Heeft elke Hollandse stad haar eigen kleurbeeld?

Ter gelegenheid van het afscheid van Ron Nieuwenhuis, bouwopzichter van de stichting Diogenes, organiseerde de stichting op 24 november 2015 samen met de VVAB een klein symposium in de Zuiderkerk over historisch kleurgebruik in de Amsterdamse binnenstad. Na een introductie over de kleurrestauraties van Ron Nieuwenhuis vertelde Ruth Jongsma over het kleuronderzoek dat zij had gedaan naar de Amstelhof/Hermitage. Vervolgens gaven Kees Rouw en Hendrik Groeneweg een presentatie over het project dat zij in Dordrecht hadden opgezet om voor die stad een kleurenwaaier te ontwikkelen.

Na afoop van de voordrachten ontspon zich een levendige discussie, o.m. over het zwart schilderen van gevels. Naar aanleiding van de presentatie van de Dordtse waaier werd gevraagd of deze niet gewoon in Amsterdam zou kunnen worden gebruikt. Zouden de toegepaste kleuren niet in alle Hollandse steden min of meer hetzelfde zijn? Inmiddels was ook Mariël Polman, kleurspecialiste van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, achter de tafel aangeschoven. Op de vraag of de VVAB voor Amsterdam niet een vergelijkbare waaier zou kunnen ontwikkelen, antwoordde zij dat hiervoor eerst meer kleuronderzoek moest worden gedaan en adviseerde zij om te beginnen met een analyse van de verschillende projecten die inmiddels hebben plaatsgevonden, ook in Leiden en Groningen.

Deze gepleisterde gevels op de hoek van de Oude Hoogstraat en de Oudezijds Achterburgwal zijn zo geschilderd dat het lijkt of zij zijn opgetrokken uit Bentheimer zandsteen (foto: Wim Ruigrok).

Er bestaat inmiddels een vrij compleet beeld van welke pigmenten beschikbaar waren en in de loop van de eeuwen in Nederland zijn toegepast, maar over specifieke situaties, menging van kleuren en kleurcombinaties is nog veel onbekend.
De belangrijkste kleur van een bouwwerk wordt meestal bepaald door het materiaal dat niet is geschilderd: de toegepaste steensoort en de dakbedekking. In Amsterdam is als steensoort vaak een rode of bruine baksteen gebruikt, maar er werd ook wel natuursteen toegepast, zoals Belgisch hardsteen bijvoorbeeld of zandsteen, dat uit verschillende locaties in Duitsland kwam, o.m. okerkleurige uit Bentheim en een meer grijze steen uit Oberkirchen. Met name basementen, gevelbeeïndigingen, en deur- en vensteromlijstingen zijn vaak van natuursteen gemaakt. Ook een combinatie van baksteen en natuursteen komt regelmatig voor.
Het bouwmateriaal kwam zo mogelijk uit de directe omgeving of werd aangevoerd via de meest voor de hand liggende distributiekanalen. Zo zien wij in het zuiden van ons land vaker dan in de noordelijke helft Belgisch hardsteen toegepast, waarschijnlijk vanwege de aanvoer over de Maas. Ook komt in sommige streken veel gele baksteen voor; de gele kleur wordt veroorzaakt door het hogere aluminiumgehalte van de, vaak plaatselijk gewonnen rivierklei. De toegepaste steensoorten geven iedere stad of streek hun eerste kleurbepaling.

Schilderen van hout

Behalve de toegepaste steen is ook het houtwerk van invloed op het kleurbeeld. Voor de constructie of het ‘skelet’ van de meeste Amsterdamse woonhuizen werd oorspronkelijk hout gebruikt, soms in combinatie met leem of baksteen. Tot circa 1650 werd veelal eikenhout toegepast, een tamelijk weersbestendige inlandse hardhoutsoort. Op oude schilderijen, zoals van Pieter Brueghel de jongere, lijkt dat eikenhout onbehandeld; door invloed van het weer is het alleen enigszins vergrijsd. Houten huizen werden ook wel geteerd, al was dat in Amsterdam wegens brandgevaar al sinds 1503 verboden. Toen het eiken halverwege de zeventiende eeuw werd vervangen door grenenhout, moest het hout worden geschilderd. Hiervoor gebruikte men lijnolieverf. Tot circa halverwege de negentiende eeuw was er maar een beperkt aantal pigmenten geschikt voor buitenschilderwerk, dat wil zeggen goed bestand tegen weersinvloeden en niet al te kostbaar. De meest betrouwbare verfstoffen voor de verduurzaming van hout waren loodwit, verschillende rode ijzeroxiden en groene koperverbindingen. Voor binnenschilderwerk was de keuze wat ruimer, omdat de verf minder te lijden had en mogelijk ook omdat men eerder bereid was aan het interieur wat meer geld te spenderen.

Beperkt aantal verfstoffen

Aangezien natuurlijke aardpigmenten uit diverse groeves werden aangeleverd en vele kleine fabrieken synthetische verfstoffen maakten, kon de kleur en qualiteit van de pigmenten naar gelang de herkomst enigszins verschillen. Veel historische pigmenten zijn aardkleuren, vaak genoemd naar de plaats waar de grond gekleurd is door een hoog gehalte aan ijzeroxiden of koperverbindingen: denk aan siena, bruine omber uit Umbrie en groene aarde uit Bohemen bijvoorbeeld. Deze, niet in water oplosbare verfstoffen worden al sinds de prehistorie gebruikt. Ook kon men pigmenten verkrijgen door het jnmalen van gesteenten. Een goedkoop en veel voor buitenschilderwerk gebruikt pigment is gemalen leisteen, maar ook kostbare halfedelstenen als azuriet, malachiet en lapis lazuli werden tot pigment vermalen voor toepassing in de schilderkunst. Aardpigmenten en gemalen gesteenten werden uit het buitenland geïmporteerd. Hoewel de fabricage van synthetische verfstoffen met name uit steenkoolteer sinds 1850 een hoge vlucht heeft genomen, is de kunstmatige vervaardiging van pigmenten, door onder bepaalde omstandigheden versneld een chemische reactie op te wekken, al sinds de vroege oudheid bekend; zo is er Egyptisch blauw aangetroffen op beelden uit 2500 voor Christus en Vitruvius noemt daarnaast loodwit, loodmenie en verdigris (De architectura VII, 12). In de loop van de tijd werden echter steeds meer nieuwe synthetische kleuren ontdekt. Voor (binnen- en) buitenschilderwerk belangrijke voorbeelden hiervan zijn o.m. synthetische ijzeroxiden als rode dodekop (oudheid), vermiljoenrood (vroege middeleeuwen), smalt (1550), pruisisch blauw (1709) en chromaatgeel (1809).
Toch was de kleurkeuze voor het exterieur tot circa 1850/1900 beperkt, vanwege het feit dat niet elk pigment even weerbestendig was.

Plaatselijke fabricage van pigmenten

Indien het recept bekend was, konden synthetische verfstoffen ter plaatse worden geproduceerd. Zo werd er in de zeventiende eeuw in Amsterdam loodwit, vermiljoen, kopergroen en ‘blauwsel’ gemaakt. Een belangrijke bron voor kleur- en verfstoffen in Amsterdam waren waarschijnlijk ook de verfmolens in de Zaanstreek. Uit het gebied rond de Zaan zijn 62 verfmolens bekend, waarvan de eerste in 1601 door Pieter Jansz. van der Ley in gebruik werd genomen om ‘brazielhout’ te malen, een rode kleurstof, die o.m. werd gebruikt voor het verven van textiel. Ook de molens in de Zaanstreek produceerden loodwit, vermiljoen en daarnaast verschillende groenen, w.o. Spaansgroen en Bremergroen (bekend vanaf 1760) en combinaties daarvan, bekend onder de naam ‘Zaans groen’. Vanaf 1702 werden er door ‘blauwzelmaalderij’ De blauwe hengst te Westzaan tevens blauwe verf- en kleurstoffen gefabriceerd en gemalen. Om welk pigmenten het hier gaat, is niet helemaal duidelijk, maar bij opgravingen is o.m. smalt gevonden, dat verkregen werd door ‘saffer’ of kobalterts samen met glas te smelten. Smalt was een niet al te dure blauwe verfstof, die halverwege de zestiende eeuw (opnieuw) was ontdekt en vooral in de Delftse aardewerkindustrie werd gebruikt, maar ook wel voor schilderwerk buitenshuis, al vergrijsde de blauwe kleur langzaam door de inwerking van vocht. Tot de pigmenten die in de Zaanstreek werden gemalen behoren o.m. krijtwit, oker, ijzeroxiderood, omber en verschillende zwarten. Als synthetische verfstoffen werden in dit gebied loodwit, loodmenie, vermiljoen, Spaans- en Bremergroen, smalt en kunstmatige ultramarijn (ontdekt in 1826/1828) gefabriceerd.
Hoewel de meer gangbare kleuren vermoedelijk wel in alle Hollandse steden verkrijgbaar waren, konden de qualiteit, de kleurnuance en misschien vooral het aanbod van pigmenten van plaats tot plaats en van leverancier tot leverancier verschillen.

Mengkleuren, modes en traditie

Tot circa 1930 maakte iedere schilder zelf zijn verf. Hiertoe werden jngemalen pigmenten met lijnzaadolie gewreven. Afhankelijk van de gewenste kleuren gebruikte men het pigment puur of gemengd met andere kleuren. Om de indruk van steen te wekken werden houten kozijnen, deuromlijstingen en gevelbeïndigingen vaak in een natuursteenkleur geschilderd: voor ‘hardsteen’ mengde men wit, (bruin) en zwart, en om ’Bentheimer’ zandsteen uit te beelden: wit, gele oker of omber en een tikkeltje zwart. Deuren, luiken en ook wel raamroeden kregen vaak een meer uitgesproken kleur. Hiervoor werden kleurencombinaties gebruikt als Spaans groen met loodwit, Spaans groen en oker (‘lichte olijfkleur’), zwart en oker (‘donkere olijfkleur’), paarse dodekop en zwart (‘paarsdekkend bruin’), en pruisisch blauw met Bremergroen en chromaatgeel (‘grachtengroen’). Al deze mengkleuren waren behalve afhankelijk van de beschikbaarheid van (nieuwe) pigmenten onderhevig aan modes en plaatselijke tradities.
Toen er aan het begin van de twintigste eeuw een onbegrensde keuze aan kleuren leek te ontstaan, werd deze door de Amsterdamse Commissie voor het stadsschoon o.l.v. bouwinspecteur Eelke van Houten (1872-1970) ingeperkt om de harmonie van het stadsbeeld te bewaren. Tot op de dag van vandaag bepaalt het kleurenwaaiertje van Van Houten het kleurbeeld van de stad. Sinds vanaf circa 1930 verf steeds vaker in potten wordt geleverd en steeds minder door schilders zelf gemengd, is een nog verdergaande standaardisering van (meng)kleuren opgetreden.
Op grond van het hierbovenstaande is het aannemelijk dat in de meeste Hollandse steden wel vergelijkbare pigmenten verkrijgbaar waren, maar dat het kleurbeeld toch per stad of streek verschilde afhankelijk van de lokale beschikbaarheid en aanvoer van bouwmaterialen, de imitatie van die materialen, locale productie van pigmenten, plaatselijke tradities, modes en beleidsmaatregelen.
De Dordtse waaier bevat relatief veel grijzen en weinig groenen. De grijzen zijn mogelijk verklaarbaar uit het feit dat er in deze rivierstad een grotere toevoer was van Belgisch hardsteen. In een palet voor Amsterdam zouden de groenen echter niet mogen ontbreken.

Juliet Oldenburger

Literatuur
Ruth Jongsma, Besjeshuis, [...] Amstelhof, Hermitage Amstel 51 Amsterdam. Kleurhistorisch onderzoek exterieur, 2008 (niet gepubliceerd).
Kees Rouw en Hendrik Groeneweg, Dordtse kleuren. Architectuur ontmoet kleur in de oudste stad van Holland, Bussum (THOTH) 2011.
D.J. Honig, 'De invloed van de molens op het industrieele leven in de gouden eeuw', 27ste Jaarboek Amstelodamum, 1930, p. 79-159.
F. Mars, 'Iets uit de geschiedenis van de Zaanse verfindustrie' (1967) in: Restauratievademecum, UDC 691.57, RVblad 01-1-6 (RDMZ/Sdu 1985).

(Uit: Binnenstad 274, januari/februari 2016)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.