De bocht in de Singelgracht

Het uitbreidingsplan Kalff-Van Niftrik uit 1875-1876, genoemd naar de directeur van Publieke Werken en de stadsingenieur, was een strategisch plan dat in grote lijnen de vorm en het stratenpatroon van de nieuwe wijken buiten de Singelgracht vastlegde. In het plan waren echter ook enkele stedenbouwkundige ingrepen in de binnenstad opgenomen, onder meer het Hortusplantsoen en de nieuw aan te leggen Leidsekade.
Leidsekade 55-87 omstreeks de eeuwwisseling, met in het midden de ingang naar de Leidsegracht. Prentbriefkaart coll. Simon van Blokland

Dit laatste onderdeel behelsde het doortrekken van de Leidsegracht tot voorbij de huidige Marnixstraat, waar hij overgaat in de twee zwierig gebogen gevelwanden van de Leidsekade. Hier verrees aan de rand van de binnenstad een afwisselende en tegelijk stilistisch uniforme bebouwing in Hollandse neorenaissance, een stijl die door zijn schilderachtigheid en afwisseling in kleur en materiaal toch al opvallend veel aantrekkelijke stedelijke ensembles heeft opgeleverd. Als je onbevooroordeeld kijkt – en dus niet teveel vastzit aan associaties met ‘Grote Tijdperken’ - en niet aan iconitis, canonitis en andere postmoderne kwalen lijdt, is deze ‘bocht in de Singelgracht’ minstens zo interessant als zijn meer beroemde tegenhanger in de Herengracht.

Veel aantrekkelijke bochten en in- en uitzwenkingen heeft de Singelgracht niet. Na het aantreden van J.G. van Niftrik in 1864 en vooral van J. Kalff in 1874 was ‘normaliseering’ van de Buitensingelgracht en daarmee samenhangend van de Buitensingelweg – de huidige Nassaukade, Stadhouderskade en Mauritskade, die tot dan toe om de 26 bolwerken van de stad meanderden – een van de speerpunten van beleid. Het was voornamelijk een civieltechnische operatie, onder meer noodzakelijk geacht voor de waterverversing. Maar meer in het algemeen was ‘normaliseeren’ in de ingenieurswereld de trend, ook onze grote rivieren werden op dat moment volop ‘genormaliseerd’. De gemeenteraad volgde de nieuwe directeur hierin kritiekloos; het zoveel mogelijk rechttrekken van de Singelgracht tussen Leidsche Barrière en Elandsgracht werd in 1874 zonder hoofdelijke stemming aangenomen. De oud-spoorwegingenieur en genie-officier Kalff klaagde in een van zijn eerste rapporten over de vele obstakels die een volledig ‘normaliseeren’ van de Buitensingelgracht in feite al onmogelijk maakten, zoals het noodzakelijke voorplein van het Rhijnspoorstation aan het begin van de huidige Wibautstraat en de pas gebouwde ooglijderskliniek op het daar schuin tegenover gelegen bolwerk Weesp, daar waar nu het stille plantsoentje bij de Spinozastraat ligt.

‘De lineaalmannen’ noemde architect I. Gosschalk, raadslid tussen 1875 en 1887, de ingenieurs van Publieke Werken. ‘Wat was er’, zo schreef hij rond de eeuwwisseling, ‘van Amsterdam’s Singelgracht, met fraaie boomen, in sierlijke lijnen golvende om de bolwerken, die als heuveltjes – hoog gepluimd – uitkwamen boven de waterlijn, niet te maken geweest! En wanneer men daaruit radiale lijnen getrokken had, welke aardige doorkijkjes had het gegeven!’ Zelf had hij daartoe enkele plannen ingediend, maar alleen dat van het Eerste Marnixplantsoen uit 1874 – waarin nog duidelijk het bastion Haarlem te herkennen valt – werd door Kalff en Van Niftrik uiteindelijk overgenomen. Gosschalk stond overigens niet helemaal alleen in zijn meer esthetisch-stedenbouwkundige standpunt. In verschillende Nederlandse steden werden plannen zoals hij die voorstond – en meer ‘stedelijk’ geïntegreerd dan Zochers Haarlemse bolwerkplantsoenen – ook daadwerkelijk uitgevoerd, onder meer in Zwolle en Groningen; de laatste (1878-1880) door de Haagse architect-ingenieur Bert Brouwer.

Schoonheid dus versus pure functionaliteit? Dat zou een te simpele tegenstelling zijn. In verband met de ‘normaliseering’ immers werden aan beide zijden van de uitmonding van de Leidsegracht stukken water aangeplempt (1881), waarop een fraaie nieuwe kade en, tegenover de Leidsche Barrière, een politiebureau en het nieuwe American Hotel verrezen. Het was een omvangrijke reconstructie van de voormalige stadswallen; onder meer de Hollandsche Manege, waar Mozart in 1766 nog in een bovenzaal had gespeeld, moest er voor worden opgeruimd. Deze stond op het snijpunt van de Leidsegracht en de Marnixstraat, waar nu een brug ligt. Het nieuw gevormde stukje gracht, vanaf de Marnixstraat Leidsekade geheten, eindigde in fraai gebogen gevelwanden, conform de sinds ruwweg 1860 geldende gewoonte om stedelijke hoeken af te ronden (zie: De afgeronde stad). Dat gebeurde bijvoorbeeld ook bij de Korte Marnixkade, waar de Brouwersgracht in de Singelgracht uitmondt. De zuidelijke bocht van de Leidsekade volgt globaal de lijn van het voormalige bolwerk Sloten en wijkt dan, richting Leidseplein, terug, zodat een golvende rooilijn ontstaat. Aan de noordkant, waar de kade afbuigt richting het turngebouw aan de Nieuwe Passeerdersstraat, nu Jeugdtheater De Krakeling, is sprake van een licht concave rooilijn.

Bocht in de Singelgracht. Detail uit de Waarderingskaart beschermd stadsgezicht (Amsterdam) Leidsekade 69, architect Jan de Haan (foto: Wim Ruigok).

Een geblokkeerde zichtlijn

De Leidsekade is een ‘schakel in stedenbouw’ – ik leen hier even de titel van het belangrijke boek van F.W. van Voorden (1983) over de negentiende-eeuwse uitbreidingen in een aantal Gelderse steden – tussen de Middeleeuws/zeventiende-eeuwse en de negentiende-eeuwse stad. Maar wie op de brug over de Leidsegracht in de Marnixstraat staat, ziet dat de as van de Leidsegracht-Leidsekade aan de overkant van de Singelgracht niet is doorgetrokken; de zichtlijn wordt geblokkeerd door de gevelwand tussen Eerste en Tweede Helmersstraat. Kalff en Van Niftrik waren bekwame en energieke civieltechnici, maar geen stedenbouwkundigen. De eerste stedenbouwkundige bij de dienst Publieke Werken, de ‘hoofdcommies’ ir. H.W. Nachenius, trad pas in 1882 aan, toen het plan-Kalff al was aangenomen. Het was Gosschalk die als architect-raadslid belangrijke correcties aanbracht in het ‘blok IV’ van het generale plan, het stuk tussen Potgieterstraat en Overtoom. Dankzij dit onderdeel van de zogeheten amendementen-Gosschalk, aangenomen in februari en maart 1877, ontstond een stratenpatroon dat helder en hiërarchisch was, met een 30 meter brede Ceintuurbaan en drie 20 meter brede radiaalstraten, waaronder de Potgieterstraat en de Bosboom Toussaintstraat. Eerstgenoemde heeft nog steeds de door Gosschalk gewenste zichtlijn met de Lauriergracht. Een zichtlijn Leidsekade-Helmersstraat is er nooit gekomen. Dit kwam door de ingewikkelde eigendomsverhoudingen, de aanwezigheid van vervuilende chemische fabriekjes en het Buitengasthuis. Hierdoor prevaleerden pragmatisme en de belangen van de Bouwmaatschappij ‘Overtoom’. Er kwam een verdichte bebouwing, met de drie 15 meter brede Helmersstraten.

Bebouwing

Leidsekade 50-72, met ‘swingende’ gevelwand (foto: Wilfred van Leeuwen)

De gevelwanden aan het begin van de Leidsekade zijn geen van beide als één geheel ontworpen, zoals dat bijvoorbeeld wel het geval is bij het monumentale bouwblok van Gosschalk bij de Muiderpoort. Bouwers en particulieren kochten één, twee of maximaal vier bouwkavels. Zoals vaker bij negentiende-eeuwse gevelwanden, leverden zowel bouwondernemers als kwaliteitsarchitecten ontwerpen. Het opvallendst is het uitbundig gedecoreerde huis Leidsekade 68-69 in de noordelijke bocht, met de annexen Leidsekade 70 en Marnixstraat 382. Het werd in 1883 gebouwd door de architect Jan de Haan, een man die actief was in het bouwkundige verenigingsleven en die vooral bekend stond als de veel schrijvende redacteur van het tijdschrift Vademecum der Bouwvakken. Het monumentale pand werd zeer waarschijnlijk mede in opdracht van zijn broer A.J. (‘Bep’) de Haan, een van de grootste aannemers van de stad, ontworpen. Als steenhouwerspatroon hechtte Jan de Haan bijzondere waarde aan stevig met natuursteen geprofileerde gevels en rijk figuraal beeldhouwwerk, waardoor hij dan ook een fervent aanhanger van de neorenaissance werd, die daarvoor volop gelegenheid bood. De bouwsculptuur, onder meer een kinderfries dat de bouwvakken uitbeeldt, is van de hand van Joh. Franse. Links ervan, op nr. 65-67, staat een verzorgd bouwblok met topgevels en obelisken en het gevelopschrift ‘Oost west thuis best – anno 1886 – De Kunst is Vryheid’. Ook dit is ‘architecture parlante’, sprekende architectuur, een karakteristiek van de Hollandse neorenaissance.

Aan de andere kant valt vooral de hoge topgevel met Delftsblauw tegelfries van Leidsekade 76 op (1887), een vroeg ontwerp van Jacob van den Ban, die later bij C.A. Bombach werkte en zich daarna definitief in Haarlem vestigde, waar hij tientallen villa’s en woonhuizen ontwierp. Het huis is meer ontworpen in de zwaar geblokte trant van de ‘Haarlemmer’ Lieven de Key dan van Hendrick de Keyser. Het pand ernaast op nr. 77, van G. van Arkel & W. Wilkens (1889), met een origineel amalgaam van versieringen uit zowel de vroege als de latere zeventiende eeuw, is helaas van zijn topgevel beroofd. Ook de erker mist zijn renaissancebekroning. Rechts ernaast staat ook alweer een verzorgd bouwblokje van drie huizen naar ontwerp van Y. Bijvoets (1885). In het middelste huis trokken in 1895 de pas getrouwde Greetje Zelle, de latere Mata Hari, en haar man, de officier Rudolph MacLeod bij een familielid in. Het wat verderop gelegen bouwblok Leidsekade 87-89, met opzij een aardig zuilenportiekje, draagt ook nog sterk bij aan het Oudhollandse totaalbeeld van de kade. Vreemd eigenlijk dat deze kunststroming, als moderniseringsproject in de mode gebracht door Gosschalk en de Delftse hoogleraar Gugel en zo prominent aanwezig in de binnenstad en de negentiende-eeuwse wijken, nog relatief weinig gewaardeerd wordt. Voorlopig is de Leidsekade nog een Geheimtip voor liefhebbers en fijnproevers, ver van het UNESCO-gewoel en de touringcars.

Wilfred van Leeuwen

Bronnen en literatuur (selectie):
Gemeenteverslagen en notulen raadsvergaderingen 1874-1881.
H.W. Nachenius, Bijdrage tot de kennis van den stedenbouw. Eene populaire studie, Haarlem 1880.
I. Jager, Hoofdstad in gebreke, Rotterdam 2002.
J. van Eck, De Amsterdamsche Schans en de Buitensingel, Amsterdam 1948.
A. Dietze, ‘Mislukt? Jan de Haan (1845-1920): steenhouwer, architect en uitgever tussen praktijk en theorie’ in: De Sluitsteen. Bulletin van het Cuypers Genootschap 9 (1993), nr. 1-2, p. 38-60.
A. van der Valk, Amsterdam in aanleg. Planvorming en dagelijks handelen 1850-1900, Amsterdam (diss. UvA) 1989.

(Uit: Binnenstad 265, juli/augustus 2014)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.