Interview met Jos Otten

De bloem is niet uitgevallen...

In zijn – door hemzelf – zorgvuldig gerestaureerde woning aan de Palmgracht ontmoet ik Jos Otten. Sinds 22 maart is hij voor de duur van een jaar interim-voorzitter van de VVAB. Jos is opgegroeid in Soerabaja en kwam eind 1950, op zijn achtste samen met zijn familie naar Nederland. Hij zat in Heerlen op de middelbare school, werd daarna reserve luitenant-kolonel in het Nederlandse leger, studeerde in Amsterdam economie en rechten en volgde colleges egyptologie. Tijdens zijn werkzaam leven heeft hij onder meer gewerkt bij de Gemeentegiro en KPN, was hij sectordirecteur bij de Hogeschool Amsterdam en directeur van de Post-Hogere Technische en Maritieme Opleidingen in Amsterdam. In zijn vrije tijd stond en staat hij nog steeds op de ladder om gevelstenen te restaureren, zijn grootste passie tot op de dag van vandaag. Een kennismaking met een erudiete en gepassioneerde Amsterdammer.
Jos Otten voor het Spinhuispoortje.

Je bent geboren in Malang en nu al bijna 50 jaar een getogen Amsterdammer. Zijn er overeenkomsten tussen Malang en Amsterdam?
Aan beide steden heb ik mijn hart verloren. Malang is rond 1923 door Hollandse ingenieurs bebouwd en een van de groenste en mooiste Art Deco-steden ter wereld. Helaas weten maar weinig mensen dat. Door de stijl van bouwen was de bouw erg kostbaar, maar gelukkig waren alle bouwmaterialen ter plekke aanwezig, alleen het hang- en sluitwerk en glas-in-lood kwam uit Nederland. Amsterdam boeit me door het vele water – dat is het mooiste monument van de stad – en daarnaast ook door de schitterende, stille tuinen achter de grachtenhuizen. In de zeventiende eeuw waren er al mensen die er door middel van een ‘keur’, een plaatselijke wet, voor zorgden dat deze tuinen niet werden bebouwd. Blijkbaar had men toen al oog voor de schoonheid van Amsterdam, dat ontroert me.
Helaas gebeurt in Malang momenteel hetzelfde als in Amsterdam enkele decennia geleden – of misschien wel erger – , namelijk dat monumenten worden gesloopt voor de bouw van grote moderne gebouwen, om zo extra vierkante meters te verkrijgen. Hier zou beter op toegezien moeten worden.

Wanneer is je liefde voor Amsterdam ontstaan en heb je altijd in het centrum gewoond?
Ik kan me nog herinneren dat we in vakanties naar mijn Indische oma gingen. Zij woonde op de Reguliersgracht, in een huis met betengeling. Prachtig vond ik dat, maar tegenwoordig weet niemand meer wat dat is. Amsterdam was zo’n vijftig jaar geleden ‘een bloem staande op uitvallen’, zoals Geurt Brinkgreve dat een keer zo prachtig beschreef. Overal waren er lelijke onderstukken, gestutte panden en open gaten. In 1955 heb ik het instorten van het flatgebouw op de Vijzelstraat nog meegemaakt – ik zie dat nog voor me. En jaren later, ik geloof dat het omstreeks 1975 was, de afbraak van de brood- en meelfabriek Ceres op de Nieuwe Herengracht van de architect A. Salm. Amsterdam zat dus altijd wel in mijn geheugen, maar de echte liefde is ontstaan tijdens mijn studie.
Op twee uitstapjes van korte duur na, naar Oud-Zuid en naar de Staatsliedenbuurt, heb ik altijd in het centrum gewoond. In 1965 begon ik in De Pijp, in de Karel du Jardinstraat. Daarna kwam ik op de Brouwersgracht terecht in een prachtig zeventiende-eeuws achterhuisje met twee kamertjes boven elkaar en van die mooie ‘witjes’ tegen de muren. Vervolgens ben ik op de Kromme Waal gaan wonen en toen op Palmgracht 10. In 1978 kocht ik het pand waar ik nog steeds met groot plezier woon, Palmgracht 68.

Je hebt economie en rechten gestudeerd, maar ook colleges egyptologie gevolgd. Was je van jongs af aan al in kunst geïnteresseerd?
Mijn ouders hebben me leren kijken en de interesse voor kunst bijgebracht. Zij reisden veel. Toen ik nog heel klein was, leerde mijn vader mij al dat de Prambanan mooier is dan de Borobudur. Hij keek altijd naar details van gebouwen en las veel over kunst. Het ging dus spelenderwijs. Ook speelde ik, toen wij in Indonesië woonden, bij Chinese vriendjes thuis, het liefst bij een Taoïstisch tempeltje met allemaal beeldjes op het dak. Betoverend mooi vond ik dat. Die matrijs was er dus al, Amsterdam heeft de interesse alleen maar versterkt.
Ik weet nog dat ik als eerstejaars naar de Oudemanhuispoort fietste en zag dat het kruis op het Gasthuispoortje een beetje scheef stond. Het eerste wat ik toen dacht was dat ik het wilde restaureren. Dat is niet mijn eerste project geworden, maar gelukkig is het poortje nu wel gerestaureerd. Tijdens mijn leven heb ik veel kunst gekocht, beeldhouwwerk, houtsnijwerk, gevelstenen, en dat stelde ik dan tentoon in de school waar ik werkte. Dat werd erg gewaardeerd door de studenten. Het zijn prachtige tijdsdocumenten en een rijk bezit.

Jouw naam kan niet genoemd worden of men denkt aan gevelstenen...
Ja, dat vind ik bijzonder fijn, want mijn hart ligt bij de gevelsteen. Ik heb honger naar vergeten betekenissen. Toen ik mijn huidige woning begon te restaureren, bleek dat er op het pand naast mij een gevelsteen zat. Dat intrigeerde mij enorm, maar de afbeelding erop kon ik niet goed zien. Het leek op een vreemd mannetje met een musket en ook stond er een rare tekst onder. Dat heb ik toen helemaal uitgezocht waarbij ik tevens advies heb gevraagd hoe je zo’n steen moest restaureren. Zo is het begonnen. Ik heb leren vergulden, krabben, schilderen, glaceren, mortel maken, noem maar op en in de loop der jaren heb ik ontzettend veel kennis opgedaan.
Gevelstenen zijn eigenlijk pictogrammen. Tot 1795 hadden panden geen huisnummer en om klanten te helpen de zaak te vinden, hingen kleine zelfstandigen dan houten uithangborden dwars op de gevel. Later, na stadsbranden en de verstening van de stad, kwamen de gevelstenen in zwang.
Het restaureren deed ik altijd naast mijn betaalde banen; uit mijn werk spurtte ik direct naar huis om me te ontdoen van mijn nette pak en snel mijn schilderkistje en ladder te pakken. In 1991 heb ik samen met andere gevelsteenbevlogenen de Vereniging Vrienden van Amsterdamse Gevelstenen opgericht (zoals de naam al aangeeft: een ‘dochter’ van de VVAB, zie www.amsterdamsegevelstenen.nl). Sinds ik me in 1978 met dit onderwerp ben gaan bezighouden zijn er 150 stenen gerestaureerd of herplaatst. De beeldhouwer Hans ’t Mannetje heeft ook veel nieuwe gevelstenen gemaakt, in Amsterdam en elders in den lande. En zonder Onno Boers zouden al die gevelstenenrestauraties niet gelukt zijn; hij is van onschatbare waarde. Ik praat met eigenaren en instanties, hij zoekt alles uit over de geschiedenis.

Heb je nog meer projecten ‘in stock’?
De poortjes natuurlijk: een vijftiental is al gerestaureerd, zoals het Gasthuispoortje op de Oudezijds Achterburgwal, het Spinhuispoortje in de Spinhuissteeg en op de Keizersgracht: het Claes Reiniersz Hofje-poortje en het Schouwburgpoortje. Soms financier ik het zelf, maar de stichting Heijmeijer van Heemstede onder voorzitterschap van Dorothy Beynes-Heijmeijer van Heemstede geeft ook veel subsidie. Menig initiatief op het gebied van monumentenzorg en stadsschoon in Amsterdam is al door deze stichting financieel ondersteund. Verder is het erg verheugend dat we ook steeds meer beeldjes terug kunnen plaatsen, bijvoorbeeld het beeld van Hippocrates aan het Theatrum Anatomicum in de Waag op de Nieuwmarkt. Dat beeldje was honderd jaar weg en nu staat het er toch maar mooi weer.
De ‘topgevel’ is een ander project waar ik mee bezig ben. Onlangs bleek dat er op een van de werven van het Bureau Monumenten & Archeologie (BMA) nog vijftig topgevels liggen van panden die gesloopt moesten worden voor de aanleg van de Oostlijn van de metro. Een gouden vondst. Op dit moment zijn studenten onder begeleiding van een docent bezig om alles in kaart te brengen. Dit kan mede door een subsidie die we van het stadsdeel Centrum gekregen hebben. Daarna moeten we in overleg met onder meer Stadsherstel kijken hoe en waar de topgevels herplaatst kunnen worden.
En als de N/Z-lijn klaar is, wordt ook de Mirakelkolom weer teruggeplaatst op het Rokin. Dus er is nog genoeg werk aan de winkel.

De bloem niet uitgevallen...
Ik ben blij dat ik daaraan mijn steentje heb kunnen bijdragen. Volgens de in 2012 overleden oud-directeur van Bureau Monumentenzorg, Henk Zantkuijl, is onze binnenstad nu mooier dan in de Gouden eeuw. Ik denk dat dat grotendeels waar is, de gaten zijn gevuld en veel panden zijn gerestaureerd en worden goed onderhouden.

Hoe lang ben je al lid van de VVAB?
Al meer dan 35 jaar. Dat heb ik te danken aan een bevriende medestudent uit die tijd. Hij zag dat mijn hart bij de oude stad lag en ik ben toen in 1979 lid geworden. De eerste vergadering die ik bijwoonde was in de Eggertzaal in de Nieuwe Kerk en daar ontmoette ik onder andere Geurt Brinkgreve, Simon Blijleven, Frans Amende, tante Marie en vele anderen die actief waren en nog steeds zijn voor de VVAB. In de loop der jaren heb ik aan talloze activiteiten deelgenomen en in veel commissies gezeten, zoals de ledenwerf-excursiecommissie. Maar ik ben ook een lange tijd, zo’n 25 jaar, bestuurslid geweest. Wat mij altijd opviel was het doorzettingsvermogen van Geurt Brinkgreve. Helaas is hij overleden, maar zijn leus: ‘frapper toujours’, laat je niet intimideren, zal ik nooit vergeten. Als Indischman wil ik nog wel eens wat water in de wijn doen, maar hij niet. Ik weet nog dat hij een keer een brief aan een bekende Amsterdamse architect ondertekende met de woorden: ‘met de minste hoogachting’. Dat vond ik bijzonder.

Hoe ga je je voorzitterschap het komende jaar vormgeven? En heb je ook een opdracht voor de gemeenteraad en de bestuurscommissie?
Ik ben maar een klein jaar voorzitter, want het is de bedoeling dat Yellie Alkema – oud-voorzitter van de deelraad Centrum – over een jaar het stokje van mij overneemt. Zij wilde daar nog even mee wachten, omdat de deelraad vlak voor onze Algemene Ledenvergadering is opgeheven. Maar in de tussentijd wil ik als voorzitter wel het boegbeeld van de Vereniging zijn en daarnaast streef ik ernaar dat we als bestuur een goed team vormen. Er zijn drie nieuwe bestuursleden benoemd, dus het is belangrijk dat we elkaar leren kennen en met elkaar afspreken wat we het komende jaar gaan doen. We moeten niet alles willen; ik denk dat wat er nu aan onderwerpen ligt voor de komende tijd voldoende is. Wel wil ik er voor zorgen dat er nog een juridisch geschoold bestuurslid komt, want door het vertrek van Sebastiaan Levelt is er binnen het bestuur op juridisch gebied een lacune. We zijn vrijwilligers en enorme liefhebbers van onze binnenstad. We gaan geen achterhoedegevechten voeren, maar de gemeente moet haar beleid uitvoeren en als ze dat niet goed doet of daarvan afwijkt, laten we onze tanden zien.
Mijn boodschap aan onze politici is dat zij liefde tonen voor onze mooie binnenstad en vooral bij het uitvoeren van het beleid laten zien dat zij de betrokkenheid van de burgers en verenigingen zoals de onze serieus nemen.

Addy Stoel

(Uit: Binnenstad 264, mei/juni 2014)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.