Met Ron Nieuwenhuis op zoek naar vergeten groenen

Met enige regelmaat bellen er mensen naar de VVAB met vragen over historisch kleurgebruik. Zij vragen meestal of de Vereniging hen kan adviseren t.a.v. de juiste kleuren voor grachtengroen, Bentheimer, stoepengrijs etc. Wij leggen dan uit dat dat allemaal mengkleuren zijn, kleuren die vroeger door iedere schilder zelf werden samengesteld en waarvan in principe ontelbare varianten bestaan: afhankelijk van de gebruikte pigmenten en de verhouding van die pigmenten.
Kleurenwaaier van de Commissie Stadsschoon Amsterdam (E. van Houten), circa 1925 (foto’s BMA)

In Amsterdam zijn de meeste deuren, zeker langs de grachten, groen geschilderd, ‘grachtengroen’. De gevels zijn veelal opgetrokken uit baksteen, maar voor toppen en andere natuursteenelementen gebruikte men vaak zandsteen uit Bentheim, vlak over de grens achter Oldenzaal. Als de steen verkleurde – zoals bij het stadhuis op de Dam – werd hij in de oorspronkelijke kleur overgeschilderd en ook houten kozijnen en gootlijsten zijn vaak in zandsteenkleur geschilderd om de suggestie van zandsteen te wekken. Deze kleuren zijn vastgelegd in het vooroorlogse kleurenwaaiertje van de Amsterdamse Commissie Stadsschoon, dat is samengesteld door bouwinspecteur Eelke van Houten. Afgaande op het handschrift dateert het ongeveer uit jaren ’20 van de vorige eeuw, maar de kleuren gaan terug op een kleurbeeld dat circa 1830 is ontstaan – in ieder geval na de introductie van het chromaatgeel (1818). De waaier bestond uit vier kleuren: ‘gebroken wit’, ‘Bentheimer’, ‘groen’ en ‘diepgroen’. Het wit werd gebruikt voor kleine roedenramen, de ‘Bentheimer’ voor de kozijnen en gootlijsten, en de groenen voor deuren, luiken en ramen. En zo is het feitelijk nog steeds, mede omdat deze kleuren tot op de dag van vandaag zijn vastgelegd in het gemeentelijk beleid. Als we de waaier nader bekijken, valt op dat de verhoudingen van de genoemde pigmenten niet zijn vermeld en de kenner fronst misschien zijn wenkbrauwen bij de aangegeven pigmenten.

Een aantal panden van de stichting Diogenes zijn echter in een enigszins afwijkende kleurstelling geschilderd: in het algemeen is een wat zwaardere Bentheimer toegepast, bij vroeg-zeventiende-eeuwse huizen vaak een rode ijzeroxidekleur voor luiken, maar wat het meest in het oog springt zijn de heldere groenen, of misschien beter: de verschillende soorten groen. Niet alleen de meer heldere groene kleur uit het waaiertje van Van Houten, maar ook bijvoorbeeld een donkere olijfkleur of een diepgroene kleur die meer naar blauw neigt.
Degene die hiervoor verantwoordelijk is, is Ron Nieuwenhuis, die vanaf 1981 bouwopzichter is van de stichting Diogenes en binnenkort afscheid neemt. In de afgelopen 35 jaar zijn er veel panden onder zijn toezicht hersteld. Bij herstel en onderhoud is kleur natuurlijk ondergeschikt aan de architectuur, niet iets waar men altijd uitgebreid onderzoek naar kan doen, maar Ron Nieuwenhuis had hiervoor een speciale belangstelling. Wanneer ik hem spreek, vertelt hij dat hij zich bij het bepalen van de kleuren in principe laat leiden door de kleursporen die hij aantreft, door de historische verflagen.

Juist omdat niet altijd duidelijk is uit welke pigmenten ze zijn samengesteld, zijn de historische groenen met een zekere raadselachtigheid omgeven. In mindere mate geldt dit ook voor andere historische kleuren, zoals rode ijzeroxiden, maar bij de kleurrestauraties van Ron Nieuwenhuis vallen de verschillende groenen het meest op. Raadselachtig ook, omdat we tegenwoordig vooral nog het donkergroen kennen. Alleen op enkele plaatsen, rond de Zeedijk bijvoorbeeld, zien we nog wel eens een oud, meer heldergroen pakhuisluik – de andere groen uit het waaiertje. Maar op achttiende-eeuwse afbeeldingen is een heel ander groen afgebeeld, een kleur die tegenwoordig bij restauraties wel eens wordt teruggebracht, echter niet altijd even overtuigend. Want wat was dat nu eigenlijk voor kleur? Enig onderzoek wijst uit dat veel historische groene pigmenten vanwege hun eigenschappen en giftigheid tegenwoordig niet of nauwelijks meer verkrijgbaar zijn en dat dus vrijwel niemand weet hoe ze er precies uit hebben gezien.

Kleurrestauraties van Ron Nieuwenhuis

Wanneer we door de stad fietsen, zijn we onder de indruk van de kleurstelling van de panden die Ron Nieuwenhuis onder handen heeft genomen, van Herengracht 109 bijvoorbeeld, een achttiende-eeuws pand op een dubbel kavel. De baksteen, die onder een donkere olielaag schuilging, werd weer in het zicht gebracht en het tympaan is in twee zandsteenkleuren geschilderd. Hiervoor is duidelijk een zwaardere ‘Bentheimer’ gebruikt dan bij de buren, maar het snijwerk binnen het tympaan in een wat lichtere kleur steekt hier subtiel tegen af. De deuren, ramen en luiken hebben verschillende kleuren groen, waarbij de deur het meest helder is. Is dit een eerste aanzet tot een nieuwe kleurstelling, die meer recht moet doen aan het achttiende-eeuwse karakter van het pand? Nee, het gaat er juist om de oorspronkelijke kleur van de negentiende-eeuwse deur te tonen.
Ook zeer geslaagd is de gevel van de Doopsgezinde kerk aan de Herengracht. Voorheen was deze gevel, net als veel gepleisterde gevels, wit geschilderd, maar bij de laatste schilderbeurt kreeg hij zijn ‘origenele’ zachtgele zandsteenkleur weer terug, die werkelijk prachtig combineert met de diepgroenblauwe kleur van de deur en het monumentale hekwerk, dat het kerkpleintje van de straat afscheidt.
Het volgende pand dat onze aandacht trekt is Binnenkant 28, een huis aan de Oude Waal uit circa 1725. Ook hier is de top in een zandsteenkleur geschilderd, terwijl de deur en de T-ramen grachtengroen zijn. Het luik bovenin de gevel heeft echter een opvallend felgroene kleur, die het meest doet denken aan Spaans groen: een lastig te bewerken blauwgroen pigment, dat echter uitstekende conserverende eigenschappen had. Spaans groen werd in de zeventiende eeuw in Amsterdam kunstmatig vervaardigd door zuren op koperplaten in te laten werken. De ‘koperroest’ die zo ontstond diende als pigment en werd veel gebruikt, totdat het omstreeks 1850 geheel werd verdrongen. Maar kan het dat zijn? Deze kleur is hier aangebracht, omdat het op een van de luiken is gevonden, al lijkt het luik met de smalle planken niet heel erg oud. De felgroene kleur is echter met zekerheid historisch: we kennen deze bijvoorbeeld van ontwerptekeningen van Philips Vingboons. Uit een vroeg-negentiende-eeuws schildershandboek (Lambertus Simis, 1809/1829) blijkt dat het pigment vanwege de geringe dekkracht werd gemengd met loodwit of okergeel. Het laatste levert een mos- of olijfgroene kleur op, die mogelijk het zachte groen van veel deuren en luiken op achttiende-eeuwse afbeeldingen verklaart.

Koestraat 34-36 (foto: Wim Ruigrok)
De deuren van Koestraat 34-36, ook een pand uit circa 1725, hebben een ‘donkere olijfkleur’. Deze deuren zijn niet origineel en de kleur is dan ook niet teruggevonden, maar werd oorspronkelijk gemaakt door Spaans groen en oker met zwart bij te mengen of meer eenvoudig: als mengsel van zwart en oker. Hier werd voor deze kleur gekozen op grond van historische en esthetische motieven.
Tenslotte fietsen we langs Kerkstraat 316-320, een rijtje eenvoudige volkswoningen uit het begin van de negentiende eeuw, met heldergroene deuren en luiken. Dit groen heeft een duidelijk ander karakter, dat op ‘standgroen’ wijst: een prettig dekkende en goed uitvloeiende verf, gemaakt van Pruisisch blauw, chromaatgeel, Bremergroen en standolie. Afhankelijk van de mengverhouding leverde dit een heldergroene tot zeer diep donkergroene kleur op: ‘grachtengroen’.
Hiermee is de cirkel rond, al blijft het ‘mysterie’ van de historische groenen bestaan en zullen we dit wellicht ook nooit helemaal achterhalen. ‘Bremergroen’, ‘Frieschgroen’ en Schweinfurtergroen: voor vrijwel elke teruggevonden kleur geldt dat men nooit met zekerheid kan zeggen hoe deze er oorspronkelijk uit heeft gezien: verflagen zijn verkleurd en aan de hand van laboratoriumonderzoek kan men wel de gebruikte pigmenten bepalen, maar de verhouding daartussen is al minder gemakkelijk en bovendien weet men nooit of de tegenwoordig verkrijgbare pigmenten dezelfde zijn als de historische.

Hoe het ook zij, de waarde van de kleurrestauraties van Ron Nieuwenhuis is dat hij naar de historische kleuren op zoek ging en daarbij buiten de gebaande paden trad om recht te doen aan de kleuren die hij aantrof. Daarbij durfde hij ook te experimenteren. Soms leidde dit tot verrassende resultaten, waarbij de kleuren elkaar versterken en tot leven komen, een andere keer leverde dit kleuren op die uit esthetisch oogpunt onbevredigend lijken. Maar hij verwonderde zich daar dan over en dacht dat wij het verband waarbinnen die kleur in het verleden werd toegepast gewoon nog niet helemaal begrepen, want een kleur kan men feitelijk alleen beoordelen in haar samenhang. Elke restauratie is een zoektocht, waar de genoemde gebouwen als stille getuigen van spreken, soms stralend in hun onderling verband, een andere keer nog onvoltooid – als aansporing om verder te zoeken.

Juliet Oldenburger

(Uit: Binnenstad 273, november/december 2015)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.