Een arbeidscontract uit 1545

Stadsmetselaar Willem Dircxz in dienst van de stad

Op 10 maart 1545 werd metselaar Willem Dircxz voor de tijd van drie jaar aangesteld als stadsmetselaar van Amsterdam. De tekst van het contract, waarin de gemaakte afspraken tussen hem en de stad werden vastgelegd, is bewaard gebleven in het Stadsarchief. (1) Willem Dircxz is de eerste stadsmetselaar van wie we de naam kennen. Hij was een belangrijke meester, die ondanks zijn positie als stadsmetselaar zelf waarschijnlijk de troffel nauwelijks heeft gehanteerd. Zijn taak lag juist veel meer in het aansturen en organiseren van het metselwerk dat voor de stad moest worden verricht en nog veel meer. Wat is er te vertellen over deze meester Willem? In het onderstaande zullen we zijn aanstellingscontract wat nader beschouwen.

In stadsdienst

De tekst van de overeenkomst met Willem Dircxz uit 1545, in het Groot Memoriaal in het Archief van de Burgemeesters (Stadsarchief Amsterdam).

Arbeidscontracten in stedelijke context zijn in Nederland sinds de veertiende eeuw bekend. Vaak gaat het om contracten die voor een paar jaar werden afgesloten. De vroegste voorbeelden gaan ver terug. Zo was in 1365 in Middelburg een stadstimmerman actief (‘meester Willem der stede timmerman’). In Deventer werd in 1389 een stadsmetselaar genoemd, in 1397 in Haarlem. In Gouda was dit in 1415 het geval en uit Kampen zijn al vanaf circa 1430 vrijwel ononderbroken stadsmetselaars, stadsleidekkers en stadstimmerlieden bekend. Dergelijke vermeldingen kunnen zowel op een vaste aanstelling wijzen, als op een werkrelatie die ervoor zorgde dat wanneer de stad een opdracht te verdelen had, er altijd op dezelfde meester een beroep werd gedaan. (2)
Slechts een enkele keer wordt vermeld dat een aanstelling ophoudt, zoals in Gent in 1534, of dat een betaling moet worden stopgezet (‘vortan gheen gaigen te geven’), in Bergen op Zoom in 1521. Het stadsbestuur van Leeuwarden besloot in 1529 om bouwmeester Jacob van Aaken de mogelijkheid te bieden het contract te verlengen, nadat de eerste overeengekomen termijn verstreken zou zijn. In andere steden kwam dit ook voor.
Meesters kregen doorgaans een vaste aanstelling, wanneer de stad ervan overtuigd was dat er genoeg werk voorhanden was en dat het dus voordeliger was om hem in dienst te nemen, dan om losse opdrachten aan te besteden. Indien er niet genoeg werk was, maar de opdrachtgever zich – bijvoorbeeld vanwege de kwaliteiten en ervaring van een bepaalde meester – toch van diens diensten wilde verzekeren, kon een overeenkomst worden gesloten waarbij een bescheiden jaarvergoeding werd gegeven en verder per dag werd betaald. De kosten per dag waren dan hoger dan bij een doorlopende vaste aanstelling. Exclusiviteit van de overeenkomst is in dat geval niet aan de orde, al kon er worden bepaald dat de meester voor werkzaamheden elders toestemming moest vragen.

Het Amsterdamse stadsfabrieksambt

Over stedelijke bouwmeesters van Amsterdam voor het einde van de zestiende eeuw, is relatief weinig bekend, maar Meester Willem Dircxz was niet de eerste die in Amsterdam als stadsmeester in dienst werd genomen. Het beheer van de stedelijke gebouwen viel onder de verantwoordelijkheid van de regerende burgemeesters, en om die taak uit te voeren was het toezicht sinds 1524 gedelegeerd aan een fabrieksmeester. Deze fabrieksmeester was lid van de vroedschap, waardoor voldoende bestuurlijke kwaliteiten van hem konden worden verwacht. Dit wilde niet zeggen dat hij ook verstand van bouwen had. Daarom werden er in 1524 voor de praktische uitvoering van de werken ook een stadsstratenmaker en een stadstimmerman aangesteld. (3) Willem Claesz werd voor vier jaar aangenomen als stadstimmerman van Amsterdam. Hij mocht alleen voor de stad werken, kreeg naast een dagloon ook een jaarsalaris van zestig gulden, een ambtswoning bij de Schreierstoren en vrije brandstof in de vorm van spaanders en afvalhout.
Het is jammer dat de archieven niet meer prijsgeven over het stadsbouwbedrijf voor de vroege zestiende eeuw. Gezien de vele bouwprojecten die de stad ook al eerder op zich had genomen, ligt het voor de hand dat de organisatie van het bouwbedrijf goed doordacht zal zijn geweest, waarbij vermoedelijk een combinatie bestond van werk in eigen beheer en aanbesteding van werk bij zelfstandig opererende aannemers.

De overeenkomst

Op 10 maart 1545 namen de burgemeesters metselaar Willem Dircxz aan tot ‘dezer stede meester vanden metselarie’ voor een periode van drie jaar, ingaande op 1 mei. In die tijd zou Willem met ‘alle naersticheyt ende getruwicheyt’ voor de stad moeten werken, zowel wat het stedelijk metselwerk, als het steenhouwwerk betrof, waarvoor nog geen aparte stadssteenhouwer werd aangenomen. In die tijd zou hij voor geen andere opdrachtgever mogen werken, tenzij de burgemeesters hem daar uitdrukkelijk toestemming voor gaven. Zijn beloning was dan ook ruim: maar liefst honderdtwintig Karolusgulden per jaar, te betalen in vier termijnen. Dat was anderhalf keer meer dan Adriaen Jansz verdiende, die op dat moment stadstimmerman was, al moet er wel bij worden gezegd, dat deze een dienstwoning op het Rondeel tot zijn beschikking had.
Willem Dircxz ontving naast zijn loon ook stadskleding ter waarde van een pond Vlaams per jaar (zes gulden) en hij mocht het afval van het steenhouwwerk zelf houden. Dit afval kon worden vermalen en als schuurmiddel worden verkocht, zodat hij nog wat extra kon verdienen. Daarnaast werd bepaald dat Willem geen profijt van knechten mocht hebben – dus niet als zetbaas mocht optreden – maar dat hij wel twee knechten, mogelijk die uit zijn eigen bedrijf, mocht aanstellen, waarvan het loon echter door de gezworenen van het metselaarsgilde moest worden vastgesteld. Dat de vroede vaderen Willem graag in dienst namen, blijkt wel uit de volgende bepaling: Mocht Willem na het eerste of het tweede jaar besluiten niet langer in dienst van de stad te willen werken, dan zou hij na dat jaar vrij wezen om te gaan. Hij had echter wel een opzegtermijn van drie maanden.

Verbetering van zijn positie

Oudezijds Voorburgwal 300, het uit 1550 stammende Turfpakhuis van de Oudezijds Huiszittenmeesters, dat in 1614 deel ging uitmaken van de Stadsbank van Lening (foto: Wim Ruigrok).

Nadat Willem in dienst van de stad was gekomen, volgde in augustus van dat jaar al een wijziging in zijn aanstelling. Hij werd belast met ‘tmeeten vanden leyen, bentemer steen ende ander steen’, waarmee hij namens de stad als controleur van deze materialen kon optreden. Hoewel in latere zestiende-eeuwse contracten met stadsmetselaars nog wel eens werd gezegd dat ze ook zelf moesten metselen, lijkt de uitbreiding van Willems taken erop te wijzen dat dit in de praktijk maar weinig zal zijn voorgekomen.
In december 1545 volgde nogmaals een wijziging. Bovenop zijn loon werd bepaald dat Willem ‘noch hebben sal een woninge besijde de loots’, met een huisje daar achter, waar op dat moment nog een zekere Garbrant woonde. Mogelijk was deze Garbrant voor Willem als stadsmetselaar werkzaam. Opvallend is dat in 1568 een stadsmetselaar werd aangenomen die Roemer Garbrantsz heette, mogelijk een zoon van de Garbrant die in het huis bij de stedentuin woonde.
Willem moet zijn werk goed hebben verricht en de stad had voldoende projecten om zijn aanstelling te verlengen, waartoe ook Willem zelf bereid was. Zodoende werd op 12 december 1548 de overeenkomst verlengd, ‘in aller manieren ende op zulcken proufijten ende conditien’, als eerder overeengekomen was. De enige verandering betrof de betaling, waarover werd gezegd dat hij nu ook brandhout voor zijn huis van de stad zou ontvangen, echter met dien verstande, dat hij dit hout zou gebruiken ‘tot redelicheyt’, zoals hij het ook zou doen wanneer hij het hout zelf zou moeten betalen. De hernieuwde overeenkomst gold wederom voor drie jaren.

Werkzaamheden

Op het moment dat Willem Dircxz werd aangesteld, had hij al opdrachten voor de stad vervuld. In 1543 was hij samen met timmerman Aernt Cornelisz in opdracht van Amsterdam naar Haarlem en Enkhuizen gereisd, om daar de rondelen te bekijken ‘omme gelijcke hier mede te maicken voer de poerten, daer ’t van noede weezen zoude’. (4) Hij had dus al banden met het stadsbestuur en had blijkbaar zijn kwaliteit bewezen. Wellicht had hij zijn vaste aanstelling te danken aan de fabrieksmeester die in 1544 was aangetreden. Deze Jan Jansz van Hoorn was niet alleen raad in het stadhuis, maar verdiende zijn geld als houtkoper, zodat verondersteld mag worden dat hij banden met de bouwwereld had.
Een belangrijke bouwopgave voor Amsterdam in de jaren veertig van de zestiende eeuw, was het verbeteren van de middeleeuwse stadsmuren. Op verschillende plaatsen in de stad werden moderniseringen doorgevoerd, door oude smalle muurtorens af te breken en er grotere rondelen, die geschikt waren voor het verdedigen met kanonnen, voor in de plaats te bouwen. Voor dit werk moesten tekeningen worden gemaakt, begrotingen worden opgesteld en wellicht ook bestekken, waarvoor een bekwaam meester nodig was, die dit specialistische werk kon uitvoeren. Dit is waarschijnlijk de reden voor de aanstelling van Willem Dircxz.
Over zijn concrete werkzaamheden is vooralsnog weinig bekend. Uit de vroedschapsresoluties vernemen we dat hij in 1545 ‘patronen ende concepten’, maakte, evenals de naar Amsterdam gehaalde Italiaanse vestingbouwmeester Alessandro Pasqualini. En mogelijk ontwierp hij het Turfpakhuis van de Oudezijds Huiszittenmeesters uit 1550 (Oudezijds Voorburgwal 300) en het Bushuis aan de Oude Hoogstraat. Daarmee zou hij een van de eersten zijn geweest die renaissancevormen toepaste in de architectuur van Amsterdam. Ondanks deze summiere gegevens bevestigt dit de bijzondere kwaliteiten van Willem Dircxz.
De laatste keer dat we iets over Willem Dircxz vernemen is in 1553. In dat jaar gaf hij advies bij het ontwerp van een hangkamer die door de kistenmakers in het gebouw van de Handboogdoelen zou worden aangebracht. Het is het laatste project waarvan we weten dat hij er bemoeienis mee heeft gehad. Willem Dircxz overleed in 1554. Wellicht dat verder onderzoek nog meer details over deze bijzondere stadsmetselaar boven water kan brengen.

Gabri van Tussenbroek

Voetnoten:
1. Stadsarchief Amsterdam, Archief van de Burgemeesters, 5023, inv.nr. 2, fol. 1.
2. Het lijstje kan gemakkelijk worden uitgebreid. Zie Gabri van Tussenbroek, ‘Alzo zult gijlieden dat maken’. Gebruik en ontwikkeling van bouwcontracten en bestekken in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden tot 1650, Leiden 2013, p. 26 e.v.
3. Gea van Essen, Het stadsfabrieksambt. De organisatie van de publieke werken in de Noordelijke Nederlanden in de zeventiende eeuw, academisch proefschrift, Utrecht 2011, p. 140-141.
4. R. Meischke, H.J. Zantkuijl, W. Raue en P.T.E.E. Rosenberg, Huizen in Nederland: Amsterdam. Architectuurhistorische verkenningen aan de hand van het bezit van de Vereniging Hendrick de Keyser, Zwolle/Amsterdam 1995, p. 32.

(Uit: Binnenstad 264, mei/juni 2014)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.