Lichtend voorbeeld uit donkere tijden

Het voormalige AVRO-kantoor van F.A. Warners

Afgelopen jaar vestigde de – met de TROS gefuseerde – omroepvereniging AVRO zich in het Vondelparkpaviljoen (1879-1881, W. Hamer), decennialang de behuizing van het door cultuurminnaars gekoesterde Filmmuseum. Minder bekend is dat de AVRO, afkorting van Algemeene Vereeniging Radio Omroep, in de vorige eeuw kortstondig aan de Amsterdamse Keizersgracht was gevestigd. In 1928, enkele jaren na de oprichting, nam de omroep zijn intrek in nummer 107, dat weldra grondig werd vernieuwd. Al een paar jaar na deze verbouwing bestond behoefte aan een ruimere huisvesting voor de stormachtig gegroeide organisatie. Voor de nieuwbouw, waaraan in 1938 zou worden begonnen, werden de buurpanden met de huisnummers 103 en 105 aangekocht. De twee kort na elkaar gerealiseerde kantoorgebouwen getuigen van het gegroeide zelfbewustzijn van de omroepvereniging. Toch zal de AVRO met gemengde gevoelens terugkijken op de eerste Amsterdamse periode. Hoewel de omroep met recht trots kan zijn op de pioniersrol in de beginjaren van de Nederlandse radio, geldt dat niet voor de activiteiten van bepaalde medewerkers. Het dieptepunt waren de radiotoespraken van Max Blokzijl aan het begin van de oorlog, waarin hij zijn enthousiasme voor het nationaal-socialisme niet onder stoelen of banken stak. De weinig maatschappijkritische houding van de omroep mocht niet baten. Op last van de bezetter werd in maart 1941 de AVRO ontbonden, net als de andere omroepen.
De brede façade van Keizersgracht 105 en, rechts ervan, de zandstenen gevel van nummer 107.

Toen de AVRO in 1928 zijn intrek nam in Keizersgracht 107, het eerste van de drie grachtenpanden die de omroepvereniging aankocht, bleef de opzet van het eeuwenoude patriciërshuis goeddeels gehandhaafd. Om te voldoen aan een aantal specifieke eisen, zoals een grote ruimte voor de ledenadministratie, ontstond in 1931 het plan het gebouw aan te passen. De succesvolle architect Philip Anne Warners – die zich merkwaardigerwijs van de initialen F.A. bediende – werd benaderd voor het maken van een verbouwingsplan. Op aanraden van de architect besloot de directie echter het huis te slopen en nieuwbouw te realiseren. De zandstenen blokken van de gevel werden voorafgaand aan de afbraak genummerd en vervolgens steen voor steen weer opgebouwd. Warners veroorloofde zich bij de gevelreconstructie enige aanpassingen. Zo keerde de oorspronkelijke stoep niet terug en kwam de entree gelijkstraats te liggen, aan de bovenzijde voorzien van de naam van de omroep. Ook de raamomlijsting op de eerste verdieping en het erboven aangebrachte balkon, beide op de middenas, weken af van de eerdere toestand. Van de oude interieurs bleef niets gespaard. Afgezien van de hoofdtrap met gesneden balusters en de gang met stucdecoraties op de bel-etage waren de interieurs, aldus Warners, van geringe waarde. Nu is het een ongeschreven regel dat architecten, die een opdracht in het verschiet hebben, zich niet onderscheiden als de meest objectieve beoordelaars van de bebouwing die hiervoor moet wijken. Tegenover deze onverschilligheid staat de rijkdom van de nieuw aangebrachte interieurs, naar ontwerp van de architect, die voor een deel bewaard zijn gebleven. Met name het trappenhuis kreeg een zorgvuldige afwerking. Louis Raemaekers, die vooral als cartoonist bekendheid verwierf, werd ingeschakeld om een glas-in-loodraam voor deze ruimte te ontwerpen. Vanwege de al gememoreerde groei van de omroep werden in 1936 het pand met huisnummer 105, waarvan de gevel uit 1763 stamde, en het aangrenzende smalle huis op nummer 103 aangekocht en vervolgens gesloopt ten behoeve van een nieuw hoofdkantoor. Wederom werd Warners met de plannen belast. De nieuwe gevel van Keizersgracht 105 was gebaseerd op die van de voorganger, maar dan in een bredere uitvoering met vijf vensters per verdieping, in plaats van de drie vensteropeningen in de oorspronkelijke toestand. Verder maakte Warners gebruik van oude onderdelen: de natuurstenen decoraties in de middenas, de consoles van de afsluitende lijst, de gevelsteen met het opschrift D’ Bruynvis en de vazen op de balustrade. De massieve in brons uitgevoerde toegangsdeur vormt het enige onderdeel dat afwijkt van de vormgeving in achttiende-eeuwse trant.

De centrale hal van Keizersgracht 105 De trap naar de hogere verdiepingen van Keizersgracht 105

Aangepast bouwen

Warners’ historiserende gevel van nummer 105 contrasteert met andere projecten van zijn hand. Vooral in Amsterdam-Zuid heeft hij in de vooroorlogse jaren veel gebouwd, variërend van vrijstaande villa’s en geschakelde herenhuizen tot de opzienbarende etagehuizen die hier ter stede ongekend waren. Nog frappanter is het verschil met de Hilversumse studio die de AVRO praktisch tegelijkertijd, in 1934-1936, liet bouwen, naar ontwerp van Ben Merkelbach in het idioom van het Nieuwe Bouwen. De afwijkende vormgeving van beide kantoorpanden aan de Keizersgracht kan worden verklaard uit het belang dat in de vooroorlogse jaren werd gehecht aan het stadsschoon van de historische binnenstad en de grachtengordel in het bijzonder. Als antwoord op het proces van schaalvergroting en cityvorming bestond een breed gedragen behoefte om het architectonisch karakter van de grachten zoveel mogelijk te bewaren. Vandaar dat de gevel van nummer 107 met behoud van het originele bouwmateriaal werd gereconstrueerd en dat bij nummer 105 oude gevelonderdelen werden hergebruikt. De beide AVRO-kantoren aan de Keizersgracht vormen een schoolvoorbeeld van aangepast bouwen dat in het interbellum aan de grachten gangbaar was. Bijgevolg komt vooroorlogse modernistische architectuur, waarvoor Merkelbachs studio in Hilversum exemplarisch is, hier alleen op bescheiden schaal voor. Hoezeer de architect ingenomen was met het resultaat blijkt uit het boek Amsterdamse bouwkunst en stadsschoon 1306-1942 dat de Delftse hoogleraar J.G. Wattjes in samenwerking met Warners schreef. Het kantoorgebouw Keizersgracht 105 ‘kan wellicht in vele gevallen als navolgenswaardig voorbeeld strekken, hoezeer ook het daarbij verloren gaan van mooie interieurs te betreuren is’.
Dit citaat onderstreept dat de focus op het stadsbeeld een keerzijde had: de historische interieurs waren in die tijd vogelvrij. Net als bij het buurpand werden ze door Warners verwijderd, nadat enkele vertrekken kort voor de afbraak door hem waren opgemeten en gedocumenteerd. Betoogde de architect een paar jaar eerder dat het interieur van nummer 107 weinig waardevols bevatte, nu kon hij niet met dit argument wegkomen zonder zichzelf te blameren. Tot de interieurschatten behoorden de behangselschilderingen van Jurriaan Andriessen uit 1785 in de eetkamer, waarvan na de verwijdering ieder spoor ontbreekt. Voorts bevatte de zaal in het achterhuis een monumentale betimmering met pilasters. In dit opzicht was de werkwijze van Warners, nieuwbouw ten koste van kunsthistorisch waardevolle interieurs, beslist niet navolgenswaardig.

De voorkamer op de eerste verdieping Smeedijzeren trappaal van het trappenhuis tussen de bel-etage en de eerste verdieping

‘Broadcasting House’ aan de gracht

Naast de algemene vereisten voor een kantoorgebouw – uiteenlopend van vergaderruimten en kamers voor directie en personeel tot technische ruimten voor installaties – moest Warners rekening houden met meer specifieke wensen van de opdrachtgever. Zo diende plaats te worden ingeruimd voor het onderbrengen van het omvangrijke kaartsysteem met de adresgegevens van de ‘luistervinken’, die geld doneerden voor radio-uitzendingen, en van de abonnees op de Radiobode, het orgaan van de omroepvereniging. De kaarten werden in ladebakken opgeborgen. Voor deze ledenadministratie ontwierp Warners rechts van de ingang een vertrek, dat de gehele diepte van het pand beslaat en dat hij voorzag van een galerij met balustrade en lichtkap. De ruimte kreeg een zakelijke vormgeving en inrichting, zoals blijkt uit oude foto’s in het Warners-archief.
Het voornemen van de AVRO was om van Keizersgracht 105 meer dan alleen een kantoorgebouw te maken. Hierin moesten een studio, een museumzaal en een tentoonstellingsruimte worden ondergebracht. In de Radiobode van de AVRO van 15 maart 1940 staat dat het nieuwe pand bedoeld was als ‘Broadcasting House’. De naamgeving verraadt de voorbeeldwerking van het gebouw van de BBC in Londen uit 1932. Keizersgracht 105 heeft echter nooit als ‘Broadcasting House’ met studio en expositieruimten gefunctioneerd. In 1941 werd het onvoltooide gebouw geconfisqueerd door de Nederlandsche Omroep, die door de bezetter in het leven was geroepen. Warners, die tot zijn geluk bij de voltooiing en inrichting van het gebouw betrokken mocht blijven, moest het geschikt maken voor de verhuur. Verscheidene ruimten kregen zodoende een andere functie dan oorspronkelijk de bedoeling was.
De architect ontwierp een weldoordacht gebouw. De verkeersruimten, die een representatieve functie hadden – en nog altijd hebben – staan in open verbinding met elkaar. Op de bel-etage ontwierp hij een vestibule, met erachter een brede gang die leidt naar een ‘hall’ in het hart van het gebouw. Deze staat aan de noordzijde in directe relatie met een trap naar de eerste verdieping. Ook op de verdiepingen voorzag de architect in een hal annex trappenhuis. De trap naar de hogere verdiepingen is op een andere plaats gesitueerd dan die van de bel-etage naar de eerste verdieping, namelijk tegen de lichthof aan de zuidzijde. De hallen, trappen en gangen maken een allesbehalve sombere indruk doordat ze, dankzij enorme glaspuien, daglicht ontvangen vanuit twee binnenhoven, maar ook door de plaatsing van glazen deuren en wanden als afscheiding van de aanpalende vertrekken. De rijke interieurafwerking is in overeenstemming met de hooggestemde ambities die de AVRO met het gebouw had. De verkeersruimten zijn verfraaid met zwart en wit geaderd marmer voor de vloeren en lambriseringen. Het licht gewelfde stucplafond van de vestibule en gang is opgebouwd uit cassetten in de vorm van grote en kleine ruiten. In de grote ruiten zijn decoraties met bloemmotieven aangebracht. Voor de ‘hall’ ontwierp Warners een gestuct cassetteplafond met in ieder veld een ster. Ook andere vertrekken zijn verrijkt met gedecoreerde stucplafonds. Door de herhaling van motieven zoals de cassetten met het stermotief en de toepassing van wit en zwart marmer bewerkstelligde de architect een eenheid, door te variëren met de motieven zorgde hij tevens voor afwisseling. Groot is dan ook het contrast met naoorlogse voorbeelden van aangepast bouwen, waarvan de interieurs vrijwel altijd als non-descript kunnen worden gekenschetst.

Kunst in dienst van de architectuur

Glas-in-loodraam in het trappenhuis

Warners deed voor de opluistering van het gebouw een beroep op beeldend kunstenaars, onder wie Nico Witteman en Nel Klaassen. Hoewel deze kunstenaars enigszins in de vergetelheid zijn geraakt, gaven zij met hun artistieke bijdrage de interieurs een meerwaarde. Witteman was ingeschakeld voor het leeuwendeel van het siersmeedwerk. Hij kreeg veel opdrachten van de rooms-katholieke kerk. Een proeve van zijn kunnen is het smeedwerk in de Sint-Agneskerk in Amsterdam. In Keizersgracht 105 is het tochtportaal tussen de vestibule en de brede middengang waarschijnlijk van zijn hand. Hetzelfde geldt voor de trapversieringen. Het blijft vooralsnog ongewis of Witteman alleen verantwoordelijk was voor de uitvoering of tevens voor het ontwerp. In het archief Warners zijn tal van schetsen van het smeedwerk bewaard gebleven, onder andere van de spiraalvormige trappaal op de bel-etage. Net als bij veel detailtekeningen in het archief, is niet duidelijk of ze van de ingeschakelde kunstenaars of van de architect zijn. Het trappenhuis ontvangt licht dankzij een legraam dat is voorzien van glas in lood, waarop godheden uit de oudheid zijn uitgebeeld. De maker van dit kwalitatief hoogstaande kunstwerk is vooralsnog onbekend, maar het raam kan zich meten met het beste werk van Charles Eyck en Joep Nicolas. Deze kunstenaars hadden in 1938 glas-in-loodramen gemaakt voor het door Warners ontworpen (niet meer bestaande) bierhuis ’t Brouwerswapen aan het Rembrandtplein.
Nel Klaassen, de eerste winnaar van de Prix de Rome voor monumentale beeldhouwkunst in 1932, was ingeschakeld voor de intarsia van de marmeren vloeren in het gebouw. Vooral de exempels in de hal op de begane grond, met als voorstelling de tekens van de dierenriem, zijn van een hoge kwaliteit. Het ligt in de lijn der verwachting dat Klaassen ook de maker was van de natuurstenen schouw met gebeeldhouwde dierfiguren in een van de voorkamers op de eerste verdieping.
In het archief van Warners worden tal van ontwerptekeningen voor de stucdecoraties in het gebouw bewaard. Aangezien enkele schetsen door Nel Klaassen zijn gesigneerd, zal zij voor deze onderdelen verantwoordelijk zijn geweest. In de gang op de hoofdverdieping zijn op beide wanden de vier seizoenen uitgebeeld. Tegen de achterwand van de ‘hall’ is een klok bevestigd, omgeven door een uitbeelding van Apollo in zijn zonnewagen. Verder is de kamer aan de tuinzijde op de eerste verdieping in de dagkanten van de vensters voorzien van sierlijke stucornamentiek. De voorstellingen roepen de sfeer van de oudheid op, vanwege de tempeltjes, de dracht van de personages en de mediterrane landschappen en flora. De onderwerpskeuze komt overeen met het grote glas-in-loodraam waarin ook wordt gerefereerd aan de klassieke oudheid. De kunstwerken kwamen tot stand in de oorlogsjaren toen de Nederlandsche Omroep het gebouw in gebruik had genomen. Wellicht kozen Warners en de beeldend kunstenaars opzettelijk voor neutrale thema’s uit de oudheid.
Aan de achterzijde van de tuin, tegen de erfscheiding, ontwierp Warners een muur met boogvormige nissen. Hierin zijn vijf gebeeldhouwde bustes geplaatst. Een oude foto in de collectie van het Stadsarchief laat zien dat deze sculpturen reeds vóór de nieuwbouw van Warners in de tuin stonden, maar dat ze toen niet in nissen waren geplaatst.

De brede gang (links), de ‘hall’ en de trap

De renovatie

Nadat het pand in andere handen was overgegaan, onderging het in 2012-2013 een renovatie. De nieuwe eigenaar, Harvest & Millten, nam wijselijk de monumentale waarden van het gebouw als uitgangspunt. Voor de lezers van dit tijdschrift moge deze handelwijze vanzelfsprekend zijn, in de wereld van de ontwikkelaars gelden dikwijls andere mores. In nauw overleg met de monumentenadviseur van Monumenten en Archeologie werd gezocht naar een oplossing voor de strenge brandweereisen die aan een kantoorpand worden gesteld. Dit was geen sinecure. Een van de grootste waarden van het interieur – naast de inbreng van beeldend kunstenaars, de detaillering en het materiaalgebruik – is de ruimtewerking van vestibule, gang, centrale ‘hall’ en trappenhuis, die alle in open verbinding met elkaar staan. Het meest goedkope antwoord op genoemde eisen is het aanbrengen van brandscheidende wanden met alle negatieve ruimtelijke gevolgen van dien. Voor zowel de eigenaar als monumentenzorg was dit geen optie. Gekozen is voor een ogenschijnlijk eenvoudige, maar kostbare ingreep: het brandwerend maken van de bestaande glaspuien. Dit betekende dat alle glasruiten, waarvan door Warners kwistig gebruik is gemaakt, moesten worden vernieuwd. Om te voorkomen dat in de fraaie stucplafonds rookmelders aangebracht dienden te worden, werd geopteerd voor een systeem van branddetectie door middel van een in de ‘hall’ geplaatste sensor.
Wie kans ziet het gebouw te bezoeken, merkt direct op dat de huidige gebruikers een aversie hebben van saaie en uniforme kantoorinterieurs. Ze wisten een jaloersmakende werkomgeving te creëren. Niettemin kunnen uit oogpunt van monumentenzorg enkele kanttekeningen worden gemaakt. De huurder liet de witte wanden met stucdecoraties in de gang en de ‘hall’ donkergrijs schilderen. Deze zouden echter beter tot hun recht komen als ze wit waren gelaten en alleen het fond in een donkere kleur was geschilderd. Ook is het jammer dat het glas-in-loodraam momenteel aan het zicht wordt onttrokken door een glasbak om meer licht in het trappenhuis te verkrijgen. Gelukkig is dit een reversibele oplossing; het is te hopen dat medewerkers en bezoekers in de nabije toekomst weer verrast worden door de kleurenrijkdom van de uitgebeelde godenwereld.

Coert Peter Krabbe

De auteur is werkzaam bij Monumenten en Archeologie van de gemeente Amsterdam Met dank aan Foppe Eshuis, mede-eigenaar en een van de verantwoordelijken voor de restauratie en ontwikkeling van Keizersgracht 105. Het archief van Warners, waarnaar in de tekst wordt verwezen, berust in het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam, dat tegenwoordig als het Nieuwe Instituut wordt aangeduid.

(Uit: Binnenstad 270, mei/juni 2015)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.