Omgaan met de oude binnenstad

Abel Antoon Kok: de Grootte Beer

Keizersgracht 316 / Berenstraat 1-3

In Binnenstad 225 kwam in een artikel van Vincent van Rossem al eens het werk van architect Abel Antoon Kok (Dordrecht 23 mei 1881 - 15 april 1951 te Amstelhoek) aan de orde. Kok stond vooral bekend als restauratiearchitect en als een belangrijke monumentenzorger binnen de Bond Heemschut. Zijn eigen ontwerpen maakte hij op een paar uitzonderingen na aan het begin van zijn loopbaan. Als zelfstandig architect restaureerde hij vooral oude, monumentale panden, in Amsterdam, maar ook wel daarbuiten.
Hoek Keizersgracht / Berenstraat vóór 1935. Ter plaatse van de Groote Beer van A.A. Kok stonden oorspronkelijk vier kleine panden (foto: S.A.A.) De Groote Beer (Keizersgracht hoek Berenstraat) (foto: Gerrit Vermeer)

Een van de zeldzame architectonische ontwerpen die hij later in zijn loopbaan ontwierp, betreft het kantoor de Groote Beer op Keizersgracht 316 en Berenstraat 1-3. Hij presenteerde dit ontwerp als een voorbeeld voor een nieuwe, eigentijdse architectuur die geschikt was voor de historische binnenstad van Amsterdam, omdat het zich voegde naar de daar aanwezige tradities. Het invullen van gaten in de bebouwing van oude binnensteden als Amsterdam vormt nog altijd een punt van discussie. A.A. Kok hoorde uitdrukkelijk niet tot de voorstanders van reconstructies en de toepassing van historische stijlen, al lijkt dat soms anders.

Levensloop

De vader van Abel Antoon was als bouwkundige betrokken bij de bouw van gasfabrieken in Winschoten, Dordrecht en Amsterdam. Vader Kok overleed bij de aanleg van een spoorlijn in het toenmalige Belgische Congo. Het gezin Kok verhuisde daarop naar Amsterdam, waar Abel Antoon naar school ging en de Driejarige H.B.S. doorliep. In 1896 ging hij overdag in de leer bij een timmermansbaas in de Pijp en in de avonduren volgde hij lessen in bouwkunde aan de Industrieschool der Maatschappij van de Werkende Stand. Daarna werkte hij bij verschillende architectenbureaus. Zo was hij opzichter-tekenaar bij C.B. Posthumus Meijes sr. en bij F.W.M. Poggenbeek. Daarnaast bleef hij verder leren en diploma’s halen. In 1907 begon hij samen met A.R. Hulshoff een bureau. Kok leverde ontwerpen voor villa’s en andere gebouwen in alle mogelijke historische stijlen en in uiteenlopende combinaties. In 1915 traden beide architecten in dienst van de gemeente Amsterdam bij de Afdeling Gebouwen van de Dienst der Publieke Werken. Hulshoff klom daar in 1919 op tot hoofdarchitect en droeg vanaf 1946 zelfs de titel Stadsarchitect. Kok verliet in 1920 de dienst om zich opnieuw als particulier architect te vestigen in Amsterdam. Zijn bureau was aanvankelijk gevestigd op Singel 119, maar al gauw op Herengracht 495. Kok specialiseerde zich in restauraties. Later deed hij dat samen met zijn zoon Ysbrand, die het bureau voortzette. Tot zijn belangrijke opdrachtgevers behoorde vereniging Hendrick de Keyser, waarvan hij zelf bestuurslid was. Bij het restaureren pleitte Kok voor een uiterste terughoudendheid bij het terugrestaureren van verdwenen onderdelen. Alleen voor negentiende-eeuwse toevoegingen, die hij als een dieptepunt in de bouwkunst beschouwde vanwege de geestloze stijlimitaties, toonde hij niet altijd even veel respect.

Heemschut

Het restaureren was voor Kok niet zo maar een beroep, maar een passie. De problemen bij het restaureren van oude panden zette hem er toe aan om tekeningen en afbeeldingen van oude gebouwen te verzamelen als referentiekader bij het restaureren. Het Amsterdamse deel van deze collectie bevindt zich in het Stadsarchief van Amsterdam als de Atlas Kok. Sinds 1908 was hij actief lid van de Bond Heemschut en adviseerde deze instelling op het gebied van restauraties en aangepaste nieuwbouw. In 1921 werd hij benoemd tot tweede secretaris van de Bond en werd hij als zodanig medewerker van de vroegere stadsarchitect van Amsterdam, A.W. Weissman, die het adviesbureau van Heemschut leidde. Na het overlijden van Weissman in 1923 volgde Kok hem op als secretaris. In 1924 begon Heemschut een eigen tijdschrift en wierp Kok zich op als de redacteur, een functie die hij tot 1946 vervulde, met zijn eigen bureau als redactieadres. Vanaf eind jaren twintig organiseert de Bond Heemschut regelmatig kleine tentoonstellingen van mislukte ontwerpen in een poging architecten en opdrachtgevers op te voeden in het verantwoord restaureren. Kok schreef zelf artikelen over de bouwgeschiedenis van door hem gerestaureerde panden, waarbij hij nauwgezet verantwoording aflegt voor de door hem genomen keuzes. Zijn grote held was de Engelse kunstcriticus John Ruskin (1819-1900), die het gebouw zag als de belangrijkste bron bij de zoektocht naar de achtereenvolgende gedaanten van een gebouw. Als er niet genoeg informatie voor handen was, pleitte Kok er voor af te zien van reconstructie. Het terugvallen op de fantasie, was voor hem taboe, tenzij de aanvulling niet pretendeerde oud te zijn.
In 1939 zette de architect de beroemde Heemschut-serie op. Zelf schreef hij de eerste vijf boekjes, waaronder de zeer populaire deeltjes Amsterdamsche Woonhuizen (1941) en Historische Schoonheid van Amsterdam (1941). Zo leverde hij een belangrijke bijdrage aan de toenemende waardering voor de historische binnensteden in Nederland.

Keizersgracht 316 / Berenstraat 1-3

Reliëf van Mercurius in de onderpui Kapiteel met beer
 
  Kapiteel met keizerskroon (foto’s Gerrit Vermeer)

Op de hoek van de Keizersgracht en de Berenstraat stond van oudsher een bakkerij. Deze is nog te zien op een foto uit december 1934. Hier staat op de hoek een luxe bakkerij met een halsgevel en een achterhuis aan de Berenstraat met een pothuis. Het buurpand aan de Keizersgracht, eveneens een oud pand, had een latere lijstgevel. In de Berenstraat bevonden zich aangrenzend ook nog twee kleinere panden, een met een houten, getoogde lijstgevel en een met een klokgevel (zie foto). Kok maakte van de bestaande gebouwen een nauwkeurige opmeting en besloot vervolgens de panden te laten slopen. De halsgevel sloeg hij op en deze kon drie jaar later worden herplaatst op Rechtboomssloot nummer 39, waar hij nog altijd staat.
Op de plaats van deze vier oude panden verrees in 1935 naar zijn ontwerp een gloednieuw handelskantoor voor de firma William Koch & Co, importeurs van Torpedo rijwielnaven en F & S kogellagers. Het kantoor bevatte een magazijn, kantoorlokalen, monsterkamers, een conciërgewoning en een verwarmingskelder. Het magazijn bevond zich in een souterrain en was bereikbaar vanuit de Berenstraat. Hierdoor kon de voorgevel aan de Keizersgracht een stoep krijgen, die toegang verleende tot de kantoren. De Haarlemse beeldhouwer J.M. Veldheer vervaardigde de omlijsting om de voordeur en het bouwbeeldhouwwerk, waaronder een Mercurius als toespeling op de handel op de hoek, de keizerskroon in de kapitelen van het souterrain aan de Keizersgracht en beren aan de Berenstraat. Twee reliëfs in de Berenstraat geven de handel weer, het ene het bedenken en het maken, het andere het ontvangen en het verspreiden. Aan de achterzijde van het gebouw bevindt zich vanaf de eerste verdieping een kleine lichthof met daarin een gebrandschilderd raam van de Haarlemse glazenier W. Bogtman.
Bij het laatste hoofdstuk van zijn boek Amsterdamsche woonhuizen, plaatste Kok meerdere foto’s van dit kantoor, zonder er in de tekst op in te gaan. In dit afsluitende hoofdstuk besprak hij hoe het volgens hem verder moest met de bouwkunst in de Amsterdamse binnenstad. De onderschriften bij de foto’s van het gebouw de Groote Beer zijn veelzeggend: ‘Het gebouw Keizersgracht hoek Berenstraat is te beschouwen als een poging om moderne bouwkunst te maken die zich voegt in de sfeer van de oude stad, 1935’ en ‘Stoep en hoofdingang van het in 1935 gemaakte kantoorgebouw Keizersgracht 316 hoek Berenstraat. De hoofdelementen van het grachtenhuis zijn gehandhaafd. De vormen en materialen zijn geen stijlnamaak.’ Uit zijn tekst blijkt dat Kok de stijlnamaak van de negentiende eeuw zag als een dieptepunt, waarvan de bouwkunst zich moest herstellen, omdat het in die periode ontbrak aan maatvoering en ambachtelijke traditie. Hij zag voor de moderne architect twee uitgangspunten waarop hij in de Amsterdamse binnenstad kon terugvallen: de rationele – door hen aangeduid als redengevende – bouwkunst van H.P. Berlage uit het begin van de twintigste eeuw en de eeuwenoude Amsterdamse bouwtraditie, waarmee hij de karakteristieken van de huizen buiten de stijlperioden om bedoelde, zoals de Amsterdamse stoep, de structuur van het huis en het materiaalgebruik. Van zijn grote bewondering voor Berlage valt in dit ontwerp aan de Keizersgracht niet veel terug te zien, maar van zijn voorkeur voor de Amsterdamse bouwtraditie des te meer. De gevels van het verder betonnen gebouw zijn opgetrokken in een (imitatie) handvormsteen in kruisverband, zoals gebruikelijk in de zeventiende en de achttiende eeuw. De gevel aan de voorzijde heeft een stoep van natuursteen en aan de Berenstraat staat een topgevel. Net als bij de oude panden van voor 1800 nemen de verdiepingen naar boven toe in hoogte af. Aan de Berenstraat voorzag hij de gevel van ankers met 1935. De vensters, staande rechthoeken als in de achttiende eeuw, hebben allemaal stalen ramen, een natuurstenen omlijsting en een roedeverdeling met vierkante ruitjes, ook weer overeenkomstig de traditie. In de geveltop paste hij een variant van de trapgevel toe met een naar binnen gebogen hoek, de traditionele hijsbalk, ankers en smeedijzeren bekroning. Als natuursteen is overal Naamse steen toegepast, waarvan in Amsterdam traditioneel de stoepen en de plinten van de gevels werden vervaardigd. Al grijpt zijn ontwerp niet terug op een bepaalde stijlperiode, historiserend is deze zeker wel in die zin dat de Amsterdamse bouwtraditie het uitgangspunt vormde. Ondanks het betoonde respect voor de traditie verraadt de nieuwbouw geen enkele poging de vroegere situatie te herstellen. In plaats van de historische bebouwing kwam een hoog pand met de nok evenwijdig aan de Keizersgracht en een lager pand met de nok evenwijdig aan de Berenstraat.
De redactie van het Maandblad Amstelodamum betoonde zich enthousiast. Het blad wijdde in 1936 een bespreking aan de nieuwbouw: ‘Onlangs, melding makend van de verdwijning van het oude bakkershuis, Keizersgracht hoek Leidschegracht, spraken wij den wensch uit, dat dit typische hoekperceel mocht worden vervangen door een nieuw, dat zich evenzeer aan de sfeer van de omgeving zou aanpassen, als het oude (blz. 58). Architect A.A. Kok is daarin o.i. op gelukkige wijze geslaagd, toen hij voor de firma William Koch een kantoorgebouw ontwierp, dat een eind verder aan de Keizersgracht verrezen is, n.l. op den hoek van Keizersgracht en Berenstraat, ter vervanging van een paar weinig beteekenende huisjes daar ter plaatse. Zoowel wat vormgeving, als wat kleur betreft, voegt het zich geheel in de oude stad, zonder dat de bouwmeester nochtans in namaak-oud is vervallen en bij eene overigens modern samenstelling.’ Niet alleen bleef Kok wat de vormgeving betreft bij zichzelf, ook de stedenbouwkundige situatie paste hij aan de nieuwe eisen van de opdrachtgever aan, door de in totaal vier huizen met topgevels te vervangen voor twee panden evenwijdig aan respectievelijk de gracht en de straat.

In Amsterdam gaat de discussie over de manier waarop moet worden omgegaan met nieuwbouw in de binnenstad nog steeds onverminderd voort: geheel eigentijds van moderne materialen, aangepast of zelfs terug naar vroegere situaties door middel van reconstructies of imitaties. Kok koos een middenweg door het modernisme op eigen wijze te combineren met ambachtelijkheid en traditie, waarbij het laatste toch wel de overhand had. Alleen denkt de monumentenzorg tegenwoordig heel anders over het herplaatsen van geveltoppen en het slopen van de rest van het gebouw. Met het verwijderen van historische panden zouden we nu heel wat minder voortvarend te werk gaan. In dat opzicht is er sinds Kok misschien toch wel wat vooruitgang geboekt.

Gerrit Vermeer

(Uit: Binnenstad 265, juli/augustus 2014)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.