Boekbespreking

Het Woonhotel

Het woonhotel is nooit een succes geworden terwijl het toch een geniaal idee was. Een appartement huren met allerlei extra voorzieningen, waardoor de bewoner geen omkijken heeft naar de meest geestdodende vormen van huishoudelijke arbeid. Wie wil dat niet? Eindelijk verlost van het dagelijkse bezoek aan de supermarkt en de plicht om een potje te koken, gewoon eten in het restaurant beneden. Maar toch wonen mensen liever in hun ‘eigen huisje’, dat bastion van vermeend individualisme. Zelfs nu het eenpersoonshuishouden in Amsterdam bijna de norm is geworden, blijft iedereen dapper voor zichzelf zorgen.

Het is bijna onvoorstelbaar, maar vroeger kwamen alleenstaanden niet in aanmerking voor een woning. Zij waren veroordeeld tot het wonen in pensions en bij hospita’s. Iedereen kent Het Nieuwe Huis aan het Roelof Hartplein, een machtig bouwwerk, pal in de as van de Van Baerlestraat. Maar niet veel mensen weten dat achter die wat conventionele Amsterdamse School-architectuur een revolutionair gebouw schuilgaat, een woonhotel voor de kleine middenstand, met een zweem van luxe. De onzichtbare achtergevel, met de spectaculaire ramen van het centrale trappenhuis, is eigenlijk veel interessanter dan straatgevel, die vooral de toenmalige Schoonheidscommissie moest bekoren. Het gebouw werd na een lange voorbereidingstijd in september 1928 opgeleverd.

Dorothee Oorthuys geeft in haar boek over dit gebouw een beknopt maar leerzaam overzicht van de geschiedenis van het woonhotel, zowel voor arme als gefortuneerde mensen, al wordt geen aandacht besteed aan de grote belangstelling van links georiënteerde architecten voor dit idee, om ook de proletarische vrouw te emanciperen. J.C. van Epen (1880-1960) trok zich terug als architect toen de Schoonheidscommissie zijn ontwerp afkeurde. Het welstandstoezicht was toen een architectenlijstje. De opdracht ging vervolgens naar B. van den Nieuwen Amstel (1883-1957), een minder bekende architect van de Amsterdamse School die veel schortjesarchitectuur ontwierp voor de speculatiebouw: mooie straatwanden voor slechte plattegronden.

Maar waarschijnlijk werd Van den Nieuwen Amstel gekozen omdat hij van 1914 tot 1920 bij F.A. Warners had gewerkt en zodoende bekend was met moderne appartementengebouwen. In elk geval ontwierp hij bij deze gelegenheid niet alleen een aardige gevel maar een complex gebouw dat nog steeds goed functioneert. Zo wordt niet alleen de geschiedenis van Het Nieuwe Huis uit de doeken gedaan maar krijgt ook deze min of meer vergeten architect de aandacht die hij verdient. Een doorwrochte studie over de Amsterdamse School als geheel is er nog steeds niet. Ik vraag mij vaak af wat Nederlandse architectuurhistorici eigenlijk aan het doen zijn.

Het boek is in aangenaam Nederlands geschreven. Een redacteur wordt niet genoemd maar de tekst is vlekkeloos. Ook de vormgeving en de uitstekende foto’s laten niets te wensen over. Alleen een index ontbreekt, maar dat is in zo’n overzichtelijk boek geen ramp. Wat ook ontbreekt is diepgang. De auteur heeft echter niet de pretentie om een nieuw licht te werpen op de gloriejaren van de Amsterdamse School. In elk geval is de geschiedenis van Het Nieuwe Huis nu opgetekend.

Vincent van Rossem

Dorothee Oorthuys, Het Nieuwe Huis. Architect Barend van den Nieuwen Amstel, Stokerkade cultuurhistorische uitgeverij, Amsterdam 2014. ISBN 97890 79156 245. Euro 24,50.

(Uit: Binnenstad 265, juli/augustus 2014)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.