A.A. Kok: de woningbouw

In het voorgaande nummer stond een artikel over de opvattingen van Kok inzake nieuwbouw in de oude stad. Al eerder werd in de rubriek ‘Amsterdam 1900’ aandacht besteed aan zijn restauraties. Hij was jarenlang actief voor de Bond Heemschut en redacteur van de befaamde ‘Heemschutserie’. Drie deeltjes kwamen uit zijn eigen pen: De historische schoonheid van Amsterdam (deel 1, 1940), Amsterdamsche woonhuizen (deel 12, 1941) en Edam de schone slaapster (deel 55, 1948). Er verschenen in totaal 74 afleveringen. Deel 1 was binnen enkele weken uitverkocht en zou zes keer herdrukt worden. Van deel 12 verscheen in 1946 een vierde druk.
Boekomslag A.A. Kok, Amsterdamsche woonhuizen, Amsterdam (Allert de Lange), 1946, vierde druk

Amsterdamsche woonhuizen eindigt met twee hoofdstukken over de actualiteit van 1941: ‘De woningbouw’ en ‘Hoe nu?’. Kok had al in 1928 zijn misnoegen geuit over de ondergang van het bouwvak. In het septembernummer van Heemschut verscheen een ware litanie van klachten. In de ‘huisjesbouwerij’, zo schreef hij, moesten timmerlui hout gebruiken ‘dat vroeger voor een bouwschutting werd afgekeurd’. Goed lood, dat zilverwit oxideert, was niet meer te koop, alleen modern lood ‘dat in de natuur leelijk grauw-zwart wordt’. Modern smeedwerk werd gemaakt van ‘machinaal getrokken ijzer en de stukken aan elkaar geknoeid met een autogeen laschapparaat’. Zelfs glas had in zijn ogen geen enkele charme meer. In ‘Hoe nu?’ pleitte hij voor een terugkeer naar ‘eerlijke materialen’ die op ambachtelijke wijze gebruikt moeten worden. Zijn gebouw op de hoek van de Berenstraat en de Keizersgracht diende daarbij als illustratie. Het is niet berlagiaans in stijl maar in materiaalgebruik en detaillering.

Architecten zoals Kok, sinds 1911 verenigd in de Bond Heemschut, beschouwden de ‘huisjesbouwerij’ als een droevige persiflage van de bouwkunst. Het ‘Adviesbureau’ van de Bond heeft tot 1937 geprobeerd om deze praktijk als een soort landelijke welstandscommissie in goede banen te leiden. Kok was bijzonder behendig in het fatsoeneren van de povere ontwerpen die aannemers produceerden. Met het hoofdstuk ‘De woningbouw’ kwam hij in 1941 nog eenmaal terug op deze problematiek. Daarbij ging het over Amsterdamse woningbouw. De Beurs van Berlage had daar helaas maar weinig invloed op gehad. Maar erger was dat het woonhuis als zodanig eigenlijk niet meer bestond, alleen de dure huizen op het Museumterrein herinnerden daaraan. ‘Dit stuk stad is een waar architectuurmuseum geworden. Elke architect uit de eerste 15 jaren der 20ste eeuw heeft er iets gemaakt’. Kok zelf had daar samen met A.R. Hulshoff mooie solide huizen gebouwd aan de Pieter de Hoochstraat (1-3, 2-8) en aan de Van Miereveldstraat (5-11).
Maar in de nieuwe stad werden woningen voor ‘gewone mensen’ heel anders gemaakt: ‘er ontstond iets nieuws, de woningblokken’. En, zo wordt er direct aan toegevoegd: ‘dat was helemaal niet Amsterdamsch’. Een rijtje dezelfde huizen kwam in de oude stad wel voor, maar dan was elk afzonderlijk huis goed herkenbaar – ‘een woningblok heeft dat niet, daar is de woning een eenheid in de veelheid, een cel in de raat’. Het is duidelijk dat Kok geen liefhebber was van de massawoningbouw, maar toch waren er soms heel aanvaardbare resultaten bereikt. ‘Als een der meest geslaagde woonplekken is te noemen de Harmoniehof, een verborgen hof, die menig Amsterdammer uit de oude stad of uit andere buitenwijken nog nooit betreden heeft. De rust tusschen breede drukke straten, de harmonische vormen der huizen, de eenvoud der vormen, de gelijkheid der glasmaten, de vensters alle uit die eenheid opgebouwd, alles bij elkaar is hier een plek die een schoonheid biedt zoals dat alleen de oude steden geven. De bouwmeester was in de leer geweest bij den schepper van de Koopmansbeurs’. Die bouwmeester, J.C. van Epen, zou als ontwerper van Het Nieuwe Huis afgebrand worden door de Schoonheidscommissie. Met als resultaat een ontwerp in de trant van de Amsterdamse School.
Die modieuze architectuur, met haar ‘soms buitenissige constructiën’, deugde ook niet in de ogen van Kok. Waarom niet? ‘Omdat ieder zijn eigen werk heeft willen geven. Eigen werk geven is alleen den begenadigden toebedeeld. Oudtijds maakten allen min of meer hetzelfde, alleen de meester gaf eigen werk en hield zich nog aan de bouwkunstwetten’. Met andere woorden: het gros der architecten had de traditie op onbenullige wijze overboord gezet, alleen Berlage, Cuypers en De Bazel waren erin geslaagd om op een intelligente wijze te vernieuwen. Het zal niet verbazen dat de nieuwste Amsterdamse woonwijken, Landlust en Bos en Lommer met hun moderne strokenverkavelingen, voor Kok een onaangename verrassing waren. De Schoonheidscommissie was trouwens ook niet gelukkig met de strokenbouw in Bos en Lommer. Zonder namen te noemen nam Kok echter juist de veel geprezen stroken van Merkelbach en Karsten in Landlust op de korrel, en de idealen van de modernisten in het algemeen. ‘Het laatste nieuws is dat een overdadig offer wordt gebracht aan het zonlicht, door toepassing van spiegelruiten en ijzeren ramen, balcons aan de achterzijde van beton met borstweringen van gaspijpen met metalen gaas. In hoeverre hiermede iets goeds bereikt wordt zal de tijd leren. De ijzeren onderdeelen zullen geen langen levensduur hebben. De rechtlijnigheid der gebouwen en het ontbreken van profielen en ornament is veelal het gevolg van de onmacht der ontwerpers, die niet teekenen kunnen, alleen lijnen kunnen trekken langs teekenhaak en driehoek’.
Het is maar goed dat de ontwikkelingen in de architectuur na 1951 Kok bespaard zijn gebleven. Overigens gebruikte hij aan de Berenstraat zelf ook ‘ijzeren ramen’.

Vincent van Rossem

(Uit: Binnenstad 266, september/oktober 2014)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.