Prenten van Amsterdam

De topografische verbeelding

Kunsthistorici houden zich bezig met kunst. Maar daarbij gaan zij selectief te werk. Het is in feite een erg traditioneel vak. Beroemde kunstenaars krijgen veel aandacht, maar het werk van eenvoudige ambachtslieden wordt doorgaans vergeten. In de architectuurgeschiedenis is het niet anders, P.J.H. Cuypers en H.P. Berlage zijn grote namen, maar over minder bekende architecten als J.H.W. Leliman schrijft niemand.
H.E. Roodenburg, Prins Hendrikkade met Sint-Nicolaaskerk en Schreierstoren, ets, 1928

Zo blijft ook het stedelijk bouwwerk een probleem dat kunsthistorici links laten liggen. Terwijl er juist een ware schat aan bronnenmateriaal beschikbaar is voor een weergaloos proefschrift met illustraties waar de gemiddelde promovendus alleen maar van kan dromen.

Wat de mogelijkheden zijn voor kunsthistorisch onderzoek is alweer bijna twintig jaar geleden aangetoond met het schitterende boek Het landschap van Rembrandt, waarin de grote kunstenaar ons het Amsterdam van de zeventiende eeuw laat zien. De samenstellers waren uiteraard geïnspireerd door de befaamde Wandelingen met Rembrandt van Frits Lugt. De naam Rembrandt is blijkbaar het toverwoord om topografische kunst te verheffen tot een waardig kunsthistorisch onderwerp. Zijn werk is natuurlijk heel bijzonder, maar het is toch jammer dat topografische kunst van minder beroemde kunstenaars niet serieus wordt genomen.

De prentkunst

De geschiedenis van het boek Nederland in de prentkunst, door P.T.A. Swillens, is illustratief voor de geringe belangstelling van kunsthistorici. Het verscheen in 1944 als deel 43 van de befaamde Heemschutreeks, om in 1978 nog eens ongewijzigd herdrukt te worden door de uitgever H&S in Utrecht. Al die jaren is er blijkbaar geen onderzoek meer gedaan naar het genre topografische kunst. De lofzang op het stofomslag van de Heemschut versie heeft niet mogen baten: ‘Er is geen land ter wereld, dat in zoovele fraaie en zinrijke prenten is verbeeld, dan Nederland. Het zijn de bekwaamste Nederlandsche kunstenaars geweest – wier namen over de geheele beschaafde wereld met eere genoemd worden – die zich aan de “topografische prent” hebben gewijd’. Wel zijn er nadien talloze boeken verschenen met oude foto’s van ons land. Foto’s geven de realiteit weer, dat is waar, maar kunstenaars laten een heel ander beeld zien. Soms meer, soms minder realistisch, maar toch altijd een soort ideaalbeeld. Met name de laatste generatie kunstenaars die actief was in dit genre voor de Tweede Wereldoorlog heeft geprobeerd om het historische Nederland vast te leggen voor zover dat nog bestond. Of zij dat bewust deden is niet bekend. Het ging waarschijnlijk om een populair motief.
Het waren vooral etsers, omdat van een ets een flink aantal afdrukken gemaakt kan worden die ook voor de burger met een smalle beurs betaalbaar zijn. Hendrikus Elias Roodenburg (1895-1987) kon daar goed van leven. Zijn werk is nog altijd voor een schappelijke prijs te koop. Hoewel ook de prentenhandel een uitstervend bedrijf is. Swillens duidt deze groep aan als ‘etsers-impressionisten’. Maurits W. van der Valk was wat ouder (1857-1935). Ook Cornelis Brandenburg (1883-1954) werd alom gewaardeerd. De etsen van Willem Witsen (1869-1923), ook een van de ‘etsers-impressionisten’, zijn tegenwoordig gezocht en prijzig. Hij had zich laten inspireren door de Amsterdamse etsen van de Amerikaanse kunstenaar James McNeill Whistler, de enige etser die vergelijkbaar is met Rembrandt. Maar Whistler was ongetwijfeld ook voor de andere ‘etsers-impressionisten’ een groot voorbeeld.

L.W.R. Wenckebach, Prins Hendrikkade, prent van een pentekening (uitgave: Wenckebach's Amsterdam, 1970)

Toch zijn de meest bekende prenten van Amsterdam de pentekeningen van L.W.R. Wenckebach (1860-1937). Hij maakte die reeks tussen 1898 en 1907 voor de zondagsbijlage van Het Nieuws van den Dag. De tekeningen werden ook gebundeld en op grote schaal verspreid als geschenk voor abonnees van de krant, waardoor elke Amsterdammer ze wel kent. De mooiste uitgave, losbladig op goed papier, is in 1970 verschenen als feestuitgave bij het tienjarig bestaan van de Stichting Diogenes. Toen Bouwkundig Weekblad Architectura in 1937 een poging deed om het Amsterdam van Wenckebach terug te vinden (p 485-500), bleek dat er al veel verdwenen was. Inmiddels moet de schade nog groter zijn, maar niemand heeft na 1937 de moeite genomen om nog eens in zijn voetsporen door de stad te dwalen. Swillens gaat vrij uitvoerig in op de pentekeningen. Allereerst stelt hij aan de hand van de perspectieflijnen vast dat ze naar foto’s zijn gemaakt. Maar foto’s kan de krant niet mooi afdrukken, vandaar de opdracht aan Wenckebach om de foto’s in pentekening te interpreteren zodat ze goed gereproduceerd konden worden. Die interpretatie is naar mening van Swillens artistiek buitengewoon geslaagd. Hij beschrijft in feite het verschil tussen een foto en het handwerk van een kunstenaar. ‘Doch meer dan welke fotografische reproductie-methode kon geven, heeft de kunstenaar de karakteristieke Amsterdamsche sfeer in zijn werk gebracht. De typische gevels van de oude grachtenhuizen, met hun “zwart” uiterlijk, het eigenaardige lichtgetril langs de vervallen oude muren, de sfeer van het drukke, bewegende leven, de nauwe enge straatjes en steegjes met hun typische plaveisel, - het is alles zoo door en door het eigen leven en het aparte verschijnen van de nijvere handelsstad, zooals zelden in die mate is gegeven. Door dat alles zijn de teekeningen van Wenckebach buitengewoon interessante kunstwerken geworden, wier artistieke beteekenis men terecht op prijs is gaan stellen’.
Het aardige van topografische kunst is inderdaad dat kunstenaars niet alleen stads- en dorpsgezichten hebben vereeuwigd maar ook een ‘stemming’, precies wat ontbreekt op foto’s. Zelfs Jacob Olie was niet in staat om een sfeer te fotograferen, laat staan ‘het eigenaardige lichtgetril langs de vervallen oude muren’. Roodenburg heeft in 1918 het marktplein in Lienden geëtst, zo te zien aan de leilinden op een herfstmiddag. Het beeld is ook nu nog min of meer herkenbaar, maar Roodenburg brengt die sfeer van een vervlogen tijd in het Betuwse land tot spreken, dat licht van weer een jaar dat ten einde loopt, het donkere silhouet van de romaanse kerktoren, de oude huizen met hun oplichtende witgepleisterde muren, zo komt geschiedenis werkelijk heel even tot leven, dat is het geheim van topografische kunst. Daarom is het genre een belangrijke maar helaas geheel veronachtzaamde bron voor de geschiedenis van de bouwkunst en de stedenbouw. Wij krijgen altijd weer afbeeldingen in twee dimensies voorgeschoteld, opstanden en plattegronden, soms een starre foto, maar de driedimensionale wereld van het menselijk leven schittert door afwezigheid. De meeste historici zijn bang om zich op dat gladde ijs te wagen. Geschiedenis moet abstract blijven, elke poging om ook maar iets te evoceren van de menselijke perceptie is verdacht. Dat zijn zogenaamd sprookjes, een onbegrijpelijke werkelijkheid die zich niet leent voor een academisch vertoog. Daarom zijn ‘peer-reviewed’ artikelen altijd zo onleesbaar.

Amsterdamse stadsbeelden

Hoewel er weinig onderzoek wordt gedaan naar topografische kunst bestaan er wel tal van boeken met reproducties van Amsterdamse prenten. Zodoende is het mogelijk om met enige volharding en fantasie een poging te doen om de stad van Breitner, Roodenburg, Wenckebach en vele anderen te verkennen. De verleiding om daarbij een vergelijking te maken met de hedendaagse stad is natuurlijk niet te weerstaan. De Vinkenstraat bestaat nog, maar de tekening van Wenckebach is niet meer terug te vinden. De schilderachtige achterbuurten zijn allemaal gesloopt door de zeloten van de Gemeentelijke Woningdienst. Voor Whistler in Amsterdam arriveerde, werden de achterbuurten zelden getekend, zijn tijdgenoten waren nog geïrriteerd omdat hij het ware maar weinig verheffende volksleven liet zien. Oudere prenten geven altijd een beeld van het propere burgerlijke Amsterdam, de deftige stadsbeelden waarvan veel nog bestaat, zij het toch op een mysterieuze wijze onherkenbaar veranderd. Door de gezegende rust, iets dergelijks, het leven ging toen nog traag, en bovenal natuurlijk omdat er geen auto’s waren, die vloek van het hedendaagse leven. Amsterdam was in de achttiende eeuw een toonbeeld beschaving, een model samenleving waarin de idealen van een verstandige en verdraagzame burgerij hadden gezegevierd. Nog oudere stadsbeelden, bijvoorbeeld het gezicht van Jan van der Heyden op de Nieuwezijds Voorburgwal met de oude Haarlemmersluis worden bijna sprookjesachtig. Van der Heyden kon licht schilderen zoals geen lichttechnicus in de filmindustrie het ooit voor elkaar heeft gekregen. Ook in het werk van Rembrandt zien we een vreemd land, ‘the past is a foreign country’, zeggen de Engelsen.
Gelukkig zijn er nog steeds levende kunstenaars. ‘De fotografie’, schreef Swillens, ‘heeft de artistieke productie van zoovele groote meesters niet kunnen verzwakken’, en de fotografie heeft evenmin een einde gemaakt aan de traditie van de topografische kunst. Amsterdam wordt nog steeds getekend. Theo de Feyter, om er maar een te noemen, maakt moderne stadsgezichten, hij kan als geen ander auto’s tekenen. Zijn serie aquarellen die een lange lijn door de stad verbeeldt, ook in boekvorm verkrijgbaar, is aangekocht door het Stadsarchief. Zo blijft de Historisch-Topografische Atlas groeien. Hoewel het voor vele vrienden van de Amsterdamse binnenstad steeds moeilijker wordt om nog enig plezier te beleven aan de hoofdstad, laat de verbeelding zich niet intimideren door de chaos en de halve gare dynamiek van het hedendaagse leven. Het was vroeger natuurlijk net zo erg. Ook de stad van Rembrandt veranderde in een ongekend tempo, sneller dan het menselijk hart verdragen kan, schreef Baudelaire over het negentiende-eeuwse Parijs. Juist daarom is het een zegen dat kunstenaars zich in de loop der eeuwen met grote volharding aan de topografische prent hebben gewijd.
De redactie van Binnenstad streeft ernaar om in de komende tijd met een zekere regelmaat aandacht te besteden aan stadsbeelden en wil zich daarbij niet beperken tot een bepaalde techniek. De beoogde rubriek, De topografische verbeelding, kan natuurlijk alleen een tipje van de sluier oplichten en van enige wetenschappelijke pretentie mag geen sprake zijn. Alleen al de befaamde verzameling Van Eeghen, degelijk gecatalogiseerd door het Gemeentearchief, zou het mogelijk maken om zo ongeveer tot in de eeuwigheid door te gaan met deze rubriek. Het is misschien niet overdreven om te beweren dat er een ontelbaar aantal tekeningen van Amsterdam gemaakt is. Maar met een bescheiden reeks goed gekozen voorbeelden kan misschien weer eens de aandacht gericht worden op dit boeiende genre. Een enkeling komt misschien zelfs op het idee om zelf op zoek te gaan naar een bepaalde ets. Een waarschuwing is hierbij wel geboden. Verzamelen is niet dodelijk, zoals tabak roken, maar het kan wel degelijk een verslaving worden. Gelukkig maakt de moderne digitale handel in prenten het wat makkelijker om van een koop af te zien. Want wie zo’n juweeltje eenmaal in handen houdt, op echt papier, is doorgaans verloren. Maar daarna wacht dan ook het genot om op winteravonden nog eens lang en aandachtig te kijken naar die bescheiden maar toch betoverende kunst van de topografische prent.

Vincent van Rossem

(Uit: Binnenstad 266, september/oktober 2014)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.