Zaanse huizen in Amsterdam

De Beschryving der nieuwlijks uitgevonden en geoctrojeerde slang-brand-spuiten van de uitvinder en kunstenaar Jan van der Heyden uit 1690 bevat een prent van twee net gebluste huizen in de Goudsbloemstraat in de dichtbebouwde buurt de Jordaan in Amsterdam (afb. 1). Het onderschrift van deze prent vermeldt dat de beide houten huizen op 25 december 1682 tegelijkertijd in brand stonden, ze met succes werden geblust en daardoor bleven staan.
Afb. 1 Afb. 2

De voorgevels met de houten geveltoppen lijken op de prent nog intact, maar op het dak zijn pannen verschoven en tegen het huis links staat rechtop een grote bundel zwartgeblakerde en deels verkoolde planken. De huizen op de prent wekken niet de indruk helemaal uit hout te zijn opgetrokken, maar op een bakstenen voetmuur te staan en tussen de huizen in lijkt het metselwerk tot aan de onderzijde van de geveltop te reiken. De geveltop bestaat echter geheel uit verticale planken , geschulpte windveren langs de zijkanten en in de nok van de gevel een ‘makelaar’, een verticale balk die midden over de geveltop loopt en er boven uitsteekt. Als bekroning vertonen beide makelaars een soort eikeltje. In het huis links lijkt de vensteropening geen kozijn te hebben. Het rechterhuis heeft op die plaats een kozijn dat precies in het vlak van de houten gevel ligt.

In het begin van de zeventiende eeuw stonden er zeker nog veel houten huizen in Amsterdam. Op tal van tekeningen en plattegronden in vogelvlucht zijn deze te onderscheiden. Vrijwel altijd hebben die een wandafdichting bestaande uit planken, zoals te zien is op een pentekening van Claes Jansz. Visscher van een rijtje huizen aan de Nieuwezijds Voorburgwal nabij de Nieuwe Kerk uit het eerste kwart van de zeventiende eeuw (afb. 2). De panden op deze tekening gaan veel hoger op en vertonen flinke uitkragingen, maar zijn net als die op de prent van Jan van der Heyden met verticale planken beschoten. Gemeenschappelijk zijn de windveren en de makelaars, hier nog veel rijker versierd dan bij de eenvoudige huisjes in de Goudsbloemstraat. In de Hollandse steden beschikten nog lang niet alle huizen over brandwerende, bakstenen zijgevels.

Hout- en vakwerkbouw in de Hollandse steden

Tot aan het einde van de zestiende eeuw moesten planken nog met de hand uit een boomstam worden gezaagd en was het vervaardigen daarvan derhalve een arbeidsintensief proces. In die tijd boden wanden van vakwerk met afdichtingen van vlechtwerk, aangesmeerd met leem en stro, wellicht een veel goedkoper alternatief. Bij bouwhistorisch onderzoek in oude binnensteden treffen we echter maar zelden resten van vroege vakwerkbouw aan. Een zeldzaam geval is de oostelijke zijwand van Westerstraat 28 in Enkhuizen, waar restanten van met bakstenen opgevuld vakwerk tevoorschijn kwamen vanachter een latere wand. Het hout van deze vakwerkconstructie kon worden gedateerd op omstreeks 1480. Zulke oude resten vinden we maar zelden in de Hollandse steden; dergelijke oude huizen of restanten daarvan maakten later meestal plaats voor nieuwere constructies.

Pas na de uitvinding van de krukas en de daarop gebaseerde windzaagmolen, waarop Cornelis Corneliszoon van Uitgeest in 1593 in Holland een octrooi verwierf en in 1600 in Utrecht, konden planken veel gemakkelijker worden geproduceerd. De eerste zaagramen hadden zeven of acht zaagbladen, maar latere verbeteringen maakten twintig tot dertig bladen mogelijk. Aanvankelijk konden deze zaagmolens alleen het zachtere naaldhout aan, maar binnen niet al te lange tijd produceerden de grotere paltrokmolens ook eiken planken. Bij gunstige wind konden zaagmolens veel sneller en met veel minder manuren planken produceren dan handzagers. De omvangrijke zaagindustrie die vooral langs de Zaan opkwam, produceerde op grote schaal gezaagd naaldhout voor de bouw tegen betrekkelijk lage kosten. De Amsterdamse handzagers poogden tot 1630 het machinaal gezaagde hout uit hun stad te weren, maar kort daarop verrezen ook bij Amsterdam de eerste houtzaagmolens. In de Zaanstreek kwamen uiteindelijk ruim 250 zaagmolens te staan, maar ook elders ontstonden belangrijke productiecentra. Door deze revolutie was het eikenhout in een stad als Enkhuizen in de huizenbouw al in het begin van de zeventiende eeuw vrijwel volledig verdwenen.

‘Zaanse’ huizen

Afb. 3 (foto Gerrit Vermeer)

De huizen op de prent van Jan van der Heijden zijn vrijwel zeker ontstaan na de industriële omwenteling door de opkomst van de industriële windmolen. Iedereen de wel eens een bezoek aan de Zaanse Schans heeft gebracht, zal de verwantschap van deze huizen met soortgelijke houten huizen in de Zaanstreek herkennen, zoals die op het Zuiderpad 5 aan de Zaanse Schans. Vergelijkbaar zijn bijvoorbeeld het houten huis op Dorpsstraat 19 in Jisp en op Kalf 86 in Haaldersbroek (afb. 3). Dergelijke huizen worden meestal in de zeventiende eeuw gedateerd, maar kunnen jonger zijn. De verticale planken hebben aan beide zijkanten een groef, waarin een ‘veer’, een dunne lat in de groef van de plank, is ingelaten. De sporen van het zaagraam zijn in de oorspronkelijke planken weggewerkt met een bolschaaf, die een soort van cannelures achterliet. Doorgaans zijn deze ondiepe sporen in de vervangende planken nagemaakt. Het met windkracht gezaagde naaldhout was niet bijzonder duurzaam, maar kon tegen betrekkelijk lage kosten vervangen worden. Dit type huizen staat bekend als Zaans, maar kwam in Noord-Holland benoorden het IJ overal voor en dus ook in de Jordaan.

Houten kapconstructies

Afb. 4 (foto Gerrit Vermeer) Afb. 5 (foto Gerrit Vermeer)

Door de overgang van zware eikenhouten balken naar mechanisch gezaagd naaldhout doorliep de constructie van de houten kap een snelle ontwikkeling. Een eiken kapconstructie van een huis in het huidige Noord-Holland vertoonde rond 1600 doorgaans een reeks jukken met schuinstaande, kromme benen die een dekbalk droegen. Door het aanbrengen van korbelen werden driehoeken gevormd, die het zijwaarts schranken van de jukken voorkwamen. Op de dekbalken lagen balken in de lengterichting van het huis, de ‘wormen’, die steun gaven aan de sporenparen – lichte balken of stammetjes die van de dakvoet tot aan de nok lopen. Op deze sporen werden de panlatten bevestigd, waarop de dakpannen lagen. Vanwege hun kromme beloop heten de eiken jukbenen ook wel krommers. Door het gebogen beloop zetten zij het gewicht van de kap en het dak over op de gebinten eronder met een zo gering mogelijke hoeveelheid zijwaartse kracht. De doorgaans zware balken waren aan elkaar bevestigd met pen-en-gatverbindingen, die alleen drukkrachten kunnen opvangen. Door de werking van de krommers traden minder trekkrachten op. In de oudste kappen waarin grenenhout werd toegepast, bleven deze eiken krommers nog wel toepassing vinden, aangezien naaldhout altijd recht groeit en dus geen geschikte krommers oplevert. Een voorbeeld van een Zaans huis met krommers is het zogenoemde Jagershuis op de Zaanse Schans (afb. 4). Een tweede Zaans voorbeeld van de toepassing van eiken krommers biedt Hogendijk 9. De ontwikkelingen in de grenen kapconstructie beperkten zich dus niet tot de Zaanstreek, maar strekten zich uit over alle gebieden, waar het lichte en mechanisch gezaagde naaldhout het eikenhout verdrong

Al gauw maakten de eikenhouten krommers uit de kap plaats voor rechte jukbenen van grenen. In de Zaanse houtbouw kwamen vermoedelijk al in de eerste helft van de zeventiende eeuw grenen driehoeksspanten voor met een tussenbalk. Deze waren bijna geheel getimmerd met genagelde, halfhoutse verbindingen, die uiteraard veel sneller te maken zijn dan pen-en-gatverbindingen. De rechte spantbenen leverden vanwege het gewicht van de dakbedekking wel meer spatkrachten op dan de vroegere krommers. Zwaluwstaarten, schuine lippen in de halfhoutse verbindingen, zorgden ervoor dat deze constructie ook trekkrachten aankon, zoals te zien is in de kapconstructie van Zuiderpad 5 in de Zaanse Schans (afb. 5). Hier ving de ‘tussenbalk’ een deel van de zijwaartse krachten op. De balken hoefden daar niet eens zo zwaar voor te zijn; in constructies van gezaagd grenen gebruikten de timmerlieden doorgaans tamelijk lichte balken. Deze houtbouw kenmerkt zich door uiterst efficiënt materiaalgebruik. De zeventiende-eeuwse ‘Zaanse huisjes’ in de Jordaan tonen aan dat deze lichte bouw in naaldhout ook in Amsterdam was doorgedrongen.

Gerrit Vermeer

Voetnoten
1. Herman Kaptein, ‘Een unieke economie? De Zaanse nijverheid op windkracht, 1600-1800’ in: Piet de Rooy (hoofdred.), Geschiedenis van de Zaanstreek, Zwolle 2012, p. 286.
2. Gerrit Vermeer, ‘Van eiken en grenen, gebinten en krommers. Het Zaanse houten huis in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw’ in: Piet de Rooy (hoofdred.), Geschiedenis van de Zaanstreek, Zwolle 2012, p. 471-491.
3. Zie voor de beschrijving van de eiken kap omstreeks 1600: Dik de Roon, ‘Dekbalkgebinten in woonhuizen van Noordwest-Nederland’ in: Amsterdam Monumenten & Archeologie, Jaarboek 10 (Amsterdam 2012), p. 38-53.
4. Zeilenmakerspad 2, Zaandam, monumentnr. 40080. Later kreeg dit huis tussen de kapgebinten gordingen (dwarsverbindingen) voor het dakbeschot.
5. Bij de restauratie van dat pand kwam een eikenhouten krommer tevoorschijn afkomstig uit de scheepsbouw, een voorbeeld van hergebruik. Arent Vos, ‘Secundair gebruik van scheepshout in een pand te Zaanstad’ in: Zaans Erfgoed ( 2008) nr. 24, p. 25-28.

(Uit: Binnenstad 266, september/oktober 2014)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.