Keizersgracht 439

Een onbekende dubbelverbouwing door vader en zoon Salm

De witgeschilderde pilastergevel van Keizersgracht 439, in 1871 gebouwd naar ontwerp van Gerlof Bartholomeus Salm (1831-1897), vormt een bijzonder accent in de grachtenwand. Toch is het woonhuis lange tijd ontsnapt aan de aandacht van architectuurhistorici. Tot ver in de twintigste eeuw werd de architectuur van Salm en zijn tijdgenoten het bestuderen niet waard geacht, laat staan het beschermen. De rehabilitatie van deze, in zijn tijd gerespecteerde en succesvolle architect kwam met een prachtige tentoonstelling in 1997 in het Amsterdamse Gemeentearchief.

In de catalogus, die was gewijd aan zijn oeuvre en dat van zijn zoon en latere compagnon Abraham Salm (1857-1915), staat echter abusievelijk aangegeven dat het huis op de Keizersgracht niet meer bestaat. Mogelijk droegen het onjuiste huisnummer waar de auteurs vanuit gingen en de sterk van het ontwerp afwijkende uitvoering van de gevel bij aan deze verwarring. Het heeft tot 2006 geduurd eer het woonhuis volkomen terecht werd aangewezen als gemeentelijk monument. Achter de gevel uit 1871 schuilt een pand met een boeiende en complexe bouwgeschiedenis die teruggaat tot 1684. Verscheidene onderdelen herinneren nog aan deze eerdere bouwfasen. De negentiende-eeuwse interieurs, het resultaat van twee verbouwingen door Salm, vormen echter de glorie van het huis. Keizersgracht 439 zou beslist niet misstaan op de lijst van rijksmonumenten.

Entree van Keizersgracht 439. Foto’s: Wim Ruigrok Trappenhuis ter hoogte van de bel-etage

Op 3 januari 1664 kocht Joseph Deutz, koopman in teer en pek, voor f 6400 per stuk de erven 19 en 20 van het zogeheten park A, dat verder werd begrensd door de Leidsegracht, Herengracht en Leidsestraat. Deutz en zijn buurman Harmen Abelen van der Stork, die erf 21 had verworven, lieten hierop drie identieke koopmanshuizen bouwen door de meestertimmerman Claes Dircksz van Houten. Het rijtje Keizersgracht 437-441 was, getuige de jaartalstenen in beide buurpanden, in 1684 voltooid. Afgezien van het feit dat de balklaag van het souterrain nadien is verhoogd, is aan Keizersgracht 441 de oorspronkelijke opzet van de drieling nog steeds goed af te lezen: een souterrain met hoge stoepverdieping, twee verdiepingen en een haaks op de rooilijn staande kap. De bakstenen halsgevels waren ter hoogte van de borstweringen en top versierd met natuurstenen guirlandes en festoenen, de hals werd bekroond door een zandstenen segmentvormig fronton met een schelp als decoratie. Twee eeuwen na de bouw was de drieling nog vrijwel ongewijzigd, zo maken de tekeningen in het Grachtenboek (1768-1771) en een kort voor 1871 te dateren foto op de Beeldbank van het Amsterdamse Stadsarchief duidelijk. De belangrijkste veranderingen zijn de plaatsing van achttiende-eeuwse ramen en het verdwijnen van vrijwel alle festoenen en guirlandes bij de nummers 437 en 439. Op een contemporaine stereoscopische opname lijkt het alsof Keizersgracht 439 op dat moment ook al zijn hoge stoep heeft verloren.

Het huis in de zeventiende en achttiende eeuw

Historische foto van Keizersgracht 439 (midden) en buurpanden (foto: Stadsarchief Amsterdam)

Het in opdracht van Deutz gebouwde beleggingspand Keizersgracht 439 had de sinds de zeventiende eeuw gangbare opzet van voorhuis, tussenlid met binnenplaats en achterhuis. Ook de indeling met een smalle beuk voor de gang, in dit geval aan de rechterzijde, en een brede beuk voor de vertrekken was gebruikelijk voor de meer bescheiden grachtenhuizen. Het souterrain vormde het domein voor de bedienden. Hier waren de keuken, de provisieruimten en slaapplaatsen voor het personeel ondergebracht. Toen de ingang in de negentiende eeuw op straatniveau kwam te liggen, veranderde de bestemming van de onderverdieping niet. Dat gold in grote lijnen ook voor de overige bouwlagen. De hoofdverdieping behield uiteraard haar representatieve uitstraling. Wel kreeg de zaal in het achterhuis in de negentiende eeuw de specifieke functie van eetkamer, getuige de aanwezigheid van een (kort na 2001 verwijderde) etenslift. Deze zorgde voor een directe verbinding met de eronder gelegen keuken. Boven de hoofdverdieping waren van oudsher de slaapkamers van de familie ondergebracht. De ruimten op de hoogste verdieping en de zolders dienden voor opslag. Verder boden deze verdiepingen plaats aan dienstslaapkamers en ruimte voor het drogen van de was.
Enkele onderdelen, waaronder de bouwmuren, de balklagen en de kappen van het voor- en achterhuis, stammen nog uit de ontstaanstijd van het pand. Verwonderlijk is dat niet, aangezien veel Amsterdamse grachtenhuizen een casco uit de zeventiende eeuw bezitten. Zo kon bij verbouwingen enorm op de kosten worden bespaard. Ook de achtergevel van het achterhuis stamt nog uit 1684. Hoewel de interieurs van het huis in de achttiende en negentiende eeuw op gebruikelijke wijze zijn verfraaid, dateert de indeling van het plafond van de zaal op de bel-etage van het achterhuis nog uit de late zeventiende eeuw. Het plafond is door houten lijstwerk verdeeld in twee kleinere vakken aan beide zijkanten en een groot vak in het midden. De afgeronde binnenhoeken lijken echter een achttiende-eeuwse toevoeging. Deze zijn mogelijk omtrent 1750 aangebracht, tegelijkertijd met de lambriseringen en wandbetimmeringen die aan de bovenzijde zijn afgewerkt met ornamenten in de rococo- of Lodewijk-XV-stijl.
Het tuinhuis, aan het eind van de smalle maar diepe tuin, stamt ook uit de achttiende eeuw maar is iets ouder dan de rococo-wandafwerkingen van de zaal. In het interieur van het gebouwtje bleef de boezem van de stookplaats bewaard, met decoratief lijstwerk in Lodewijk-XIV-stijl.

Negentiende-eeuwse verbouwingen

De kamer en suite op de bel-etage

Het woonhuis is in 1871 verbouwd door G.B. Salm. Opdrachtgever was de om de hoek aan de Leidsegracht wonende fabrikant Karel Hendrik Bos, wiens vrouw het pand zeven jaar eerder had geërfd. De voor de bouwvergunning vereiste tekening draagt het opschrift ‘Teekening voor de gedeeltelijke verbouwing der voorgevel van het perceel op de Keizersgracht bij de Leidschestraat J J 357’. Het plan had betrekking op het gedeelte van de gevel boven de pui. Hoewel het destijds gebruikelijk was dat tijdens de uitvoering van de werkzaamheden van de ontwerptekening werd afgeweken, maakten Salm en zijn opdrachtgever het wel zeer bont. De gerealiseerde pilastergevel komt nauwelijks overeen met de bij de gemeente ingediende tekening. De witgeschilderde façade is grotendeels van natuursteen; een deel van de decoratie lijkt van terracotta te zijn. Verder laat de gevel een stapeling van zuilenorden zien, maar het classicistische vormenapparaat is op een vrije manier toegepast. Zo zijn de kapitelen van eigen vinding. De consoles in het fries boven de bel-etage zijn ook niet volgens de classicistische regels opgevat. Verder is het vreemd hoe de Ionische kapitelen van de hoofdverdieping aan de beide zijkanten zijn afgehakt. De façade is ook binnen het oeuvre van de Salms een bijzondere verschijning.
In mei 1873 betrokken de assurantiebezorger, later commissionair in effecten Pieter Gouda jr., zijn vrouw Jeannette Henriette Croockewit en hun pas geboren zoontje Jan Hendrik als huurders het verbouwde huis. Er was in de voorgaande jaren duidelijk meer gebeurd dan alleen het vernieuwen van de gevel, zoals blijkt uit de voorwaarden toen Bos het huis in 1881 liet veilen. Een aantal onderdelen was niet bij de verkoop inbegrepen. Deze moesten ‘door den kooper voor drie honderd vijftig gulden boven den koopprijs’ worden overgenomen. Zo wordt melding gemaakt van drie stel ‘openslaande jalousien’ en acht ‘ophaalgordijnen/ jalousien’. Verder worden ‘schoorsteenspiegels op de voorzaal, in de binnenkamer en op de voorkamer’ vermeld. Met ‘voorzaal’ en ‘binnenkamer’ zullen de kamers-en-suite op de bel-etage (eerste verdieping) zijn bedoeld. In deze vertrekken zijn de negentiende-eeuwse schoorsteenspiegels nog steeds te zien. Welke ruimte met ‘voorkamer’ wordt bedoeld is onduidelijk. Wellicht ging het om een vertrek op de tweede verdieping. Tegenwoordig ontbreekt hier een schoorsteenspiegel, maar er zijn nog twee exemplaren opgeslagen die bij het huis horen. Gezien het feit dat voor deze goederen overnamekosten werden gevraagd, lijkt het plausibel dat ze van recente dagtekening waren. De kamers op de bel-etage van het voorhuis zullen dan ook gelijk met de gevel zijn vernieuwd. In 1871 heeft het huis tevens een aansluiting op de waterleiding gekregen. In de zojuist genoemde bepalingen wordt gewag gemaakt van ‘de aanleg voor duinwater met de handewaschkom op het portaal’. Deze waskom is niet bewaard gebleven. Wel is op de derde verdieping in de gang een fonteintje gemaakt dat, gezien de lage plaatsing, als watertappunt dienst deed, mogelijk ten gerieve van de dienstbode die op deze etage in het achterhuis een eigen kamer had. Onbekend is of dit uit 1871 stamt. Uit de voorwaarden bij de veiling in 1881 blijkt verder dat het huis ook reeds was aangesloten op het gasnetwerk: ‘Voorts is mede niet onder den koop en verkoop begrepen de aanleg voor gaz, als zijnde eigendom der gazfabriek’. Keizersgracht 439 werd op de veiling gekocht door makelaar J.L. Hageman in opdracht van Jeannette Henriette Croockewit. Daarmee werden de bewoners sinds 1873 eigenaar.
Bij de verbouwing in 1871 bleef de onderpui ongewijzigd. Daar kwam in 1891 verandering in. De eigenaars kregen in dat jaar vergunning voor ‘het veranderen van het benedengedeelte van den voorgevel en het laten rijzen van een gedeelte stoep voor het perceel’. De pui werd in hardsteen vernieuwd en verhoogd. Vóór 1891 bezat het huis over de gehele breedte een verdiepte stoep. Met de verbouwing werd deze gereduceerd tot het entreegebied. Net als twintig jaar eerder bleven ook in 1891 de werkzaamheden niet beperkt tot de gevel. In hetzelfde jaar werd vergunning verleend voor een aansluiting op de Vechtwaterleiding ten behoeve van een ‘badinrichting, twee closets en puibewassching’. Onder dit laatste werd het schoonhouden van de pui en de straat verstaan. Een van de in de vergunning genoemde waterclosets is bewaard gebleven. Dit is geplaatst in een toiletruimte op de bel-etage van het achterhuis, direct naast het trappenhuis en de binnenplaats. Dit vertrek bevat een zeldzame toiletpot inclusief de originele houten bril met daarop een naamplaatje van de firma Th. van Heemstede Obelt, betegelde wanden, fonteintje, marmeren vloertegels, alsmede een venster voorzien van glas-in-loodramen.

De zaal in het achterhuis met een laatzeventiende-eeuws plafond, wandbetimmering in rococostijl en een negentiende-eeuwse schoorsteenpartij

Dwalen door de negentiende eeuw

De interieurs van het huis ademen een laatnegentiende-eeuwse sfeer. Het is echter lastig vast te stellen of onderdelen uit 1871 of 1891 dateren. Aangezien voor interne verbouwingen geen bouwvergunning nodig was, verschaffen de archiefstukken in de gemeentelijke administratie hierover geen informatie. Het smaakvol afgewerkte trappenhuis moet uit 1891 stammen. De vormgeving van de deur- en vensteromlijstingen in het trappenhuis is onmiskenbaar in de trant van de Hollandse neorenaissance, die in de jaren 1880 en 1890 in zwang was. Gezien de overeenkomsten met andere trappenhuizen die G.B. Salm in deze tijd met zijn zoon en compagnon Abraham realiseerde, is het aannemelijk dat zij tevens voor deze verbouwing verantwoordelijk zijn geweest. Twee trappalen markeren de aanzet van de trap. Een ervan bevatte oorspronkelijk een gaslamp (de verlichting is nu elektrisch). De spijlen hebben een zorgvuldige vormgeving in siersmeedwerk. De trap is voorzien van een marmeren lambrisering, vanaf de opgang naar tweede verdieping is gemarmerd stuc toegepast. Verder zijn tot en met de derde verdieping zorgvuldig gesneden houten handlijsten geplaatst. Tussen de begane grond en de eerste verdieping zorgen drie trapsgewijs geplaatste glas-in-loodramen voor lichttoetreding vanaf de binnenplaats. De vensters hebben een rijk vormgegeven houten omlijsting ondersteund door eveneens uitbundig gedecoreerde consoles. Ook tussen de eerste en de tweede verdieping komen in het trappenhuis drie glas-in-loodramen voor. Ze zijn veel hoger dan de zojuist genoemde exemplaren en net als deze vensters trapsgewijs aangebracht in een houten omlijsting (met de nog oorspronkelijke ‘houting’). Al deze glas-in-loodramen hebben een centraal medaillon met voorstellingen van telkens een andere vogel.

Kamers op de bel-etage

Schoorsteenpartij in de voorkamer op de bel-etage

Samen met het trappenhuis zijn de uitbundig vormgegeven voor- en achterkamer op de bel-etage de best bewaarde negentiende-eeuwse vertrekken in het huis. Opmerkelijk is dat het voorhuis rechtstreeks toegankelijk is vanuit het trappenhuis, zonder tussenkomst van een gang. De kamers zullen met de eerste verbouwing van Salm zijn vernieuwd, gezien de reeds aangehaalde opmerking over de verplichte overname van de schouwspiegels in 1881. Het is echter niet duidelijk welke onderdelen uit 1871 stammen. Twintig jaar later moeten verscheidene onderdelen zijn toegevoegd, zoals de glas-in-loodramen en het imitatie-goudleer in de achterkamer. Beide kamers staan door middel van een suite in verbinding met elkaar. De schuifdeuren van de suite zijn voorzien van een zwaar aangezette omlijsting. De vertrekken zijn afgewerkt met beschilderde wandbetimmeringen. Verder bezitten de kamers rijk gedecoreerde stucplafonds. Het is goed denkbaar dat de identieke kroonluchters tot de door Salm aangebrachte interieurafwerking behoren. De zwartmarmeren schouwen in beide vertrekken hebben een gedetailleerd vormgegeven schoorsteenboezem. De schouw in de voorkamer is bovendien voorzien van een insluithaard, volgens inscriptie vervaardigd door ‘De Ulftsche IJzergieterij Firma B&B’, oftewel de firma Becking en Bongers die bestond van 1895 tot 1970. De insluithaard moet dus na 1891 zijn aangebracht.
De achterkamer bevat verder imitatiegoudleer als wandafwerking, de enige bespanning in het huis die nog monumentaal is. Deze kamer ontvangt licht vanuit de binnenplaats door een breed schuifraam met bovenlicht, geflankeerd door smalle ramen. Laatstgenoemde ramen zijn gevuld met glas in lood. Ze zijn voorzien van voorstellingen van musicerende jongelingen en vogels en moeten tegelijkertijd zijn aangebracht met de glasin-loodramen van het trappenhuis en de toiletruimte.
De zaal op de bel-etage van het achterhuis met zijn zeventiende- en achttiende-eeuwse interieuronderdelen, kwam hiervoor al ter sprake. Deze ruimte kreeg er in de negentiende eeuw nog een 'historische laag' bij. Tegen de linkerwand is, ongetwijfeld door Salm, een schoorsteenpartij geplaatst. Deze bestaat uit een zwartmarmeren schouw en een schoorsteenboezem die is verrijkt met lijst- en snijwerk. Wellicht liet Salm ook de schoorsteenspiegel aanbrengen. De wand- en plafondvakken bevatten oorspronkelijk schilderingen die in 1935 zijn verwijderd toen de erven Gouda-Croockewit het pand verkochten, zo blijkt uit de verkoopakte: "Het perceel is verkocht met uitzondering van de wand- en plafondstukken in de zaal, welke door de verkoopers zijn verwijderd zonder dat zij tot eenige schadeloosstelling of voor beschadiging aansprakelijk zijn". Van deze kunstwerken ontbreekt thans ieder spoor. Over de datering, de maker en de voorstellingen tasten we eveneens in het duister.
Opmerkelijk is dat het dienstbodenvertrek op de zolder van het achterhuis bewaard is gebleven. De met kraaldelen afgewerkte wanden van het vertrek, de paneeldeuren van de ingebouwde kasten en het houten plafond zijn alle voorzien van een ‘houting’. Een dergelijk zorgvuldig afgewerkt en gaaf bewaard dienstbodenvertrek is zeldzaam.
In 1936 werd Hendrik C. Arondeus met zijn gezin ingeschreven in Keizersgracht 439. Hij vestigde hier het gerenommeerde kledingverhuurbedrijf Leeger, beroemd om de "theaterkleding, Sinterklaaskostuums en militaire uniforms". De familie, die in de jaren zeventig eigenaar werd, ging terughoudend met het huis om. In een tijd dat architectuurhistorici en monumentenzorgers laatdunkend deden over de 'lelijke tijd', werden de negentiende-eeuwse interieurs door de eigenaren juist gekoesterd. Het is te hopen dat dit ook geldt voor de volgende generaties.

Coert Peter Krabbe en Jos Smit

De auteurs zijn architectuurhistorici bij Monumenten en Archeologie van de gemeente Amsterdam

(Uit: Binnenstad 268, januari/februari 2015)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.