Kalverstraat 10: boeken, kunst en koffie

Koffie en boeken, het is een goede combinatie. Aan tafel, op de bank en in de hoofden van de boekhandelaars, die denken dat de aanwezigheid van koffie hun winkels nieuw leven in kan blazen. De combinatie van koffie en boeken kwam echter enkele eeuwen geleden al voor in Kalverstraat 10, een imposant pand met een interessante geschiedenis. Achter de verhoogde lijstgevel met borstbeelden gaat een geschiedenis schuil van vele bekende drukkers en boekverkopers, die hier in de zeventiende en achttiende eeuw waren gevestigd. In die tijd vormde de Dam met zijn directe omgeving het kloppende hart van de Amsterdamse boekhandel, die een wereldwijde reputatie bezat. Door de tolerantie en grote mate van persvrijheid oefenden deze winkels en uitgeverijen een grote aantrekkingskracht uit op de eigen inwoners, maar ook op alle toeristen en zakenlieden die Amsterdam bezochten.
Afb. 1. Gravure van het uithangbord van Clement de Jonghe, die hij in sommige boeken liet afdrukken op de titelpagina.

De eerste grote uitgever die aan Kalverstraat 10 kan worden verbonden, is Clement de Jonghe (1624-1677), bekend vanwege zijn nauwe banden met Rembrandt. In 1662 had hij ter plaatse van Kalverstraat 10 zijn winkel, De gekroonde konstkaert genaamd. Aan de gevel liet Clement een bijzonder fraai uithangbord ophangen om de zichtbaarheid van de winkel in de Kalverstraat te vergroten (afb. 1). Na 1662 had hij al het nodige aan het pand laten verbouwen, ondanks het feit dat hij het alleen huurde, maar in 1668 kreeg hij het gebouw voor ƒ10.080 in eigendom. In de koopakte werd vermeld dat het uithangbord, de kasten in de winkel, de kachel in het voorhuis, de tafel en drukpers op zolder en de duiventil op de vliering door hem waren aangebracht. Toen Clement in 1677 een beroerte kreeg, ging het bergafwaarts met de zaak. Na zijn dood werd de winkel van 1680-1687 gebruikt als koffiehuis en kunsthandel, gerund door Hendrik Visjager. In 1687 besloten de erfgenamen van Clemens het gebouw te verkopen aan Gerard Valk, die er ƒ10.000 voor betaalde. Valk was ook een belangrijke uitgever, die met name bekend is vanwege zijn globes die aan het einde van de zeventiende en het begin van de achttiende eeuw door heel Europa werden verkocht. In 1698 verhuisde Valk zijn winkel naar de Dam, maar desondanks hield hij het pand aan de Kalverstraat aan.

Rudolf Wetstein

Afb. 2. Kalverstraat 10 dat Rudolf Wetstein in 1727 liet bouwen. Afb. 3. Borstbeeld van Minerva, één van de twee borstbeelden die de geveltop bekronen. Afb. 4. Borstbeeld van Mercurius, één van de twee borstbeelden die de geveltop bekronen.

Pas in 1726 verkocht Leonard Valk uit naam van zijn moeder, Maria Bloteling, weduwe van Gerard Valk, het pand aan Rudolf Wetstein, die hiervoor ƒ12.000 betaalde. Wetstein (1679-1742) is tegenwoordig minder bekend, maar was in de achttiende eeuw een gerenommeerde uitgever van religieuze boeken. Naast Bijbels – onder andere in het Maleis – en catechismussen was hij de drukker van het scheepspsalmboekje, dat hij in opdracht van de VOC drukte. Bij zijn overlijden in 1742 bleken er nog 12.700 exemplaren van dit boekje op voorraad. Deze zullen vast en zeker op de stellingen op zolder hebben gelegen, die in latere acten als latten en planken op zolder staan omschreven. Daarnaast fungeerde hij als cultureel agent en kunsthandelaar. Wetstein had grote plannen: een kunst- en boekenpaleis met een zeer luxe uitstraling. Dat paste niet in het bestaande huis, reden waarom hij het oude gebouw aan de Kalverstraat geheel of grotendeels liet slopen. Meestertimmerman Anthonij Geeusen de Zeeuw en meestermetselaar Bernardus de Reus bouwden in 1727 een kapitaal nieuw pand met een zeer monumentale uitstraling (afb. 2). Achter de hoge voorgevel gaan een voorhuis, tussenlid en achterhuis schuil met een totale diepte van 35 meter. Het voorhuis met begane grond en drie verdiepingen heeft een indrukwekkende kap, die bereikbaar is via een mooie, zorgvuldig gedetailleerde spiltrap vanaf de derde verdieping. Het pand werd niet alleen zorgvuldig gebouwd, maar ook rijk afgewerkt: de zijkamer, de eetkamer en de zaal kregen behangsels, vaste schoorsteenspiegels en schoorsteenstukken, beschilderde plafonds, damspiegels en een buffetnis in de eetkamer. Het bouwwerk moet op de begane grond en eerste verdiepingen een royale trap hebben gehad, zoals blijkt uit de enorme raveling in de balklaag van de verdieping, die zich uitstrekt over ruim vier balkvakken. De schouwen waren gesitueerd aan de linkerzijde (zuidzijde) van het pand. Van deze inrichting is helaas niets bewaard gebleven, maar het casco en de vorm van de balklagen getuigen nog altijd van de kwalitatief hoogwaardige bouw. In 1728 was het complex klaar, zoals blijkt uit de gevelsteen die Wetstein aan liet brengen met de tekst ‘DVM terItVr Cos, LIteratIs VsVI et LIterIs prosIt bonIs’ – terwijl de slijpsteen verslijt, moge hij tevens tot nut strekken voor de geleerden en de goede letteren. De hoofdletters in de tekst staan tevens voor Romeinse cijfers, die – als ze achter elkaar worden geschreven – het ‘jaartal’ MDCLLVVVVIIIIIIII vormen, waarvan de optelling uitkomt op 1728. Later in de achttiende eeuw werd de gevelsteen verplaatst naar het bijbehorende pand aan de Jonge Roelensteeg, waar Wetstein zijn lettergieterij had. De gevelsteen is in 1883 in het bezit van het KOG gekomen.

Isaac Tirion

In 1742 werd het gebouw voor ƒ28.000 verkocht aan Isaac Tirion (1705-1765). Bij de verkoop waren de toonbank in het voorhuis en de stellingen op zolder inbegrepen. Tirion geniet nog steeds bekendheid vanwege zijn kaarten en als uitgever, o.m. van Jan Wagenaars Vaderlandsche Historie vervattende de geschiedenissen der nu Vereenigde Nederlanden. Tirions weduwe Joanna Coster verkocht het pand in 1769 voor ƒ38.000 aan Gerrit de Groot, die bekend staat als zeekaartenverkoper en overman van het boekverkopersgilde. Na Gerrits dood werd de zaak voortgezet door zijn zoon Jan de Groot. Hij verkocht het gebouw in 1790 aan de zeekaartenverkoper Pieter den Hengst, die er ƒ35.000 voor betaalde. Het is opvallend hoe sterk dit pand verbonden is met boek- en kaartdrukkers. Dat veranderde niet in de negentiende eeuw. Tussen 1833 en 1883 hadden Joh. Muller en Christiaan Muller hier een veilinghuis en boekwinkel.

De huidige staat van het gebouw

In het huidige gebouw zijn geen sporen meer die herinneren aan boeken. In 1884 werd het pand aangepast aan de nieuwe tijd en voorzien van een neorenaissance pui met groot venster, ontworpen door de architect J.W. Meijer. Deze pui heeft de twintigste eeuw niet overleefd. In 1971 is het gebouw ingrijpend verbouwd. De begane grond werd verhoogd door de houten balklaag te verwijderen en een nieuwe betonvloer op een hoger niveau te leggen. Deze bouwlaag veranderde in een onneembare vesting, omdat Juwelier Kraemer inbraak wilde voorkomen. De zijgevels van de begane grond werden voorzien van gepantserde staalplaten, terwijl de verdieping hierboven een betonvloer met balken kreeg. Alles is zo zwaar uitgevoerd, dat het interieur meer doet denken aan een schuilkelder dan aan een winkel. De vensters van het achterhuis en het tussenlid werden voorzien van traliewerken. De pui aan de Kalverstraat werd gemoderniseerd en verstrakt, zoals zo vaak is gebeurd. Boven de pui zijn echter nog de restanten van de vensters van de eerste verdieping zichtbaar. Ondanks alle latere wijzigingen is het kunstpaleis dat Wetstein voor ogen had, nog altijd afleesbaar aan het prachtige casco, dat vanaf de eerste verdieping tot in de kap goed bewaard is gebleven. De voorgevel torent nog altijd boven de omliggende bebouwing uit; boven de nietszeggende pui verheft zich een hoge gevel, voorzien van een kroonlijst met twee borstbeelden. Deze bustes van Minerva en Mercurius vormen als het ware de hemelse uithangborden van de uitgeverij. Minerva verwijst als godin van de wijsheid naar de boeken die hier te koop waren, terwijl Mercurius als god van handel en reizigers aan alle landkaarten refereert die in de winkel werden verkocht. Het pand is een van de zeldzame getuigenissen van de grote bloei, die de Amsterdamse boekhandel in de zeventiende en achttiende eeuw heeft gekend, en om die reden van grote cultuurhistorische waarde.

Pieter Vlaardingerbroek

Literatuur
O.W. Broers, ‘Een teruggevonden gevelsteen uit de Kalverstraat’ in: Maandblad Amstelodamum, 46 (1959), p. 221-224.
I.H. van Eeghen, De Amsterdamse boekhandel 1680-1725. De boekhandel van de Republiek, 5 dl., Amsterdam 1960-1978.
Frans Laurentius, Clement de Jonghe (ca. 1624-1677). Kunstverkoper in de Gouden Eeuw, dissertatie Universiteit Utrecht, 2010.
Voorloopige Lijst der Nederlandsche Monumenten van Geschiedenis en Kunst, deel V.2: de gemeente Amsterdam, Den Haag 1928.

(Uit: Binnenstad 266, september/oktober 2014)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.