Honderd jaar kerkenproblematiek 2

De jonge kerkgebouwen, merktekens van religieuze identiteit

De oorlog en de crisisjaren die daarop volgden maakten het noodzakelijk om nog vele jaren bijzondere aandacht te besteden aan het herstel van de grote monumenten, zoals de Oude Kerk en de Noorder- en de Oosterkerk. Daarnaast nam de gemeente Amsterdam zich voor ‘om op korte termijn voor kerken uit de negentiende eeuw die door hun plaats in het stadsbeeld van belang worden geacht voorzieningen te treffen’, zoals we in de Gemeentebegroting voor 1965 kunnen lezen. (1)
Sint Willibrordus buiten de Veste

De zogenaamde ‘jonge kerkgebouwen’, uit de periode 1850-1924, verkeerden toen in een vacuüm; tegenover het verlies van religieuze identiteit stond nog geen opname in het collectief geheugen. De negentiende eeuw met zijn vele neostijlen – hoe veelzeggend is de naam – gold toen als periode van verval en de bouwwerken uit die tijd, met hun kleurrijke interieurs, werden nog niet herkend als Gesamtkunstwerk.
Heel langzaam kenterde dit beeld, maar het zou nog zeker tien jaar duren voor de eerste ‘jonge kerkgebouwen’ bescherming genoten. En nog altijd blijft het lastig om de nog jongere kerkgebouwen te beoordelen en hun waarde tijdig en juist in te zien.

‘Als in Holland een 19de-eeuws huis door een firma wordt opgeknapt, zelfs voor vrij veel geld, dan is dat altijd een bijdrage aan het nationale gebruik van board en tapijttegel. Het lijstwerk wordt weggehaald, de schoorsteenmantel gesloopt; en niet alleen tegen de plafonds, maar ook tegen de deuren wordt board gespijkerd’, schreef Rudy Kousbroek in 1971. (2) De ontkenning van de structuur en decoratie van het Rijksmuseum illustreert dit misschien nog wel het beste. Nieuw onderzoek en hernieuwde belangstelling hadden vanaf de zestiger jaren van de twintigste eeuw deze benaderingswijze doen kantelen. Geert Bekaert schonk in Wonen-TABK aandacht aan de bedreigde Cogels-Osy-lei in Antwerpen (3) en in de tentoonstelling Die verborgene Vernunft (1972) bekende het Stedelijk Museum zich tot de zogenaamde ‘pioniersvisie’ van de moderniteit achter de neostijlen. (4) Voor de architectuurhistoricus en latere hoogleraar Cees Peeters was deze visie echter ontoereikend, hij pleitte voor een billijke evaluatie van de negentiende-eeuwse architectuur, los van de contemporaine kritiek. (5) In 1974 wijdde het Amsterdams Historisch Museum de tentoonstelling Amsterdam onder stoom aan het negentiende-eeuwse Amsterdam (6) en in diezelfde tijd beschreef Rein Blijstra in een reeks artikelen in Ons Amsterdam met nieuwe aandacht de negentiende-eeuwse stadsuitbreiding. (7)

Kansloos zonder bescherming

Onlangs schetste Sible de Blaauw hoe tijdens de stormachtige kerkelijke vernieuwing na 1960 het kerkelijk erfgoed haar vanzelfsprekendheid verloor. (8) De lege kerken werden een hot item, maar het vinden van duurzame oplossingen nam tijd en intussen werd een cultuurperiode uitgewist. (9) Bezettingen door boze kerkgangers, wekenlange rechtszaken en oproer vulden de krantenkoppen. Kees van Kooten en Wim de Bie gaven bekendheid aan de leegstaande Martinuskerk in Utrecht als ‘de kerk van Juinen’. Ook in Amsterdam kwam de voorgenomen bescherming van de negentiende-eeuwse kerken (10) niet van de grond. Het onorthodoxe plan van architect Walter Kramer (bureau Monumentenzorg) om de Sint Willibrordus buiten de Veste uit 1871 e.v. (P.J.H. Cuypers, 1827-1921) te behouden door de bouw van winkels aan de Ceintuurbaan en verkleining van het schip kwam niet tot uitvoer en in 1966 viel het doek voor deze ‘kathedraal aan de Amstel’. ‘Had onze commissie over deze kerk moeten adviseren, dan zou zij zeker voor haar behoud hebben willen pleiten en zich hebben afgevraagd of restauratie […] niet haalbaar zou zijn geweest’, schreef een bisschoppelijke adviescommissie in 1968. (11) In 1970 tuigden de zogenaamde ‘Kabouters’ de kerk nog op met een vijf meter hoge kabouter. ‘Het is een schande dat dat gebouw zo lang leeg staat. Wij geloven er geen snars van, dat de kerk bouwvallig is. Het lijkt niet uitgesloten dat de kerk hoog prijkt op de lijst van binnenkort te kraken panden’. (12) Het voortschrijdend inzicht kwam echter te laat. Voor Marita Mathijsen kwam de Willibrorduskerk, die zij niet heeft gekend, tot leven toen haar echtgenoot een plank met een voorstelling van Maria Boodschap thuisbracht. Zij ervaart de plaats waar de kerk ooit stond als ziek ‘Het oude silhouet schijnt nog steeds in de lucht te zweven’. (13) Als ‘zieke plekken’ in het stadsbeeld roepen de Willibrordus en de Maria Magdalenakerk de vergelijking op met de Place Lambert, de gesloopte Lambertuskathedraal van Luik. (14) Na de invoering van de vijftig jaar-grens in de Monumentenwet van 1961 (15) kwam in 1974 een groot aantal kerkgebouwen uit de periode tussen 1825 en 1924 op de Rijkslijst. (16) Bij ministeriële uitzondering kreeg de Sint-Nicolaaskerk vervroegde bescherming; herstel van de koepel gedoogde geen langer uitstel. Tegelijkertijd – en dat zou later hun redding blijken – werden nog acht Amsterdamse kerken op de op de lijst opgenomen. (17) Het voorstel uit 1978 van de gemeentelijke ‘commissie Dooijes’, om – indachtig het gemeentelijk voornemen uit 1964 – de kerken buíten de Singelgracht te beschermen vanwege hun stedenbouwkundige waarde, vond echter geen gehoor bij het college van B&W. Hiermee was in 1984 het lot beslist van de Bonifatiuskerk uit 1886 in de Oosterparkbuurt (E.J. Margry, 1841-1891). Deze kerk lag met haar hoge toren (P.J. Pieters, 1925) als een katholieke enclave tussen het Kastanjeplein en het Eikenplein. Hetzelfde lot trof in 1989 de Vincentiuskerk aan de Jacob van Lennepkade uit 1900 (C.P.W. Dessing, 1844-1913), met haar 65 meter hoge toren een baken in de Kinkerbuurt. Gerrit Komrij had troost gevonden in de pastorie van de Vincentiuskerk tegenover zijn huis aan de Jacob van Lennepkade: ‘Op een morgen was de pastorie met de grond gelijk gemaakt. Weg was mijn ontoegankelijk paleis. Ze hadden meteen ook maar de kerk afgebroken. Toen ben ik naar het buitenland verhuisd’. (18)

Situering van de kerkbouw 1853-1900

De Vondelkerk, gezien vanuit het westen. Hans Keller interviewt Gerard Reve in de Vondelkerk in 1969.

Als een nieuwe religieuze identiteit nestelden de katholieke emancipatie en het voortdurende protestantse versplinteringsproces zich in het nieuwe stadsprofiel tussen de koepel van het Paleis voor Volksvlijt en de fabrieksschoorstenen aan de uiteinden van de stad. De Annakerk op Wittenburg uit 1899-1903 (P.J. Bekkers, 1859-1918) zette als neogotische hallenkerk de traditie van de ‘verborgen kerken’ voort. Elders maakten de katholieke huiskerken plaats voor de minikathedralen van P.J.H. Cuypers (De Posthoorn), A. Tepe (De Krijtberg) en A.C. Bleys (De Nicolaaskerk). Nieuwe katholieke en protestantse kerken markeerden het silhouet van de nieuwe wijken. Over deze bouwcampagne had de overheid had geen regie – zoals bij de zeventiende-eeuwse kerken; de kerkgenootschappen handelden zelfstandig conform het ‘rooilijnenplan’ van de directeur van Publieke Werken, ir. Jan Kalff (1831-1913), en dienden hun plannen in bij rooimeesters en bouwopzichters. Dit was een ander perspectief dan in het – afgewezen – uitbreidingsplan uit 1866 van stadsingenieur J.G. van Niftrik (1833-1907). (19) In zijn opzet had het kerkgebouw de functie van markeringspunt in het stadsbeeld, zoals in Brussel – de koninklijke Mariakerk van Schaarbeek (1844) aan de Koningsstraat – of Berlijn – de Kaiser Wilhelm Gedächtniskirche. Zover kwam het in Amsterdam niet; hier zouden een geslaagde grondaankoop en architectonisch talent over de stedenbouwkundige betekenis van een kerkgebouw beslissen. P.J.H. Cuypers was zich daarvan bewust. (20) Zijn Vondelkerk (1872-1873, 1875-1880) kon als middelpunt van de door hem ontworpen Vondelstraat bogen op algemene waardering vanwege de samenhang tussen de situatie, de plattegrond en de vormgeving. En de Maria Magdalenakerk (1889-1891), eveneens van zijn had, werd hét ankerpunt van de Spaarndammerbuurt. De stedenbouwkundige betekenis die Henry-Russell Hitchcock in 1958 aan deze kerk toekende, ‘Occupying one of those narrow triangular sites so often assigned to important churches in this period, the exterior built up grandly to the rather severe crossing tower at the rear’, heeft het bouwwerk echter niet kunnen redden. (21)

De voormalige Koepelkerk, die in de zichtas stond van de Leidsestraat. De voormalige Funenkerk aan de Zeeburgerstraat met links de Gereformeerde school en op de achtergrond de Oosterkerk. Foto: Jacob Olie, 1891

Naast de neogotiek als dé programmatische bouwstijl van de katholieke emancipatie, werd de Hollandse renaissance de inspiratiebron voor de kerkgebouwen, die na de Doleantie van 1886 afzonderlijk voor hervormden en gereformeerden tot stand kwamen. Twee kerken (van vóór de Doleantie) gaven blijk van andere inspiratiebronnen. G.B. Salm (1831-1897) ontwierp het Gebouw voor Bijeenkomsten van de Vrije Gemeente (1879) aan de Weteringschans, het tegenwoordige Paradiso, als een baksteenbouw in ‘Rundbogenstil’. De hervormde Koepelkerk aan het Leidsebosje uit 1878-1884 (A.J. van Beek, geb. 1848) was bedoeld als gedenkteken voor de 300-jarige Alteratie van 1578 en werd een monumentaal accent in de as van de Leidsestraat. Haar
middeneuropese eclectisch-kosmopolitische vormgeving was atypisch voor de tijd. Vergevorderde verkoopplannen belemmerden de voordracht als monument en ondanks een handtekeningenactie in Het Parool werd de Koepelkerk in 1971 gesloopt. (22) ‘Paradiso’ werd wel rijksmonument. (23)
toren van de hervormde Muiderkerk uit 1892 (G.W. Vixseboxse, 1856-1905) werd zo geplaatst ‘dewijl het bouwen van den vooruitspringende toren, wegens de afwisseling tot sieraad zal strekken van de aangrenzende Linnaeusstraat’. (24) De gevel van de gereformeerde Funenkerk aan de Zeeburgerstraat uit 1889 (Tjeerd Kuipers, 1857-1942) – zonder toren – suggereerde een stedelijke mikrokosmos in de as van de Nieuwe Vaart. Herinterpretatie van het ‘galerijmotief’ van de schuilkerken inspireerde mogelijk de ontwerpen van de Nieuwe Waalse Kerk aan de Keizersgracht 676 uit 1855 (A.N. Godefroy, 1822-1899) en van De Duif uit 1857 (Th. Molkenboer, 1796-1863). (25) De vergelijkbare dispositie van De Posthoorn (1860-1862) van P.J.H. Cuypers werd in het Engelse blad The Ecclesiologist als bijzonder geslaagd beschreven. (26) De galerijen van de gereformeerde kerk aan de Keizersgracht 566 uit 1887 (A. Salm GBzn., 1857-1915) gingen terug op een voor die denominatie vertrouwd concept. (27) Het invoegen in de bestaande gevelwand van de twee kerken aan de Keizersgracht, de Nicolaaskerk aan de Prins Hendrikkade en De Krijtberg aan het Singel leek probleemloos, de nieuwe torens van De Posthoorn, ‘die buiten alle verhouding tot de straatbreedte staan’, kregen echter een voorplein aan de Haarlemmerstraat voorgeschreven. (28)

Het Interbellum

De Gerardus Majella-kerk aan het Ambonplein. De Willem de Zwijgerkerk gezien vanaf het Noorder-Amstelkanaal.

Hoewel in het Interbellum het fenomeen kerkbouw niet vanzelfsprekend was, werden in het Plan-Berlage, het uitbreidingsplan-Sloten en in Noord 25 kerkgebouwen betrokken bij het stedenbouwkundig ontwerp. ‘Pleinen moeten niet ontstaan als toevallige overblijfselen, zooals die nu maar al te dikwijls blijken te zijn, maar als centrale “uitgangspunten” worden beschouwd zooals dat vroeger gebeurde. Want een plein zonder openbaar gebouw is geen plein’. (29) Dit uitgangspunt verklaart de situering van de Jeruzalemkerk uit 1928-1929 (F.B. Jantzen, 1895-1987) als het middelpunt van het Jan Mayenplein, en de Maarten Lutherkerk aan de Dintelstraat (1937-1938) van dezelfde architect kreeg een bijzondere, verhoogde situering. De synagoge Lekstraat uit 1936 (Abraham Elzas, 1907-1995) ligt vrij in zijn omgeving, evenals de Bethlehemkerk uit 1924 (Adriaan Moen, 1879-1950) op het Zwanenplein in Noord. De Gerardus Majellakerk uit 1925-1927 (Jan Stuyt, 1868-1934) is met haar majestueuze koepel met tentdak een baken in de Oranje Vrijstaatkade. De Agneskerk bij het Haarlemmermeercircuit uit 1920-1921, 1931-1932 (eveneens van Jan Stuyt) en de synagoge aan de Heinzestraat uit 1927-1928 (Harry Elte, 1880-1944) markeren de samenkomst van straten. (30) De Willem de Zwijgerkerk uit 1931 (C. Kruyswijk, 1885-1935) aan de Marathonweg kreeg een monumentale toren en markeert het Noorder-Amstelkanaal.
De gemeentelijke subsidiëring van torenuurwerken bevorderde een functionele samenhang van de kerktoren en omgeving. Dit was het geval bij de Thomas van Aquinokerk aan de Rijnstraat uit 1925-1926 (Jacq. Duncker, 1867-1935), de Obrechtkerk uit 1908-1911 (Jos.Th.J. Cuypers, 1861-1949, en Jan Stuyt), de Nassaukerk aan de De Wittenstraat uit 1926 (H.G. Krijgsman) en de Elthetokerk uit 1930 aan de Insulindeweg (C. Kruyswijk). (31)

De wederopbouw

Tijdens de wederopbouwperiode (1945-1970) bereikte de kerkbouw een laatste, ongekende bloeiperiode. Voor de rooms-rode regeringscoalities had het kerkgebouw een maatschappelijk belang voor de omgeving, dat financiële vertaling kreeg in de wet Premie Kerkenbouw. (32) Wethouder Joop den Uyl (PvdA) van Publieke Werken verdedigde de voordracht om fl. 500.000 te reserveren voor de bouw van 23 kerken, die in afwijking van het gangbare erfpachtstelsel op eigen grond konden worden gebouwd. ‘Dat de overheid zich principieel gezien bepaalde beperkingen heeft op te leggen als het gaat om het subsidiëren van godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuigingen, spreekt vanzelf’. (33) In het Algemeen Uitbreidings Plan van Van Eesteren kwamen 61 kerkgebouwen tot stand, als ‘strooisels in het groen’. ‘De Kolenkit’ van M.J. Duintjer uit 1956, de Pius X-kerk uit 1959-1960 (bureau J.A. van der Laan, J.B. Hermans, Th.M. van der Eerden en J.H.M. Kirch) en De Opgang uit 1968 van J. Krüger in West werden architectonische en stedenbouwkundige hoogtepunten, evenals de protestantse Thomaskerk uit 1964-1966 in Zuid van K.L. Sijmons Dzn., die een symbool werd van de liturgische vernieuwing.

Wel of niet beschermd

De Chassékerk of Onze Lieve Vrouw van Altijd Durende Bijstand in de Chasséstraat in de Baarsjes (Amsterdam-West) werd in 2003 op Gemeentelijke Monumentenlijst geplaatst.

Blijkens uitspraken van de Raad van State geeft de monumentenstatus richting, maar garandeert behoud niet. Bij functieverlies weegt het belang van de eigenaar mee in beroepsprocedures. (34) Met het verzuilde bestel verloren de negentiende- en twintigste-eeuwse kerken hun vanzelfsprekende betekenis. Waar in België overheid en kerk gezamenlijk in de kerkfabriek participeren – zo heeft Antwerpen zijn kerken in de negentiende-eeuwse gordel kunnen behouden – kent Nederland geen andere betrokkenheid dan subsidies voor restauratie- en instandhouding. Amsterdam beperkte zich tot de zorg voor de Oosterkerk en de Zuiderkerk. In de negentiende-eeuwse gordel richtte de stadsvernieuwing zich op woningbouwlocaties, zonder integratie van het voorgenomen beleid dat uit de twee kerkennota’s sprak. (35) De kerkgebouwen bleken geschikte locaties voor woningen en bejaardenhuizen. (36) Oud-West verloor naast de
Vincentiuskerk ook het rijksmonument ‘De Liefde’ (P.J.H. Cuypers, 1883) aan de Bilderdijkstraat. In 1986 verwierp de ‘Coördinatie Stadsvernieuwing’ het plan voor behoud door herbestemming en koos voor woningbouw, in 1991 werd De Liefde afgebroken. (37) Alle kerken leken op de schop te gaan.
In 1971 was het voornemen van de R.K. ‘Citykerk’ om zes binnenstadskerken ‘af te stoten’ echter reden tot actie geweest. Naar analogie met de stichting Oude Kerk werden organisaties opgericht voor het behoud van de Vondelkerk, De Duif en De Posthoorn in de binnenstad, en voor de Obrechtkerk en de Agneskerk in Zuid. (38) De parochianen van ‘De Krijtberg’ aan het Singel uit 1881-1883 (W.V.A. Tepe, 1840-1920) kregen brede steun voor het behoud van hun kerk. (39)

Pius X-kerk aan de Jacob Geelstraat, Van der Laan, Hermans en Van der Eerden, 1959-60 De Ark in Slotervaart, P. Zanstra, 1960

Ook voor de waarde van jongere kerkgebouwen was het gemeentelijk Bureau Monumentenzorg (BMZ) niet ongevoelig, maar het bureau werd niet altijd gesteund door de dienst Publieke Werken, waar BMZ formeel deel van uitmaakte, hetgeen o.m. blijkt uit de afwijzing om restauratiesubsidie toe te kennen aan de Willibrorduskerk. (40) In het kader van de gemeentelijke decentralisatie in de jaren ’90 werden de stadsdelen verantwoordelijk voor de ‘gemeentelijke monumentenlijst’. (41) Anders dan bij ‘De Liefde’ koos het stadsdeel De Pijp voor het behoud van de Oranjekerk aan de Van Ostadestraat uit 1903 (C.B. Posthumus Meyjes, 1858-1922), waarvan de toren een onverwacht accent vormt in de Ceintuurbaan. (42) Zeeburg ondersteunde met hulp van het Amsterdams Monumentenfonds het nieuwe gebruik van de Gerardus Majellakerk aan het Ambonplein. Het zelfde stadsdeel maakte een andere afweging voor de Elthetokerk aan de Insulindeweg. Dit Amsterdamse School-gebouw maakte in 1992 plaats voor woningbouw. De aanwijzing als rijksmonument gaf in 1996 – op het allerlaatste moment – richting aan het behoud en herinrichting van de Emmakerk aan de Middenweg uit 1938 (G.J. Friedhoff, 1892-1976). (43) De ‘werkgroep 20-40’ bevocht het behoud van de Chassékerk uit 1924-1926 (K.P. Tholens, 1882-1971), die nu uiteindelijk wordt herbestemd. Ook uit de wederopbouwperiode vielen twee potentiële monumenten onder de slopershamer: ‘De Opgang’ in Osdorp (2007), vooral stedenbouwkundig van belang, en de monumentale Pius X-kerk in Slotervaart. Ondanks de steun van de centrale stad (BMA) voor behoud en de voorkeur van de buurt voor hergebruik als schoolaula, koos het stadsdeel Slotervaart in 2008 voor sloop ten behoeve van de bouw van een ‘brede school’. (44) In dit krachtenveld legde het kerkgebouw het loodje en het nieuwbouwplan leed schipbreuk, met als resultaat een grasveld. In Noord verkeert de herbestemming van de Sacramentskerk uit 1952 (A. Evers, 1914-1997 en G.J.M. Sarlemijn, 1909-1993) nog in een moeizaam proces met onzekere afloop.
Stadsherstel Amsterdam (45) bood een concrete oplossing voor de kerkenproblematiek. Deze instelling heeft inmiddels twaalf kerkgebouwen overgenomen en herbestemd voor vaste gebruikers. (46) Dit succes bewijst het ongelijk van sloop en geeft zicht op een gemiste toeristenstroom naar de Willibrordus en Maria Magdalena.
Op de eerder gestelde vraag van Wilfred van Leeuwen ‘Moeten alle kerken worden bewaard?’, moet het antwoord luiden: Ja, zeker de beschermde kerken. En laat hergebruik voorop staan bij de orde 2- en 3-panden. ‘Behoud’ van De Ark van P. Zanstra in Slotervaart (1960) door verminking van het gebouw dient afgewezen te worden. Het is nota bene een gemeentelijk monument. Maar de geschiedenis herhaalt zich: opnieuw zetten mensen zich in voor de Oosterkerk.

Overigens ben ik van mening dat de oude kerk moet blijven zoals hij is!

Guido Hoogewoud

[Vorig artikel]

Voetnoten:
1. Gemeentebegroting voor 1965, Gemeenteblad 1964, I, p. 1711.
2. ‘Van bloemen en boardplafonds’ in: R. Kousbroek, Anathema’s 2, Utrecht 1971, p. 28.
3. Geert Bekaert, ‘Zurenborg/Cogels-Osylei’ in: Wonen-TABK, 37 (1970), p. 9.
4. Die Verborgene Vernunft, funktionale Gestaltung im 19. Jahrhundert, Stedelijk Museum Amsterdam 1972.
5. C. Peeters, ‘Functionele vormgeving in negentiende-eeuws Nederland’ in: Plan 1 (1972), p. 17-23.
6. ‘Amsterdam onder stoom (1795-1918)’ in: Ons Amsterdam 26 (1974), p. 2.
7. R. Blijstra (1901-1975), letterkundige en stedenbouwkundige, beschreef de wording van de negentiende-eeuwse ring in een reeks bijdragen in Ons Amsterdam (1972-1976).
8. Prof. dr. S. de Blaauw (hoogleraar ‘Vroegchristelijke kunst en architectuur’ aan de Radboud Universiteit Nijmegen), ‘Bevrijding van de dwingende kerk, over de afkeer van de 19de-eeuwse kerkelijke kunst en architectuur in Nederland’, voordracht op het symposium ‘De genade van de steiger’ d.d. 21 november 2013, Obrechtkerk Amsterdam.
9. W. Kramer, ‘Land zonder kerken?’ in: Plan 7 (1976), p. 18-56.
10. Gemeentebegroting voor 1965, Gemeenteblad 1964, I, p. 1711.
11. ‘Tweede verslag van de diocesane commissie voor kerkelijke monumenten, Amsterdam, kerken in het gebied oud-west, oud-zuid en oud -oost’ in: Analecta voor het bisdom Haarlem, 15 (juni 1969), 4, p. 10.
12. De Volkskrant, 8 juni 1970 – met dank aan Carol Schade voor de toezending van dit bericht.
13. Marita Mathijsen, ‘Kerkensloop’ in: NRC Handelsblad, 29 april 2006.
14. Philippe Raxhon, ‘Luik: de Sint Lambertuskathedraal, de leegte van de Revolutie’ in: België een parcours van herinnering, Amsterdam 2008, p. 164-177.
15. Wet behoudende voorzieningen in het belang van het behoud van monumenten van Geschiedenis en Kunst, Staatsblad 1961, p. 200.
16. Persbulletin 1428, Ministerie van Cultuur, Recreatie & Maatschappelijk werk, 20 februari 1974.
17. Ontwerp van een tweede aanvullende monumentenlijst van beschermde monumenten voor de gemeente Amsterdam, voordracht 1123, 7 november 1972, Gemeenteblad I, 2317-2905. Voorgedragen werden ‘De Liefde’, ‘De Posthoorn’, ‘De Papegaai’, ‘Onbevlekt Hart van Maria’ a/d Keizersgracht, Nicolaaskerk, ‘De Duif’, ‘De Krijtberg’, Dominicuskerk.
18. Gerrit Komrij, ‘Over huizen, architectuur en vormgeving’, “De maat van huizen”, in: Inkt, Kapitale stukken, Amsterdam 2002, p. 180-191 (190).
19. ‘Memorie van Toelichting van de stadsingenieur’, 20 oktober 1866, in de voordracht van Burgemeesters en Wethouders betreffende de uitbreiding van de bebouwde kom der gemeente, 9 april 1867, Gemeenteblad 1867, I, p. 93-115.
20. A. Oxenaar, ‘Naar een nieuwe stadskerk (1858-1861)’ in: P.J.H. Cuypers en het gotisch rationalisme (diss.), Rotterdam 2009, p. 199-203.
21. Henry-Russell Hitchcock, Architecture: Nineteenth and twentieth centuries, Middlesex 1958 (vierde druk 1977), p. 482.
22. Notulen van de honderdachtste vergadering van de Rijkscommissies voor de Monumentenzorg en de Monumentenbeschrijving op 4 september 1970, p. 2. ‘Bespreking betreffende een beperkte aanvullende lijst van te beschermen 19de- en 20ste-eeuwse architectuur van de gemeente Amsterdam’. Voorgesteld werden o.a. het Amstelhotel, Theater Carré, winkels van G. van Arkel, het St.-Jacobsgesticht(!), de Hollandsche Manege, het Aquariumgebouw, het Centraal Station, het Concertgebouw en woonblokken van Michel de Klerk. De beslissing werd aangehouden van de St. Nicolaaskerk(!), De Posthoorn, De Krijtberg, de Koepelkerk, gebouw Droogbak en Sarphatistraat 3-7.
23. Paradiso maakte deel uit van het gebied aan de Weteringschans waar zich de actie ‘Bouw es wat anders’ op richtte.
24. A. de Groot, ‘De Muiderkerk, protestantse kerkbouw in Amsterdam aan het eind van de 19de eeuw’ in: De Sluitsteen, bulletin van het Cuypersgenootschap, 6 (1990), p. 2-21.
25. Peter Prins, ‘Het Vrede-duifje, de Duifkerk en De Duif’ in: Nieuwsbief Stadsherstel nr. 51, november 2002.
26. “This building might be removed to any town in England, and there be offered as an instance of that for which we have so long and so fervently wished ... A new town church, of a minster-like character, is that what we have long desired […] and while we have been thinking and arguing, this young Dutch architect has come forward to show us, in Amsterdam, how well and readily the thing may be done.” ‘A satisfactory new church in Holland’ in: The Ecclesiologist, no. CLXI (april), London 1864, p. 85-88. Het gaat hier om de eerste bouwfase van de kerk, zonder de torens aan de Haarlemmerstraat.
27. ‘Kerkgebouw voor de Nederduits Gereformeerde Doolerende Gemeente’ in: J. Kuyt e.a., G.B. Salm en A. Salm GBzn., Amsterdam 1997, cat. 88.
28. Beantwoording van het adres van het kerkbestuur van Onze Lieve Vrouw Onbevlekt Ontvangen, juni 1887, SAA, archief no. 5180 (secretarie Publieke Werken) (1887), 3804.
29. Toelichting tot het plan tot uitbreiding der stad Amsterdam tusschen Amstel en Schinkel, SAA, 5180, 1900 no. 7507.
30. L. van Grieken, ‘P.D. Meijer, A. Ringer, Harry Elte Phzn. (1880-1944), een onafhankelijk architect in Amsterdam’ in: Jaarboek Amstelodamum 90 (1998), p. 159-186.
31. Gemeenteblad 1928, I, p. 2996, voordracht no. 1426, 28 december 1928, ‘tot het doen aanbrengen van een uurwerk met vier electrisch te verlichten wijzerplaten in den toren van de aan het Javaplantsoen en den Kramatweg in aanbouw zijnde Elthetokerk, idem Gemeenteblad 1929, II, p. 24, raad 23 januari 1929, L. Seegers (CPH) keerde zich tegen de voordracht “niemand zal er wat aan hebben [...] de kerk ligt aan de uiterste grens der stad, de Ambachtsschool aan het Timorplein is een betere locatie”.
32. De Wet Premie Kerkenbouw, Staatsblad, 29 november 1961, 538 tot regeling van het verstrekken van een premie aan kerkgenootschappen terzake van de stichting van kerkgebouwen. De wet liep met terugwerkende kracht van 1 maart 1961 tot 1972.
33. Gemeenteblad 1963, II, 667, raadsvergadering van 10 juli 1963, voordracht 733, praeadvies van B & W op de adressen van de Gereformeerde Kerken van Watergraafsmeer en de Nederlands Hervormde Gemeente.
34. Het besluit van de gemeente Amsterdam om de Posthoornkerk slechts voor fl.1,00 aan te kopen was voor de Raad van State reden tot verstrekking van een sloopvergunning aan de R.K. Citykerk, 31 maart 1981.
35. Nota kerkgebouwenbeleid deeluitwerking I, Gemeenteblad 1980, bijlage S & Nota kerkgebouwenbeleid, Gemeenteblad 1990, bijlage G.
36. De Augustinuskerk aan de Postjesweg in 1977 (K.P. Tholens, 1931-1932) en de Bonifatiuskerk (1984), de Vincentiuskerk (1989) en ‘De Liefde’ (1991), de Prinsessekerk aan de Van Hallstraat in 1982 (C.B. Posthumus Meyjes, 1916-1918), de Funenkerk (1975), de Raamkerk (1965) en de Haarlemmerpoortkerk aan de Planciusstraat (1966). De Willibrorduskerk maakte uiteindelijk plaats voor een bejaardenhuis, op de plaats van de Maria Magdalenakerk ligt een plantsoen. De Koepelkerk maakte plaats voor het Marriott Hotel.
37. Coördinatie Stadsvernieuwing, de gemeentelijke dienst het stadsvernieuwingsproces leidde.
38. ‘Trek Agnes uit de put’, werkgroep behoud Agneskerk, 1979, ‘Ja, er is nog kans voor de Rozenkrans’, brochure, uitgegeven door het wijkcentrum Vondelpark-Concertgebouwbuurt, juli 1979.
39. L. Lansink en P. van Dael, De nieuwe Krijtberg, een neogotische droom, Amsterdam 1993.
40. Notulen van de bespreking tussen de wethouder voor Publieke Werken, drs. R.J. de Wit en de wethouder voor Volkshuisvesting, mr. Th.C.M.A. Elsenburg d.d. 22 november 1965. Met dank aan David Mulder voor deze verwijzing.
41. Nota Monumentenzorg in Amsterdam, Gemeenteblad 1993, bijlage G.
42. In eerste aanzet niet bedoeld, maar toch gebouwd, Peter Prins, Barbara Luigies, Paul Morel, ‘De Oranjekerk’ in: Nieuwsbrief Stadsherstel, augustus 2000.
43. De door het stadsdeel Oost/Watergraafsmeer in 1996 aan de Hervormde Gemeente verstrekte sloopvergunning werd doorkruist door het verzoek van het Cuypersgenootschap om de Emmakerk aan te wijzen als monument. De honorering van dit verzoek leidde tot een planwijziging, Over de transformatie van de Emmakerk tot kerkelijk centrum De Bron, Amsterdam 1999.
44. Architect André van Stigt maakte hiervoor een verbouwingsplan.
45. Stadsherstel Amsterdam ging in 1999 samen met het Amsterdams Monumentenfonds (1989).
46. De Vondelkerk, De Duif, Posthoornkerk, Amstelkerk, Parkkerk, Oranjekerk, Gerardus Majellakerk (Nedpho Koepel), Schellingwouderkerk, ‘De Hoop’ (Diemen), Ransdorpkerk, ‘Van Houtenkerk’ (Weesp), Bakenesserkerk (Haarlem).

(Uit: Binnenstad 265, juli/augustus 2014)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.