Honderd jaar kerkenproblematiek

‘Moeten alle kerken worden bewaard?’ zo vroeg redactielid Wilfred van Leeuwen zich onlangs af. Gezien het feit dat tussen 1900 en 2008 meer dan 33 kerken zijn afgebroken, is het behoud van het Amsterdamse kerkenbestand een moeizaam proces geweest. Markante gebouwen gingen verloren, zoals de Nieuwezijds Kapel of ‘Heilige Stede’ aan het Rokin, de St-Catharinakerk aan het Singel en de Koepelkerk aan het Leidsebosje. De Spaarndammerbuurt raakte haar Maria Magdalenakerk kwijt als herkenningspunt, de Sint-Willibrorduskerk wordt node gemist aan de Amsteldijk en de Transvaalbuurt verloor haar Polderwegsynagoge. Hoe heeft het ooit zover kunnen komen?
De voormalige Maria Magdalenakerk in de Spaarndammerbuurt De voormalige Willibrorduskerk aan de Amstel

De sluiting van de Oudezijds- of St-Olofskapel aan de Zeedijk, nu honderd jaar geleden, markeert het begin van ‘de kerkenproblematiek’. In de afgelopen eeuw hebben veel kerkgebouwen hun betekenis verloren, sommige werden gered door hun monumentale waarde, maar wanneer de oorspronkelijke functie wegvalt, blijft het lastig om een goede bestemming te vinden.(1) De eerste kerken die sneuvelden, dankten dat lot paradoxaal genoeg aan het succes van de katholieke emancipatie in de negentiende eeuw. ‘Ons’ Lieve Heer op Solder’ aan de Oudezijds Voorburgwal bleef weliswaar gespaard, maar de Fransche Kerk aan de Nieuwezijds Voorburgwal, ‘De Boom’ aan het Rokin en ‘De Star’ aan het Rusland gingen verloren.(2) Veel van deze verfijnde zeventiende-eeuwse huiskerken kregen niet de kans om zich in de stad te verankeren omdat zij plaats maakten voor de ‘torens van Cuypers’, waardoor het stadsprofiel getransformeerd werd tot een waar ‘Amstelodamum Sacrum’.(3) Dat silhouet was echter een ‘beeld van een ballon die overdreef’, zoals Kees Fens schetste (4); de herwaardering van de jongere bouwkunst na 1960 heeft de achteloze omgang met deze negentiende-eeuwse kerken niet kunnen voorkomen. Ook de kerken uit het interbellum en de wederopbouwperiode kregen niet de tijd om zich in het stadsbeeld te verankeren. De kerkbouw als fenomeen is afgerond en na de ontijdige afbraak van zoveel bijzondere kerkgebouwen zal wat ons nog rest aan jongere kerkgebouwen hopelijk beter beschermd worden.

De voormalige Catharinakerk aan het Singel De voormalige De Star aan het Rusland Het monumentale orgel uit de Star kreeg een plaats in de Augustinuskerk aan de Postjesweg.

Leek het sluiten van kerken aanvankelijk een binnenstadsprobleem, na 1960 kwam de negentiende-eeuwse gordel aan de beurt en in 2014 is de gehele stad aandachtsgebied. In een natuurlijk proces – want de ‘binnenstadsontvolking’ hield gelijke tred met de stadsuitbreiding. Vanaf het begin van de twintigste eeuw verhuisde de ‘kerken’ mee met de gelovigen en werd de inventaris van de opgegeven binnenstadskerken overgebracht naar nieuwe kerkgebouwen. De Franciscanen herplaatsten de inventaris van de hierboven vermelde ‘Boom’ naar de nieuwe gelijknamige kerk aan de Admiraal de Ruyterweg (P.J. Bekkers, 1909-1911).(5) De Augustijnen installeerden na de sluiting van ‘De Star’ in 1929 het monumentale ‘Cavaillé Coll-orgel’ in de Augustinuskerk aan de Postjesweg (K.P. Tholens, 1927-1932, gesloopt in 1977).(6) Alleen de Mozes- en Aäronkerk, die zou worden verlaten voor nieuwbouw aan de Beethovenstraat (K.P. Tholens, 1921-1936), bleef door toeval dit lot bespaard.(7)
De sluiting van de Zuiderkerk in 1928 ging vooraf aan de bouw van de Elthetokerk aan de Insulindeweg (C. Kruyswijk, 1928) en de Ronde Lutherse Kerk aan het Singel sloot in 1935 haar deuren na de bouw van de Maarten Lutherkerk aan de Dintelstraat (Ferd. Jantzen, 1937). De Eilandskerk op het Bickerseiland, uitwendig een strenge baksteenbouw en inwendig een statige zuilenhal, werd in 1939 gesloten. ‘Het heeft zeker niet aan pogingen ontbroken dit historische gebouw, dat reeds zoveel geleden had door het verlies van haar toren, te redden’.(8) In 1952 is de Eilandskerk gesloopt; een voorstel om deze kerk in de oorlogsjaren in te richten tot gaarkeuken voor gemeentearbeiders, kwam niet tot uitvoering.(9) Wel kon haar ruimte worden benut voor een proefopstelling van het Aireysysteem.(10) Dit Engelse bouwsysteem werd door J.F. Berghoef en H.T. Zwiers toegepast voor de woningbouw in West, o.a. aan de Burgemeester de Vlugtlaan. Het bedrijfsgebouw dat op de plaats kwam van de Eilandskerk is nog steeds een schandvlek in het stadsbeeld.

Restauratie van de Oude en Nieuwe Kerk na het interbellum

Interieur van de Nieuwe Kerk Oude Kerk

Het onderhoud van de grote middeleeuwse en zeventiende-eeuwse binnenstadskerken van de Hervormde Gemeente, ‘de canon’, was tot 1920 in handen geweest van de architecten P.J. Hamer (1839-1879), A.J. van Beek (1879-1881) en C.B. Posthumus Meyjes (1881-1919). Architect A.A. Kok wilde de Oude Kerk restaureren door onderhoud zoals aan de Hamburgerkapel (1914).(11) Ook aan de Nieuwe Kerk, (west- en zuidgevels, 1907-1912) zijn deelrestauraties uitgevoerd.(12) In tegenstelling tot in Utrecht, waar al in 1860 voor de Dom restauratiesubsidie was aangevraagd, zijn de grote kerkrestauraties in Amsterdam laat op gang gekomen. Gezien de controverse over de ondanks grote tegenstand in 1908 gesloopte Nieuwezijds Kapel (1347, 1452-1908) – ‘een herboren Amsterdams Lourdes’ – , lag wellicht aan deze terughoudende opstelling de vrees voor al te katholieke restauraties ten grondslag.(13)
Functieverlies en stijgende onderhoudskosten maakten het interbellum voor de hervormde binnenstadskerken tot een zware beproeving. De lotgevallen van de Oude Kerk illustreren het moeizaam proces van behoud. Nadat in 1928 een ouderling in de kerkenraad had gepleit voor afbraak van de kerk en exploitatie van het bouwterrein, kwam de burgerij, met als belangrijk promotor dr. J.H. Gunning, de rector van het Amsterdams Lyceum, in actie.(14) In de opmaat naar de gewenste restauratie werd in 1938 het comité van Vrienden van de Oude Kerk opgericht. Arnoldus Noach wijdde zijn proefschrift aan de Oude Kerk, dr. M.J.A. de Vrijer bracht als nieuwe predikant nieuwe bloei in de hervormde kerkdiensten (15) en beroemde organisten, zoals Marcel Dupré, organist van de Sainte Clotilde te Parijs, gaven concerten op het Vater-Müllerorgel. Na de oorlog werd in 1948 werd de draad weer opgepakt met een tentoonstelling over glasschilderkunst,(16) maar in 1951 bleek de toestand van de kerk zeer verslechterd, met sluiting en omvangrijk noodherstel tot gevolg. Bij gebrek aan bestuurlijke prioriteit – het Amsterdamse Bureau Monumentenzorg bestond nog niet – , deed prof. N.J. Bakhuizen van den Brink zijn oproep tot herstel van de Oude Kerk als een belang van de eerste orde: ‘In het gehele land is de plof van het vallende gesteente gehoord’. Er is aanleiding te over om een herhaling van de tragische geschiedenis der Nieuwezijds Kapel te voorkomen [...]’.(17) In 1955 ging eindelijk de restauratie door de Stichting De Oude Kerk (18) van start met subsidies van het Rijk, de provincie en de gemeente.
In 1958 werd ook een begin gemaakt met de restauratie van de Nieuwe Kerk, die, anders dan bij de Oude Kerk, niet gefaseerd werd uitgevoerd, maar waarbij de kerk voorafgaande aan de restauratie (1959-1980) geheel werd ontruimd.(19) Intussen was, naast restauratie en onderhoud, de functie c.q. de economisch rendabele exploitatie steeds meer op de voorgrond komen te staan. De Nieuwe Kerk op de Dam symboliseert deze wisseling van spoor; haar gebruik als kunsthal op het centrale plein naast een koninklijk paleis is in vergelijking met andere Europese steden een uitzondering. Eens was deze kerk voor vele Amsterdammers de plek voor belangrijke rituelen, zoals de doop, de kerkelijke belijdenis en het huwelijk. Jerome Heldring, fameus columnist van NRC-Handelsblad, herinnerde zich dat hij op vijfjarige leeftijd gedoopt werd in de Nieuwe Kerk, gekleed in een wit tricotpakje met een blauw randje. Aan die gebeurtenis refereerde hij in een reactie op de impressies van William Rees-Mogg, oud-hoofdredacteur van The Times, van diens bezoek aan de ‘ontheiligde’ Nieuwe Kerk. Die ervaring had hem doen constateren dat de Nederlandse cultuur “één van de meest geseculariseerde samenlevingen is die ik ken, misschien degene waarin liberalisme (in de zin van los van God of gebod, J.H.) het verst is doorgevoerd”. Heldring had als Amsterdams burger de ‘ontheiligde’ Nieuwe Kerk zo niet ervaren, maar ja, hij beschouwde zich als een ‘gevallen engel’.(20) De restauratie van de Nieuwe Kerk was juist op tijd gereed voor de inhuldiging van koningin Beatrix in 1980. De werken aan de Oude Kerk kwamen voortijdig ten einde; twee restauraties zouden nog volgen.(21) Maar in deze jaren was Amsterdam er slecht aan toe, de stad was arm en de binnenstad en de negentiende-eeuwse buurten waren sterk verpauperd.

De grote zeventiende-eeuwse kerken

Zuiderkerk Oosterkerk

Door jarenlang achterstallig onderhoud waren ook de vier door de stad gebouwde kerken uit de zeventiende eeuw, de Noorder-, de Ooster-, de Zuider- en de Westerkerk in groot verval geraakt. Dankzij jaarlijkse onderhoudscycli door de dienst Publieke Werken verkeerden de torens, die in eigendom van de stad zijn, wel in goede staat.
De Noorderkerk was in 1927 al met sluiting bedreigd en in 1933 werd deze ook daadwerkelijk gesloten, maar in 1941 volgde heropening. In 1985 leek deze geschiedenis zich te herhalen (22), maar na restauratie (Walter Kramer, 1993-1998) ging de Noorderkerk met behoud van haar kerkelijke functie een nieuwe bloeiperiode tegemoet als geliefde concertkerk. Als laatste van de vier zeventiende-eeuwse kerken werd de Westerkerk gerestaureerd (J. van Stigt, 1984-1992). Bij deze kerk bleef vochtdoorslag een probleem. Voortschrijdend inzicht vond de oorzaak in de samenstelling van de specie tijdens de bouw – brak grachtenwater. Na twintig jaar staat de Westerkerk nu opnieuw in de steigers voor een ingrijpend herstel van exterieur en interieur.
Met de Zuider- en de Oosterkerk was het anders gesteld. Na de sluiting in 1929 ging het met de Zuiderkerk snel bergafwaarts. Banken en preekstoel, evenals de door stadsarchitect Jan de Greef in 1823 ontworpen orgelkas, verdwenen, het orgel zelf werd herplaatst in Aalten.(23) In de winter van 1944-1945 was het gebouw gebruikt als morgue. De door architect H.J. Walenkamp bepleite bestemming als architectuurmuseum of concertzaal kwam er niet, (24) wel stelde de afdeling Stadsontwikkeling van de gemeente in de jaren zestig haar wederopbouw- en saneringsplannen hier tentoon. Een plan om de Zuiderkerk te bestemmen tot een centrum voor buurtvoorzieningen van de Nieuwmarktbuurt stuitte op financiële bezwaren. Als expositiecentrum van de gemeentelijke dienst Ruimtelijke Ordening leek de toekomst van de Zuiderkerk veiliggesteld totdat bezuinigingen ook aan dit gebruik een eind maakten. Na een kort intermezzo als Nationaal Historisch Museum is de toekomstige functie van de Zuiderkerk onzeker.
Na de sluiting van de Oosterkerk (Daniel Stalpaert, 1669-1673) in 1962 stond dit classicistische topmonument eenzaam op het gesaneerde Wittenburg, de wijk die met Kattenburg het draagvlak voor deze kerk vormde. De stad nam het gebouw over als ‘zoenoffer’ voor de gesloopte wijk en na de restauratie (Openbare Werken, adviseur D. Verheus, 1974-1979) is de Oosterkerk ingericht als centrum voor buurtvoorzieningen. Deze passende functie lijkt nu voorbij en na een inspraakronde onderzoekt het stadsdeel Centrum een nieuw gebruik. Het belang van de Oosterkerk wettigt een functie die daarvan de afspiegeling is. Openbare toegankelijkheid en een functie die geen schade doet aan het monumentale interieur dient voorop te staan.

Lutherse kerken

Ruimere restauratiebudgetten in de jaren tachtig maakten het herstel mogelijk van de belangrijke lutherse kerken. De Nieuwe of Ronde Lutherse Kerk aan het Singel werd na de sluiting in 1935 tot 1961 gebruikt als concertzaal voor de Mattheus Passion door Bertus van Lier. Vermomd als tentenshowroom was de koepel gereduceerd tot haar eigen silhouet. Door de bouw van het Sonesta-hotel op de plaats van Het Vrije Volk – de betreurde Rode Burcht (J.W.E. Buys en J.B. Lürsen, 1932) – , kreeg deze kerk na restauratie (G. de Klerk, 1975) de functie van congresruimte. Maar wanneer zal zich het Bätzorgel eens laten horen? De Oude Lutherse Kerk aan het Spui was bijna bestemd tot postkantoor, in 1961 nam de gemeentelijke universiteit haar in gebruik als aula, in combinatie met behoud van de kerkfunctie. De aanleiding hiertoe was de bouw van het collegezalencomplex aan de Oudemanhuispoort waar het Groot Auditorium van Willem Springer (1889) aan ten offer viel. Om de negentiende eeuw gaf toen niemand een cent.

Olofskapel aan de Zeedijk

Tenslotte de droevige lotgevallen van de beide middeleeuwse kapellen. Op de plaats van de Nieuwezijds Kapel of Heilige Stede kwam het door winkels omringde octagon (C.B. Posthumus Meyjes, 1908) voor de Vrijzinnig Hervormden. Na sluiting in 1974 volgde herbestemming als moskee, kunstcentrum ‘Park Plaza’, en nu ‘the Dungeon’. Hopelijk zal het Amsterdam Museum op deze historische grond (het behouden grafveld) eens een gehoorzaal vestigen. De Oudezijds of Olafskapel, waar dit artikel mee begon, functioneerde tot 1961 als beurs voor kaashandelaren. Na een kort intermezzo door gebruik van de stichting Kunstkontakt volgde leegstand. Stutwerkzaamheden leidden in 1966 tot brand in de kap. Overgedragen aan de vereniging Hendrick de Keyser, overwinterde de romp onder een nooddak tot uiteindelijk herstel volgde (A.J. van Stigt, 1990-1992). Het silhouet werd gereconstrueerd inclusief de lang verdwenen dakruiter. De inwendige overdekking werd een vrije interpretatie. (25) De bouw van de kelder met verbindingsgang naar het Barbizon-hotel leidde tot het verlies van archeologische waarden (de fundering van de Heilige Grafkapel).

Uit het bovenstaande blijkt dat het behoud van het monumentale kerkenbezit van de binnenstad een zeer moeizaam proces was voor de eigenaren, het stadsbestuur en de samenleving. De oprichting van het Bureau Monumentenzorg, met ir. R. Meischke en H.J. Zantkuijl als voortrekkers, was beslissend voor het behoud van het ‘kernbestand’.

Guido Hoogewoud

Aan de negentiende-eeuwse en twintigste-eeuwse kerken is een volgend artikel gewijd.

Voetnoten
1 In 1990 telde Amsterdam 171 kerken. Volgens de ‘Nota kerkgebouwenbeleid 1990’ bevonden zich in de binnenstad 51 kerken – de hofjes en verzorgingshuizen niet meegerekend – die van belang werden geacht wegens hun stedenbouwkundige waarde of interieur. Zie Gemeenteblad 1990, bijlage G, p. 43-53.
2 De Fransche Kerk (H.H. Petrus en Paulus, Nieuwezijds Voorburgwal 312), huiskerk van de paters Karmelieten, vergroot in 1732 en in 1820 voorzien van een nieuwe façade. Gesloopt in 1912, parochiekerk van J.A. Alberdingk Thijm, Th. H. von der Dunk, ‘Zes katholieke kerken in Amsterdam uit de dageraad der emancipatie’, Jaarboek Amstelodamum 96 (2004), p. 43-69 (61-69).
3 ‘Amstelodamum Sacrum’, bijvoegsel bij Neerlandia Catholica of het Katholieke Nederland, ter herinnering aan het gouden priesterfeest van Z.H. Paus Leo XIII, Utrecht 1888.
4 ‘Lang genoeg mooi’, Maandblad Amstelodamum 91, 2 (2004), p. 1.
5 ‘Het Boompje’ (S. Franciscus van Assisi), vroeg zeventiende-eeuwse huiskerk van de paters Franciscanen tussen de Kalverstraat en het Rokin bij de Munt. In 1844 ontwierp M.G. Tetar van Elven (1803-1883) een neogotische zandstenen façade aan het Rokin - in 1911 gesloopt en vervangen door warenhuis van Vroom &Dreesmann.
6 ‘De Star’ of ‘De Spin’ (Sint Augustinus), Rusland 7, herbouwd P. Girant, 1848, uitgebreid (H.J. van den Brink), 1864, als opvolger van een zeventiende-eeuwse huiskerk aan de Spinhuissteeg. Uitgebreid met een doopkapel en nieuwe ingang aan het Rusland, (P.J. Bekkers, 1908) - gesloten in 1929 en tot de sloop in 1955 in gebruik als papieropslagplaats.
7 D. Mulder, K.P. Tholens (1882-1971), Rotterdam 2011, p. 140.
8 Jaarboek Amstelodamum 45 (1953), XXIII. 
9 Bericht in Het Vrije Volk, 9 oktober 1941.
10 De Elsevier, 14 februari 1941.
11 Het Algemeen Handelsblad, 9 oktober 1928.
12 Subsidies werden verstrekt door de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, opgericht in 1918. Sinds 1903 waren voorlopige lijsten samengesteld door generaal Winkelman die in mei 1940 de basis vormden voor een noodmaatregel bij afwezigheid van een monumentenwet. Deze kwam pas in 1961 tot stand (J.C. Tillema, Schetsen uit de geschiedenis van de Monumentenzorg in Nederland, ’s-Gravenhage 1975).
13 Jos Smit, ‘Stenen des aanstoots. Van heilige hostie tot historische horror’, Monumenten en archeologie 5, Amsterdam 2006, p. 21-31 (27).
14 Het Algemeen Handelsblad, 15 juni 1928, idem, 21 oktober 1928: voorstel ingetrokken.
15 A. Noach, ‘De Oude Kerk te Amsterdam, biografie van een gebouw’, diss. Amsterdam, 1939.
16 Tentoonstelling Glasschilderkunst, Oude Kerk Amsterdam, 1948. In de tentoonstellingscommissie hadden o.a. zitting de gemeentearchivaris A. le Cosquino de Bussy, jhr. W. Sandberg, directeur Stedelijk Museum, en prof. dr. J.Q. van Regteren Altena.
17 Prof. dr. J.N. Bakhuizen van den Brink, ‘De Oude Kerk in gevaar’, rede gehouden op 2 november 1951 op de bijeenkomst van het Genootschap Amstelodamum in het Ministerie van de Nieuwe Kerk, ter bespreking van de noodtoestand van de Oude Kerk’, Jaarboek Amstelodamum 45 (1953), p. 1.
18 Met A.A. Kok en J.P.L. Petri als wegbereiders werd de restauratie van de Oude Kerk (1955-1979) geleid door ir. C. Wegener Sleeswijk, adviseurs waren ir. A.J. van der Steur (tot 1963) en D. Verheus (1963-1979), H. Janse, De Oude Kerk te Amsterdam, bouwgeschiedenis en restauratie, Zwolle 2004, p. 283.
19 A.A. Kok en J.P.L. Petri schreven een restauratierapport in1949, de werkzaamheden (1959-1980) stonden onder leiding van ir. A.J. van der Steur, ir. C. Wegener Sleeswijk en J.P.L Petri (1959-1963), en D. Verheus (1963-1980). D. Verheus en C. Wegener Sleeswijk, Over de restauratie van de Nieuwe Kerk te Amsterdam 1959-1980, Amsterdam 1980.
20 J.L. Heldring, ‘In de Amsterdamse Nieuwe Kerk’ in: NRC-Handelsblad, 27 juli 1991.
21 1994-1998, restauratie door J. van Stigt, vensterbescherming en klimaatbeheersing, B. Massop, herstel zerkenvloer (2008-2013).
22 Het Algemeen Handelsblad, 31 augustus 1927; 26 september 1941, Trouw 23 november 1985.
23 De orgelgeschiedenis van de Zuiderkerk is bizar. Orgelbouwer J.C. Friederichs maakte bij de bouw in 1823 gebruik van het pijpwerk van het transeptorgel van de Oude Kerk. Na verplaatsing naar Aalten (Gereformeerde Oosterkerk), werd dit zeventiend- eeuwse bestand in 1975opgesteld in de Hervormde kerk van Oegstgeest als een kopie van het transeptorgel dat inmiddels in 1964-1965 was gereconstrueerd in de bestaande lege kas. Het 19de-eeuwse bestand van het Zuiderkerk-orgel werd in 1977 gerestaureerd, zie B. Bijtelaar, De orgels van de Oude Kerk in Amsterdam, Stichting Orgelcenrum 1975, website Stichting Orgel Aalten. 
24 In 1928 bepleitte de architect H.J.M. Walenkamp een museumfunctie, Het Algemeen Handelsblad 21 september 1928, in 1949 bepleitte een comité een concertfunctie. Daarvoor werd een acoustische proef gehouden, Jaarboek Amstelodamum, 44 (1950).
25 F.C.J. Dingemans, ‘De St. Olofskapel te Amsterdam 1986-1987, een studie’, Jaarverslag Vereniging Hendrick de Keyser 1986, p. 39-41.

(Uit: Binnenstad 263, maart/april 2014)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.