Bewoners lijken niet mee te tellen

Met welhaast vaste regelmaat plaatst Het Parool ingezonden brieven van inwoners die klagen over overlast. Klachten over geluidsoverlast, tekort aan parkeerplaatsen, teveel toeristen, overlast van illegale hotels of van nachtelijke filmopnamen, enzovoort. De laatste tijd melden zich ook steeds meer prominenten aan het front, zoals Boudewijn Oranje, voorzitter van de Bestuurscommissie Centrum of Wim Pijbes, directeur van het Rijksmuseum. Met het toenemen van de drukte in de stad neemt de discussie over inrichting en gebruik van binnenstad en stad toe.

Kooplui en klagers

Grofweg zijn in deze discussie twee kampen te onderscheiden: degenen die klagen of, in de woorden van de fractievoorzitter van de VVD in de gemeenteraad, ‘zeuren’, en degenen die grote perspectieven schetsen over de toekomst van de stad. Die grote perspectieven variëren van ‘de ontwikkelingen zijn niet tegen te houden, er moet op worden ingespeeld’ tot ‘als we dit of dat niet beter gaan regelen gaat dat ten koste van de ontwikkeling van de stad’. D66’er Oranje kopte: ‘we kunnen geen hek rond de binnenstad zetten’. Hij is een voorbeeld van het standpunt dat de ontwikkelingen niet zijn tegen te houden. Pijbes stelt dat toeristen meer ‘gepleased’ moeten worden, omdat dat voor de stad – en vooral zijn museum – van belang is.
Degenen die klagen zijn bijna zonder uitzondering bewoners. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat zij over het algemeen als lastig worden ervaren door bestuurders, ambtenaren en ondernemers. Ze zijn lastig als ze zich verzetten tegen bijvoorbeeld nog ruimere openingstijden voor de horeca, tegen luidruchtige concerten in kleine stadsparken, de ongebreidelde groei van ‘short stay’ of tegen de komst van weer een nieuw hotel, kortom, als ze zich beklagen over de overlast die veroorzaakt wordt door ondernemers en uitbaters, die zelf veelal niet in de stad wonen. Veel ondernemers hebben geen last van de neveneffecten van hun activiteiten, maar plukken er wel de vruchten van. In mijn waarneming is een van de weinige organisaties die de belangen van bewoners deelt de Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad. Deze vereniging verzette zich bijvoorbeeld onlangs tegen de komst van bierwaterfietsen in de Amsterdamse grachten.

Uitgaansleven op het Rembrandtplein

Dat het steeds bewoners zijn die (moeten) klagen is eigenlijk heel goed verklaarbaar. Partijen die financieel belang hebben bij de ‘groei’ van Amsterdam zijn veel beter georganiseerd dan bewoners. Zij worden ondersteund door investeerders en banken, maar ook door onze overheid. Neem bijvoorbeeld de Economic Board Amsterdam. Hierin werken bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheden samen om de economische ontwikkeling in de regio te stimuleren en Amsterdam nog beter ‘op de kaart te zetten’. Deze organisatie wordt daarin geruggesteund door Europese subsidies voor regionale ontwikkeling.

Wat hebben bewoners aan ‘groei’?

Nu kan men zeggen dat die economische ontwikkeling van Amsterdam ook hard nodig is. ‘We’ moeten in internationale ranglijsten niet op een vierde plaats staan, maar zo mogelijk hoger – een wens van burgemeester Van der Laan – , ‘we’ moeten buitenlandse bedrijven aantrekken en ‘we’ moeten de werkgelegenheid vergroten, om maar wat ambities te noemen van onze stadsbestuurders. De vraag is echter: waarom moet dat alles? De argumenten die in antwoord op die vraag worden gebruikt zijn dat we daarmee de effecten van de vergrijzing kunnen opvangen, dat de werkloosheid bestreden moet worden of dat Amsterdam de economische motor van Nederland moet zijn. Zonder hier op de – gebrekkige of ontbrekende – onderbouwing van dergelijke argumenten in te gaan, valt bij dergelijke redeneringen op dat aan de betekenis hiervan voor bewoners van deze stad nooit enige aandacht wordt besteed, anders dan uitspraken als ‘ik geloof in de veerkracht van de Amsterdammer: we gaan geen uitdaging uit de weg’ (Boudewijn Oranje) of ‘bewoners moeten er maar aan wennen’.
De gemeente was ooit van en voor haar burgers, maar die tijd lijkt in deze context ver achter ons te liggen. Bestuurders zien z ichzelf eerder als ondernemers die de stad uitbaten dan als vertegenwoordigers van burgers. Ambtenaren zijn gefocust op wat ‘het vooruit brengen van de stad’ wordt genoemd, ze zijn niet geïnteresseerd in de bewoners. Bewoners zijn niet ‘sexy’, het zijn lastpakken en klagers. Gescoord kan worden met het binnenhalen van een groot, duur hotel of een multinational, met meer toeristen.
Dit klinkt overdreven, maar is het dat ook? Waarom stelt een gemeente publieke ruimte beschikbaar aan uitbaters zonder rekening te houden met omwonenden, anders dan ze te informeren over mogelijke overlast? Waarom moeten bewoners hun vervuilende auto’s van de hand doen terwijl niets gedaan wordt aan de zeer vervuilende rode stadstoerbussen die bijna leeg rondrijden, of aan de vele taxi’s die doelloos rondrijden of urenlang met lopende motor op klanten wachten. Waarom mogen historische panden ingrijpend verbouwd worden tot hotel terwijl bewoners op de vingers gekeken wordt bij een kleine verbouwing. Als er overlast is heet het steevast dat de capaciteit ontbreekt er iets aan te doen. De gemeente is nauwelijks in staat enig toezicht te organiseren op door haarzelf opgestelde regels of er bestaan zelfs geen regels op grond waarvan bepaalde vormen van overlast kunnen worden aangepakt. Hoe heeft het kunnen gebeuren dat ‘short stay’ en illegale hotels tot een onbeheersbare omvang en alomtegenwoordigheid hebben kunnen groeien zonder ingrijpen van onze burgervader? Waarom maakt de APV het niet mogelijk om op te treden tegen het lukraak op voetpaden parkeren van motoren, bier- en huurfietsen, etc. Waarom is bijna niets te doen tegen in auto’s en campers in de binnenstad overnachtende toeristen en nachtelijke geluidsoverlast van luidruchtige kroegbezoekers?
Er wordt beweerd dat bewoners, naast ‘wellicht enige overlast’ ook hun voordeel hebben van de vooruitgang van de stad. Dat geldt dan niet voor de extra werkgelegenheid die ermee gecreëerd zou worden. Enerzijds omdat de Amsterdamse werklozen aan de onderkant van de arbeidsmarkt daar nauwelijks van profiteren; anderzijds omdat Amsterdam een aanzienlijk inkomend pendeloverschot heeft. Waarom wordt bijvoorbeeld niet aan nieuw te vestigen hotels een flinke ‘social return’ verplichting als wederdienst opgelegd om Amsterdamse werkloze jongeren en arbeidsgehandicapten aan werk te helpen? Dat Amsterdammers ook voordeel hebben van het toenemende toerisme geldt in ieder geval niet voor de woonfunctie, want deze wordt steeds meer verdrongen door horeca, ‘short stay’ en hotels. De prijzen van de overblijvende huizen stijgen waardoor lagere inkomensgroepen verdrongen worden. Daarnaast worden winkels voor bewoners vervangen door toeristenwinkels, parkeervoorzieningen worden duurder en schaarser, open ruimte wordt volgebouwd in plaats van beschikbaar gesteld voor kinderspeelplaatsen of groenvoorziening.

Hoogste tijd voor ander beleid

Als de gemeente betreurt dat lagere inkomensgroepen uit de binnenstad verdwijnen, dat gezinnen met kinderen vertrekken, dat er nog steeds een forse werkloosheid onder haar inwoners heerst, dan zijn dat krokodillentranen want het is haar eigen beleid – of het ontbreken daarvan – dat dit proces veroorzaakt. Feitelijk is er geen beleid voor bewoners. Er worden economische plannen gemaakt, investeringsplannen, bestemmingsplannen, etc., maar geen ‘bewonersplannen’ of ‘leefbaarheidsplannen’. Bewoners zijn daardoor het sluitstuk van de ontwikkelingen geworden. Zij kunnen dus niet anders dan reageren, ‘klagen of zeuren’, in plaats van een beroep doen op een beleid dat uitgaat van hun belangen, laat staan bijdragen aan het uitwerken van beleid dat in hún voordeel is.
In delen van de stad is de situatie voor veel bewoners behoorlijk uit balans. De overlast dringt er zelfs hun privédomein binnen. Voor de stad als geheel is het waarschijnlijk nog niet te laat; Amsterdam is nog geen Brugge of Venetië. De tijd dringt echter; het ‘point of no return’ ligt al in het verschiet: het punt dat de aangerichte schade zo groot is dat de woonfunctie en het welzijn van de inwoners van grote delen van de stad voorgoed om zeep is geholpen, en wel door hun eigen politici en ambtenaren, die zichzelf meer als zakenlui dan als vertegenwoordigers beschouwen. Het wordt tijd voor een bewonersbeleid náást het economisch beleid. Alleen dan kunnen afgewogen beslissingen worden genomen die op ontwikkelingen vooruit lopen in plaats van dat de stad verkwanseld wordt aan niets ontziend ondernemerschap. Op enig moment is het te laat en moeten we vaststellen dat te weinig is gereageerd op ongewenste en moeilijk omkeerbare ontwikkelingen.

Op de publicatie van een vergelijkbaar artikel in Het Parool heb ik zeer veel reacties ontvangen. Daarbij viel op dat die allemaal instemmend waren, sommige zelfs wanhopig van toonzetting, omdat men geen gehoor vindt bij de stadsbestuurders c.q. in het stadhuis. Duidelijk is dat niemand zich daar verantwoordelijk voelt voor de bewoners.
Voor het hierboven geschetste probleem bestaat niet één een oplossing, er zijn er vele. Al die mogelijke oplossingen beginnen echter met een andere opstelling van politici, bestuurders en ambtenaren in deze stad.

Jos Mevissen

(Uit: Binnenstad 269, maart/april 2015)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.