Herengracht 474

Een interieur van Jan L. Springer

Het Piet Hein-gevoel tiert nog altijd welig op onze Open Monumentendagen. Met overgave vergapen wij ons, ook al gaat het vaak om toeschrijvingen, aan het werk van talentvolle interieurkunstenaars als de Van Logterens, Isaac de Moucheron, Anthony Elliger, Jurriaan Andriessen, Jacob de Wit, Gerard de Lairesse en andere grootheden uit de Gouden en Zilveren Eeuw. Al die namen hebben nu eenmaal een bepaalde klank – het werk van de Van Logterens staat door het hele land – en worden graag aan een trappenhuis of een plafonnetje verbonden. De grachteninterieurs uit de negentiende eeuw – is dat de IJzeren Eeuw of, zoals het zichzelf graag als gezaghebbend beschouwende Rijksmuseum het noemt, ‘De Lelijke Tijd’? – , worden vaak heel wat achtelozer en naamlozer gepresenteerd, deels omdat er minder uitgebreid onderzoek naar is gedaan, deels omdat de interesse ervoor meestal geringer is. Ten onrechte, zoals een interieur van Jan Springer laat zien.
Voorgevel, hersteld na brand in 2012. Foto’s: Wim Ruigrok

Veel negentiende-eeuwse grachteninterieurs zijn onaangetaster – ‘authentieker’ is een wat problematisch begrip – dan de soms bij elkaar geraapte, overgebrachte en terug gerestaureerde zeventiende- en achttiende-eeuwse. Dat zie je bijvoorbeeld in het Museum Van Loon, een ‘terugrestauratie’ waar de fraaie benedenverdieping nu toch wat gedateerd aandoet. De negentiende-eeuwse achterkamer die afgelopen september in het huis Bartolotti te zien was, is met zijn imitatie goudleerbehang en zijn destijds innovatieve di sotto in su-plafondschildering – van een renaissancekoepel in het verkort, naar voorbeeld van de Italiaanse renaissancemeesters of wellicht ook van Gerard de Lairesse – één van de interessantste vertrekken in dit pand, waarvan de voorgevel zoals bekend waarschijnlijk van Hendrick de Keyser is.
Uitgezonderd Zocher en Cuypers zitten de namen van onze negentiende-eeuwse architecten en ontwerpers nog niet in de hoofden van rondleiders en makelaars, in ieder geval niet als gelijkwaardig aan hun zeventiende- en achttiende-eeuwse kunstbroeders. Dat zou eigenlijk wel moeten. Herengracht 474 bijvoorbeeld is een belangrijk interieur van Jan L. Springer, maar noch bij de Open Monumentendagen van 2013 noch bij eerdere Open Monumentendagen werd zijn naam genoemd.

Springer

Jan Springer (1850-1915) is vooral bekend als ontwerper van de Stadsschouwburg en de Kweekschool voor de Zeevaart. De zoon van assistent-stadsarchitect Willem Springer – ter onderscheiding van zijn broer J.B. ‘Ko’ Springer vaak aangeduid als J.L. – werd in zijn tijd gezien als één van de begaafdste architecten van zijn generatie. Al hadden zijn necrologen moeite om aan te geven waarin precies zijn belang gelegen had – een groot theoretisch of stilistisch vernieuwer was hij immers niet – , men was het erover eens dat hij als tekenaar, feestdecorateur en als samensteller van fraaie plattegronden geen evenknie had in Nederland. Ook zijn interieurs werden geroemd. In al die onderdelen kan hij zich meten met de zeventiende- en achttiende-eeuwse ontwerpers. Zie bijvoorbeeld Keizersgracht 670 – naast Museum Van Loon. De bohémien en ‘biernomade’ Springer – één van de eerste architecten die het bohémienschap als levenshouding adopteerde – heb ik eerder een wonderkind tussen de stamtafel en de tekentafel genoemd, want als hij niet aan zijn tekentafel stond, dan was hij wel aan de stamtafel van één van de Duitse ‘Bierkneipen’ of in de nieuwe lokalen van de Tachtigers, zoals Mille Colonnes, Die Port van Cleve en café Willemsen te vinden. Het liefst schetste hij oude gebouwen of tekende hij architectuurfantasieën, meestal in de vlotte gearceerde tekentrant van het Franse tijdschrift Croquis d’Architecture. De praktische kant van het architectenvak interesseerde hem bitter weinig, wat hem op den duur opbrak. Jarenlang was hij de charismatische voorzitter van het Genootschap Architectura et Amicitia, waarin hij een uitbundige en vrolijke, om niet te zeggen jolige, als ‘Frans Halserig’ omschreven ambiance creëerde. Het was die sfeer van schijnbare zorgeloosheid waarmee in de jaren negentig radicaal gebroken werd. Vooral Berlage nam toen van de weeromstuit een pose van soberheid en ernst aan, die al rond 1905 door sommigen, onder wie Springers vroegere medewerker Kromhout, als geforceerd ervaren werd.

Wedijver met het verleden

Springer verbouwde het huis in 1890 voor J.H. van Marwijk Kooij (1847-1916), mededirecteur van de Amstelbrouwerij, de grote concurrent van Gerard Heineken (zie Wereldbestormers). Hij liet de ingehouden zandstenen gevel uit 1756, met pronkrisaliet, kroonlijst en opzetstuk in Louis XV-stijl, grotendeels intact. Alleen de ramen kregen een moderne T-vorm. De ingang verplaatste hij, zoals in de negentiende eeuw gebruikelijk, van de linkerbeuk op de beletage naar het souterrain, dat hij met hardsteen bekleedde. Die ingreep pakt juist bij een dergelijk driebeukig pand goed uit omdat de entree hierdoor de middenrisaliet niet meer in de weg zit. Vanaf de straat is al zichtbaar dat Springer het rococo-ornament wat pittiger hanteert dan zijn achttiende-eeuwse voorganger. Weliswaar is het negatieve oordeel van kunstnijverheidsspecialist Anne Berendsen over de stijve Hollandse rococo aanvechtbaar, toch laat ook Springer met de kunstig gesneden deur en het smeedwerk zien dat wat hem betreft de Hollandse rococo voor verbetering vatbaar is. De negentiende eeuw imiteerde niet, maar probeerde de stijlen uit het verleden te verbeteren en te fatsoeneren naar de maatstaven, behoeften en de smaak van de eigen tijd, net zoals de renaissance, ook een neostijl, dat deed met de bouwkunst van de Romeinen. In de renaissancistische kunsttheorie heet die ontwerphouding ‘aemulatio’, wedijver, namelijk met het verleden. Voor veel negentiende-eeuwse architecten gold die theorie nog steeds.

Entreedeur met smeedijzeren trekbel Trappenhuis met houten siergordijn, vanuit gang begane grond

Een toneelgordijn

De verwachtingen die de entree wekt, worden in het interieur waargemaakt, met name in het tussenlid van de gang en het trappenhuis. Het door de open binnenplaats verlichte tussenlid heeft een opvallend grillig gevormde spiegel met ijle guirlandes en een gesmede trappaal in de vorm van een S-vormige herme met vijfarmige kandelaar. Het opvallendst is hier de geschilderde houten draperie met kwasten en koorden, die voor het trappenhuis hangt. Een dergelijk opgetrokken gordijn komt in de achttiende eeuw al voor, namelijk als stucdecoratie op een wand in Keizersgracht 756, in Régence-stijl, toegeschreven aan Jan van Logteren. Maar Springer past het op veel grotere schaal toe, als deel van een ruimtelijke compositie waarin hij de gang en het trappenhuis van elkaar scheidt. Het is waarschijnlijk zijn eigen vondst, refererend aan een toneelgordijn. Niet alleen was hij in 1874 samen met zijn vader de ontwerper van de in 1890 afgebrande Stadsschouwburg, sommige van zijn architectuurfantasieën doen vermoeden dat hij (incidenteel?) ook toneeldecors ontwierp, al heb ik tot op heden geen concrete ontwerpen voor het toneel kunnen vinden. Maar zijn bladen met architectuurfantasieën, waarvan een deel uiteindelijk beland is in de archieven van het Nederlands Architectuurinstituut (’Het Nieuwe Instituut’) in Rotterdam, worden bijna altijd omkaderd door pilasters, bogen en gordijnen. In die zin is ook hier architectuur als theater opgevat, al kan het natuurlijk een emblematische verwijzing zijn naar het leven als theater.

Wandpaneel met spiegel, op gang beletage Spanjolet achterzaal (tussenverdieping)

Prefab naar eigen ontwerp

Op de bel-etage en tweede verdieping is in de gang mogelijk achttiende-eeuws stucwerk behouden en in groene tonen overgeschilderd, zoals dat onder meer ook in het Geelvinck- Hinlopenhuis het geval is. Want het gaslicht en later het nog helderder elektrische licht vroegen om een andere interieurbehandeling dan de achttiende eeuw, toen, zeker in de gang, het zwakke gouden licht van kaarsen en olielampen om wit stucwerk vroeg. De kleurrijke pronkvertrekken zijn echter duidelijk van Springer. De voorzaal, die vergroot kon worden omdat de ingang naar het souterrain verplaatst was, heeft overvloedig verguld neorococo stucwerk met Wedgwood-actige puttireliëfs, een neorococo plafond met geschilderde bloemmotieven en een rijke schouw met een door treillage en rocaille-motieven omlijste spiegel. De plafondornamenten in sommige ruimtes zijn mogelijk van papiermaché, in welke samenstelling dan ook. Boetseren uit de hand werd in deze tijd steeds minder gedaan. Het kleurrijke plafond in de zaal aan de tuinzijde, met onder meer waaiermotieven en een origineel middenrozet van ranken, wekt de indruk van papierstuc van de firma Bennewitz te zijn gemaakt. Met het blote oog is dat nauwelijks vast te stellen. Maar papier- maché, papier-collé of papierstuc, het is in elk geval gemaakt naar tekening van de architect, wat een stuk duurder is dan een ontwerp uit de catalogus. Bijzonder zijn hier ook de houtimitaties en de op het plafond geschilderde houtnerfstructuren. De spanjoletten in de middenstijlen van de vensters in de achterzaal behoren tot de uitbundigste van Amsterdam. De binnenkamer is een stuk strakker, want niet alle interieurs hebben rococo-ornamentiek. Zoals gebruikelijk in de negentiende eeuw werden voor ruimtes met verschillende functies ook verschillende stijlen gehanteerd.

Details plafond achterzaal (tussenverdieping)

Meer bouwhistorisch onderzoek naar dit huis, waarin tot voor kort nota bene het Erfgoedhuis zat, is gewenst. Maar de wetenschap dat het interieur grotendeels van Springer is, geef ik hier alvast mee. Je kijkt ook anders naar een schilderij als je weet dat het een Cornelis Springer is – zijn oom – en geen anonieme meester. Het krijgt meer context.

Wilfred van Leeuwen

Literatuur
- Wilfred van Leeuwen, 'Tussen droom en daad. Jan Springer als kwartiermaker van een visionaire architectuur', De Sluitsteen 7 (1991), nr. 1, p. 3-23.
- Nederland bouwt in baksteen. Cat. Rotterdam (Museum Boymans) 1941, p. 58.
- Marion Kuipers-Verbuijs, Van welgeordende planterijen. Architectuur en natuur langs tramlijn 9, Amsterdam 1999, p. 19-21.
- Jennifer Smit, Een bijzonder herenhuis aan de bocht, Amsterdam (Riod) 1983.

(Uit: Binnenstad 268, januari/februari 2015)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.