De 90-jarige Vredeskerk in de Nieuwe Pijp

De Vredeskerk van Jos. Bekkers uit 1923-1924 illustreert als karakteristiek voorbeeld van de katholieke kerkelijke bouwkunst in de gordel ’20-40 het belang van voortschrijdend inzicht in en kennis van de bouwkunst van het interbellum. Uitwendig is het gebouw compact met een laag aangezet, maar hoog opgaand dak, opgebouwd in bruine baksteen met rood- en okerkleurige tegelfriezen onder de dakgoten en in de topgevels en uurwerkzone van de toren. Een wijde houten kap overdekt de inwendige ruimte, de zijbeuken zijn gereduceerd tot processiegangen. De lichtinval door een beglazing in gekleurd en guraal gebrandschilderd glas geeft het interieur een mystiek karakter.

De Vredeskerk kreeg in de zestiger jaren weinig waardering; de tijd was nog niet rijp voor een evenwichtige beoordeling van het interbellum. Het oordeel van de diocesane monumentencommissie bijvoorbeeld – door haar samenstelling gezaghebbend – had vooral oog voor de tekortkomingen in vergelijking met het oeuvre van Kropholler en Stuyt. (1) "Het interieur is zo donker, dat ook bij dag kunstlicht is vereist en ontbeert de oorspronkelijkheid van Krophollers architectuur". De inrichting kwam niet uit boven de matige middelmaat, evenals het werk van de aangetrokken beeldhouwers en schilders. Ook de stedenbouwkundige situering vond weinig waardering: "de ligging van de kerk, op de punt van een driehoekig bouwblok, waarvóór een gebrekkige poging tot pleinvorming, is niet bijzonder harmonisch". In 1972 kreeg de eerste Amsterdamse School-woningbouw de status van rijksmonument, maar de kerkelijke bouwkunst en beeldende kunst was nog geen aandachtsgebied. Dat de Vredeskerk de gevaarlijke periode tussen 1970 en 2000 is ontkomen, mag een wonder heten, want na de ondergang van negentiende-eeuwse topmonumenten, zoals de Sint Willibrordus buiten de Veste, vielen de St.-Augustinuskerk van K.P. Tholens aan de Postjesweg uit 1932 en de Thomas van Aquinokerk aan de Rijnstraat uit 1926 van Jac. Duncker (1867-1935) onder de slopershamer. Een problematische herbestemming redde de Chassékerk. Dankzij het respijt van de tijd – en de positieve opstelling van het kerkbestuur – is de Vredeskerk op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatst. In de waardenstelling van het toenmalige Bureau Monumentenzorg uit 2000 klinkt een nieuwe visie door die recht doet aan de stedenbouwkundige betekenis van het gebouw in de context van zijn cultuurperiode. (2) De Vredeskerk werd met haar hoge toren herkend als een beeldbepalend element in een als zodanig geplande en herkenbare rooms-katholieke enclave met de scholen, het klooster en het patronaatsgebouw in de driehoekige restverkaveling tussen de Pijnackerstraat, de Van Hilligaertstraat en de Ferdinand Bolstraat.

Foto: Wim Ruigrok

Zowel protestanten als katholieken reageerden in hun kerkbouw op het secularisatieproces in de grote steden. Het kerkgebouw werd opgevat als het middelpunt van de omgeving, als een middeleeuwse kathedraal. De Vredeskerk voldoet aan dit beeld voor de katholieke woningbouwverenigingen Het Oosten (3) en Amsteldijk (4) tussen de Jozef Israëlskade, de Vincent van Goghstraat en de Van Hilligaertstraat. De katholieke kerkelijke bouwkunst van het Interbellum diende de herkerstening van de maatschappij in reactie op de secularisatie in de grote steden. Dit programmatisch karakter was de uitwerking van de oproep van paus Pius X uit 1903 "om alles in Christus te herstellen" door een actieve rol van de gelovigen in de liturgie in daarvoor geschikte kerkgebouwen.

Stedenbouwkundige betekenis

Voor Josephus (Jos.) Antonius Maria Bekkers (1892-1945) was de leidraad bij zijn ontwerpen "allen zien op het altaar". Het traditionele systeem van drie beuken – middenschip en twee zijbeuken – had plaats gemaakt voor een centrale ruimte op de traditionele plattegrond van een Latijns kruis. Een dergelijke ruimtevorm kenmerkt ook andere katholieke kerken uit deze periode zoals de Chassékerk (1925-1926) en de Stephanuskerk (1933), beide van K.P. Tholens (1882-1976) en de Martelaren van Gorcum uit 1924-1928 (A.J. Kropholler, 1881-1973). Architect H.P. Berlage had de stedenbouwkundige betekenis van openbare gebouwen – ook van kerkgebouwen – in zijn uitbreidingsplan uit 1900 gedacht op pleinen. "Daarom zijn, behalve enige pleinen voor kerken en scholen, twee grote pleinen ontworpen". (5) Op het huidige Victorieplein was een grote kerk getekend. In het definitieve plan uit 1917 ontbrak dit kerkgebouw, waarvan de noodzaak niet van kerkelijke kant werd gesteund. In 1899 was immers de Sint Willibrordus buiten de Veste aan de Amsteldijk voltooid. In 1904 kreeg de Concertgebouwbuurt haar eigen parochie – O.L. Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans. In 1917 volgde de Vredeskerk, ofcieel O.L. Vrouw Koningin van de Vrede, een patronaat dat in de verwijzing naar de Eerste Wereldoorlog de kerk een plaats geeft bij de votief- en herdenkingskerken. In 1870 was in Parijs de Sacré Coeur gesticht als een gedenkteken voor de Commune van 1870. Katholiek Amsterdam stichtte in 1957-1959 de Christus Koningkerk aan de James Wattstraat (bureau K.P. Tholens en L. van Steenhardt Carré in samenwerking met ir. J. van Baalen, 1957-1959) als votiefkerk voor het behoud van Amsterdam in de Tweede Wereldoorlog. (6)

Het Kunstenaarshuis en het Volkshuis, door Berlage als symbolen van de nieuwe tijd opgenomen in het uitbreidingplan, kwamen beide niet tot stand. Voor de noden van de ter kerke gaande samenleving was rekening gehouden met de bouw van vijf kerken. (7) Voor de Vredeskerk was al in het uitbreidingsplan ruimte gereserveerd: "eene Roomsch-Katholieke Kerk met pastorie in de nabijheid van de Wetering en Ferdinand Bolstraat, ter grootte van 2500 m. Daarvoor is een terrein beschikbaar aan de Ferdinand Bolstraat tegenover de Cornelis Trooststraat". (8) In 1918 regelde de gemeente Amsterdam de bouwlocatie – deels in koop en deels in erfpacht – en op 24 september 1924 vond de eerste-steenlegging plaats. De bouwpastoor, kapelaan C.N.B. Nuijen (1877- ?) van de St.-Willibrorduskerk, had in december 1917 Jan Stuyt tot architect benoemd. Deze heeft drie ontwerpen ingediend, een kruiskoepelkerk met campanile, een koepelkerk en een wandpijlerkerk binnen een kerkelijk complex. Een conflict over de aanbestedingsprocedure leidde in september 1921 tot het terugtreden van Stuyt. Twee maanden later bleek Jos. Bekkers winnaar te zijn van de inmiddels gehouden prijsvraag. De koepelkerk van Jan Stuyt zou later, zonder toren, tot stand komen in de Indische Buurt voor de Gerardus Majellaparochie.

Foto: Wim Ruigrok

Gesamtkunstwerk

Recent onderzoek naar de kerkelijke kunst van het interbellum maakt het ons mogelijk de Vredeskerk te herkennen als een 'gesamtkunstwerk', een tijdsdocument van kerkelijke interieurkunst. (9) De omvangrijke katholieke bouwportefeuille had werk verschaft aan een uitgebeid net van architecten, beeldhouwers, schilders, glazeniers en andere kunstenaars op het gebied van de toegepaste kunsten. Bekende namen die wij hier tegenkomen zijn Lodewijk Schelfhout (1881-1943) als ontwerper van de met potlood en pen op hout gegraveerde kruiswegstaties, Cornelis Smout (1876-1961) en Jos. Bekkers als ontwerpers van altaren, en de glazeniers Han Bijvoet (1897-1975) en Alex Asperslagh (1901-1984) als ontwerpers van de ramen in de apsiden en kapellen. In de zijbeuken heeft het ensemble van de litanie van Loreto, in 1946-1947 ontworpen door Gisèle van Waterschoot van der Gracht (1912-2013) een hoog uniciteitsgehalte. De synthese tussen de voltooide kerk en de later aangebrachte kunstwerken leidde tot een harmonieus resultaat door het toepaste kleur- en materiaalgebruik. Het wit marmer van de altaren en het brons van siersmeedwerk en kandelaars weerkaatst het licht, in contrast met de motieven van mythologische dieren in het rood en oker van de tegelvloer. (10)
Op de cassetten van de dakstoel tekent zich een warm goudachtig bruin coloriet af. In de gebrandschilderde ramen van de zijbeuken overheersen grisaille, rood, groen en blauw. Rode en blauwe tinten lteren het licht in de apsiden. Het dagboek van pastoor Nuijen geeft een reconstructie van de kleurstelling van het exterieur van kerk en pastorie: "De hekjes rood van kleur, evenals de dakranden van de kerk en pastorie; daaronder de gele en rode tegelrand en de pastorie met haar kozijnen en sponningen van rood en geel". (11) Sinds 1972 is de Vredeskerk in het bezit van het orgel van Johann Friedrich Witte (1887) uit de gesloopte hervormde Koepelkerk aan het Leidsebosje.

Jos. Bekker volgde evenals zovele andere kerkenbouwers een opleiding aan de Kunstnijverheidsschool Quellinus, waarna hij praktijk deed op het grote bureau van Ed. Cuypers, de neef van de Rijksmuseumarchitect. In diens voetsporen is zijn naam verbonden aan zeven instellingen en scholen en vijf kerken. (12) Bekkers is om nog onopgehelderde redenen in 1944 weggevoerd naar het concentratiekamp Langenstein-Zwieberge, deel van Buchenwald, waar hij in januari 1945 is omgekomen.

Guido Hoogewoud

Voetnoten:
1. 'Tweede verslag van de diocesane commissie voor kerkelijke monumenten, Amsterdam – kerken in het gebied oud-west, oud-zuid en oud-oost', subcommissie van de Situeringscommissie van het bisdom Haarlem, Analecta voor het bisdom Haarlem, juni 1968, 15, 4, 23.
2. Waardenstelling kerk van Onze Lieve Vrouw van de Vrede, BMZ, februari 2001.
3. Meinardus Johannes Elias Lippits (1869-1941) en Nicolaas Henricus Wilhelmus Scholte (1872-1955).
4. J. Stuyt (1868-1934).
5. Toelichting tot het plan tot uitbreiding der stad Amsterdam tusschen Amstel en Schinkel, SAA, 5180, 1900 no. 7507.
6. Katholiek Amsterdam deed in 1944 de gelofte een kerk te zullen bouwen als de stad voor vernietiging en hongersnood gespaard zou blijven. Zie: D. Mulder, K.P.Tholens, 1882-1971, Rotterdam 2011, p. 176.
7. Met twee katholieke kerken: de Agneskerk en de Vredeskerk, de hervormde Willem de Zwijgerkerk, de gereformeerde Raphaëlpleinkerk en de synagoge Heinzestraat bleek de prognose te krap, in totaal kreeg Amsterdam-Zuid twaalf kerkgebouwen.
8. 'Memorie van Toelichting behorende bij het ontwerp van het Uitbreidingsplan der Gemeente Amsterdam', in: F. Fraenkel, Het Plan Amsterdam-Zuid van Berlage, Alphen aan de Rijn 1976, p. 101.
9. B.C.M. van Hellenberg Hubar, De genade van de steiger, monumentale kerkelijke schilderkunst in het Interbellum, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Zutphen,/Amersfoort 2013.
10. P. Valkering, De kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam, een meditatieve rondleiding, Amsterdam 1999.
11. E. Visser, 'Een greep uit het leven van "de Vredes" 1924-1929', een samenvatting van eerdere publicaties in het parochieblad De Vredesklok, 1909.
12. B. Gerlach, P.J. Bekkers (1859-1918), 'Een architect als kleine zelfstandige' in: Bulletin KNOB 83, 2, p. 53-87.

(Uit: Binnenstad 267, november/december 2014)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.