Welke taal spreekt de Oude Kerk?

De redactie van Binnenstad was natuurlijk verheugd toen het Architectuurcentrum Amsterdam (Arcam) een tentoonstelling wijdde aan een oud gebouw. Dat was voor zover wij weten nog niet eerder gebeurd.

Bij Arcam beschouwde men het monumentale Amsterdam altijd als een hinderlijke erfenis die geheel ten onrechte de aandacht afleidt van de nieuwe architectuur die in onze stad gemaakt wordt. Deze merkwaardige misvatting vormde ook wel de charme van het architectuurcentrum. Amsterdam werd min of meer met de moed der wanhoop aangeprezen als een moderne stad. De geschiedenis van de bouwkunst leert echter dat alleen de Beurs van Berlage, geopend in 1903, een plaats heeft gekregen in de internationale vakliteratuur. Daarna is Amsterdam architectonisch gezien een provinciestad geworden. Alleen dankzij die vermaledijde monumenten en de monumentenzorg is Amsterdam nog steeds een wereldstad.

Beelden van de tentoonstelling over de Oude Kerk bij Arcam (foto's Wim Ruigrok)

Nu is er dus zowaar een tentoonstelling over de Oude Kerk, getiteld: The Building Speaks. Maar welke taal de oudste kerk van Amsterdam spreekt, wordt geheel niet duidelijk. Voor architectuur- en bouwhistorici spreekt het gebouw een taal die redelijk verstaanbaar is, zij het complex en niet altijd even makkelijk te doorgronden, maar de makers van deze tentoonstelling hebben duidelijk geen idee. De bouwgeschiedenis wordt gereduceerd tot een kinderlijk simpel model dat getuigt van een totaal gebrek aan historisch besef. Met als klap op de vuurpijl een onbenullige toevoeging aan het gebouw, een ‘architectonische installatie’ die pretendeert met wat spiegels een ‘nieuw perspectief’ te openen op de Oude Kerk (zie afbeeldingen).

Daarbij zit er toch een typisch Arcam addertje onder het gras: het monument is een vervelend ouderwets ding. Daarom moet er iets nieuws toegevoegd worden, een perspectief dat alleen door de (post)moderne architectuur geopend kan worden. Ook die visie getuigt van groot onbegrip. Monumenten zijn juist heel dynamisch, maar die dynamiek heeft niets te maken met leuke ideetjes. Het zijn gebouwen met een ongekende architectonische gelaagdheid die de geschiedenis van het maatschappelijk leven in de stad weerspiegelt. De architectuur van de monumentenzorg is ook moderne architectuur, alleen veel leuker, subtieler en intelligenter dan de banale rommel die altijd bij Arcam wordt geëxposeerd.

Eerlijk gezegd raakte ik bij mijn bezoek aan deze volkomen waardeloze tentoonstelling bevangen door het idee dat het architectuurcentrum zichzelf overleefd heeft. Er was verder niets te doen. Toen Maarten Kloos destijds begon leek alles nog anders, maar nu gelooft niemand meer dat nieuwe architectuur in Amsterdam nog iets aan de stad kan toevoegen. Het ooit modieuze gebouwtje dat hij aan de Prins Hendrikkade heeft laten bouwen, achteraf beschouwd een wat ongelukkige locatie, is natuurlijk vooral erg onpraktisch. Maar wie weet kan het architectuurcentrum nog iets bijdragen aan de informatie van toeristen die niet alleen voor de weed en de hoeren komen. Het moet mogelijk zijn, met enige kennis van zaken, om een tentoonstellingsbeleid te formuleren dat een goed beeld geeft van het historische Amsterdam en de permanente verbouwing die gaande is. Ook het gemeentebestuur gelooft nog steeds dat nieuwbouw zaligmakend is, maar werkelijk visionair stedenbouwkundig beleid is een goed monumentenbeleid.

Vincent van Rossem

(Uit: Binnenstad 273, november/december 2015)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.