kapel, inmiddels gemeentelijk monument, verdient alle aandacht omdat bij de huidige sloopplannen voor het complex uit 1983 de bestemming van dit gemeentelijk monument ongewis is. Feitelijk moet onze bezorgdheid en aandacht uitgaan naar alle nog bestaande monumentale bejaardenhuizen, die in het huidige beleid een onzekere toekomst tegemoet gaan, in het bijzonder naar het Lutherse Diaconiehuis aan de Nieuwe Keizersgracht.

Guido Hoogewoud

Voetnoten:
1. De stedelijke monumentencommissie van Amsterdam (1967-1991), die de naam zou dragen van haar voorzitter Dick Dooijes, Stadsarchief Amsterdam, inventarisnummer 924 (archief van D. Dooijes).
2. I. Vermaas, ‘De Plantage met Sint Jacob’, Ons Amsterdam 33 (1981), p. 322-324.
3. Guido Hoogewoud, Betreurd St Bernardus van architect Paul J. de Jongh, Binnenstad 256 (2013), p. 4-6.
4. R.C. Meischke e.a. Huizen in Nederland: Amsterdam, Zwolle 1995, p. 113, 114.
5. F. Schmidt, ‘Armoede en verlichting, het nieuwe werkhuis in Amsterdam en Abraham van der Hart’, Paleizen voor prinsen en burgers, architectuur in Nederland in de achttiende eeuw, Zwolle, 2006, p. 145-187.
6. Th.W. van Outersterp, stadsrooimeester 1835 -1858, G. Hoogewoud ‘Het instituut van rooimeesters en bouwmeester’ Maandblad Amstelodamum 91 (2004, 5, 3-17)
7. B. de Ridder, ‘Het R.K. bejaardentehuis St. Jacob’, Ons Amsterdam 19, 1967, p. 98-105.
8. Johannes van Maurik (1802-1893) was stadsarchitect van Utrecht (1838-1845), directeur Stadswaterwerken Amsterdam (1845-1856), ontwerper Grote Museum van Artis (1850-1855). Hendrik Springer (1805-1867), broer van de schilder Cornelis Springer (1817-1891) en van Willem Springer (1815-1907), de assistent-stadsarchitect, ontwierp het neogotisch interieur van de Amstelkerk (1840) en nam deel aan prijsvragen van de Beurs van Zocher (1836) en voor het Paleis voor Volksvlijt (1856).
9. Th. Asseler trad zowel op als uitvoerder en opzichter, o.a. voor zijn oom Th. Molkenboer, als als zelfstandig architect. Zie H.P.R. Rosenberg, De 19de- eeuwse kerkelijk bouwkunst van Nederland, ’s-Gravenhage 1972, p. 92. Voor Molkenboer was hij de opzichter bij de bouw van De Duif, als architect ontwierp hij o.a. de St-Urbanuskerk van Duivendrecht (1877-1878). Van hem rest in Amsterdam een klein oeuvre dat wellicht aanleiding zal zijn voor een artikel in de architectenreeks van V. van Rossem.
10. ‘Het Roomsch-Katholiek 0ude-Mannen- en Vrouwenhuis, genaamd St.-Jacob, te Amsterdam’, Bouwkundige Bijdragen 23 (1877), p. 102-114, platen I-VI.
11. A.W. Gerlach, ‘P. J. Bekkers (1859-1918), een architect als kleine zelfstandige’, Bulletin KNOB 83 (1984), 2, p. 53-87.
12. Notulen van de honderdachtste vergadering van de Rijkscommissies voor de Monumentenzorg en voor de Monumentenbeschrijving op 4 sept. 1970.
13. Y. Koopmans, Muurvast en gebeiteld, beeldhouwkunst in de bouw 1840-1940, Rotterdam 1997, p. 322, 328.
14. G. Borgstein, beschrijving van Plantage Middenlaan 52, R.K. Zorgcentrum Sint Jacob, BMA 8 december 2003.
15. Bouwkundige Bijdragen 23 (1877), zie noot 4.
16. ‘Wilhelmus Jacobus Johannes Offenberg’, De Opmerker 8 (1873), bijvoegsel 7, 31ste Algemene Vergadering 28 mei 1873 in ‘De Koningskroon’ in Amsterdam.
17. In 1862 en 1864 trad Offenberg op als jurylid voor de prijsvragen voor een weeshuis voor honderd kinderen en een dorpskerk met toren voor de hervormde gemeente.
18. C.P. Krabbe, Ambacht Kunst Wetenschap, bevordering van de bouwkunst in Nederland (1775-1880), Zwolle/Zeist 1998.
19. Th. von der Dunk, ‘Een kathedraal voor Amsterdam (vervolg), het bouwproject voor de kathedraal’, epiloog ‘Van kathedraal tot parochiekerk’, De Sluitsteen, bulletin van het Cuypersgenootschap 4 (1988), 1, 3-17 (13).
20. C.P. Krabbe, zie noot 12, p. 58.
21. Bouwkundige Bijdragen 23 (1877), zie noot 4.
22. H. van den Oever, ‘Sint Jacob’, Ons Amsterdam 33 (1981), p. 324.

(Uit: Binnenstad 259, juli/augustus 2013)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.