Zondag, autorust in Amsterdam?

De Vrienden van Diogenes wisten waaraan zij toe waren; zij droegen bij aan het herstel van oude huizen en daardoor aan het behoud van het karakteristieke stadsbeeld van Amsterdam. De Vrienden van de Binnenstad weten het niet zo zeker; zij kunnen onverwachts ontdekken, dat zij deelnemen aan akties waarmede zij het niet eens zijn of aan de doelmatigheid waarvan zij op zijn minst twijfelen. Zo wordt nu blijkens het december-nummer van De Lamp begonnen met een aktie voor 'auto-rust in Amsterdam', voorlopig alleen op zondag, maar wie weet, straks ook op andere dagen.

Schrijver dezes behoort tot hen, die daarvan schrikken, en die schrik vloeit voort uit het besef dat met het verkeer het gehele funktioneren van de stad in het geding komt. Niemand zal bestrijden dat de auto overal en zeker in een oude binnenstad veel bezwaren met zich mede brengt; het behoort tot de mode dezer dagen die bezwaren breed uit te meten. Maar ook kan niemand ontkennen dat een autovrije stad morsdood dreigt te gaan. Denk aan de bewoners van de binnenstad; velen van hen zullen voor zichzelf en voor hun bezoekers verlangen dat de auto niet te ver weg geparkeerd kan worden. Hoevelen zullen weggaan als men hun die gelegenheid ontneemt? Denk ook aan de bedrijven, die er moeten zijn in een levendige, ook voor toeristen aantrekkelijke, binnenstad: winkels (warenhuizen zowel als boetiekjes), kantoren (van grote banken en handelsmaatschappijen maar ook van advokaten en notarissen), onderwijsinstellingen, horeca- bedrijven, musea, enz. Veel van deze instellingen zullen per auto bereikbaar moeten zijn, voor bezoekers, leveranciers en soms ook voor hen die er werken. Het in 1975 door de stichting Amsterdam City uitgegeven boekje 'Amsterdam, denk om je hart' bevat in dit opzicht ernstige waarschuwingen.
Uiteraard kan men de auto in de binnenstad niet helemaal vrij laten. Veel overbodig verkeer kan geweerd worden door gerichte maatregelen; men denke aan de verplaatsing van het bodecentrum, dat eens aan Spuistraat en N.Z. Voorburgwal gevestigd was maar dat nu zit in het gebied van de Westhaven. Aan het parkeren moet meer gedaan worden. Het stadsbeeld heeft meer te lijden van de parkerende dan van de rijdende auto; het lelijke beeld van de duizenden auto's die stilstaan langs de walle-kanten van de grachten, is ons maar al te goed vertrouwd. Waarom is Amsterdam, om het boekje van Amsterdam City aan te halen, de enige stad met allure in de wereld, die het parkeerprobleem praktisch op zijn beloop heeft gelaten? De stad heeft behoefte aan een systematisch gespreid net van parkeergarages en kan in kombi-natie daarmede heel wat parkeren op de openbare weg verbieden. Laten wij ons eens voorstellen, dat wij parkeergarages zouden hebben onder de hoofdgrachten en dat op straatniveau langs die grachten parkeerverboden zouden gelden, hoe zou het aanzien van de stad er niet op vooruitgaan. Goed, een pleidooi dus voor een voorzichtige, genuanceerde aanpak, die op den duur van meer echte kracht zal getuigen dan maatregelen, die overkomen als het gestoei van de welbekende olifant in de porseleinkast.
Laten de 'Vrienden van de Binnenstad' zich niet te veel verwijderen van de taak, die zij in de dagen van Diogenes op zich namen: kundig herstel van oude Amsterdamse huizen in hun aanvankelijke glorie. Gaan wij ver buiten die eigenlijke taak, dan vrees ik dat het misloopt. Men kan als algemene regel in het leven stellen, dat men het meeste bereikt als men zich beperkt tot een niet te uitgestrekt terrein waarop men waarlijk deskundig is; overschrijdt men grenzen van dat terrein, dan boet men in aan gezag en bereikt uiteindelijk minder. Ik hoop dat onze vereniging ermede voort zal gaan Amsterdamse harten met geslaagde restauraties te verkwikken en dat zij zich overigens voorzichtig zal opstellen.

G.Th J. Delfgaauw

Reactie

De bezorgdheid die prof. Delfgaauw uitspreekt in zijn reaktie op het artikel van Mr. R. Dufour in ons decembernummer, wordt door velen gedeeld. Daar staat de bezorgdheid, sterker: de benauwdheid tegenover van hen die zien hoe in alle oude steden van Europa, uitgezonderd Venetië en enkele bergstadjes met trappen in de straten, de wassende autostroom elk stedelijk leven dreigt te verstikken. De Europese Monumen-tenzorg-tentoonstelling die in oktober in het Rijksmuseum werd gehouden, toonde vele voorbeelden van pogingen om die vloed in te dammen en om te leiden. Prof. Delfgaauw is ervan overtuigd, dat een autovrije stad morsdood zal zijn.
Dat was ook niet de strekking van Dufour's betoog. We weten wel wat de gevolgen zijn van het lichtvaardige vertrouwen dat uiteindelijk 'de wal het schip wel zal keren'. Voordat het zover komt, is de wal, d.w.z. de fragiele stedebouwkundige en maatschappelijke struktuur, voorgoed kapot. Dat gevaar is o.i. véél konkreter en dreigender dan de gevolgen van een imaginaire geheel autovrije stad. Prof. Delfgaauw bepleit een voorzichtige, genuanceerde aanpak van de auto-overlast. Dat onderschrijven wij, al zullen de aksenten en nuances in zijn kijk op het probleem iets anders zijn dan in de onze. Emotie is daarbij niet te vermijden, al ware het slechts omdat in het tegenwoordige autogebruik, zowel rijdend als parkerend, zoveel irrationele elementen schuilen, De status-waarde die aan de auto voor huis- en kantoordeur wordt toegekend, zal niet verdwijnen doordat het autogebruik moeilijker en duurder wordt. Er moet een emotie bij komen die sterker is, namelijk de ontdekking dat het in vele gevallen best kan op de fiets of in de tram, en dat de stad dan ineens een bijna-vergeten attraktie krijgt. Om dat heilzame schok-effekt te bereiken, zou de autorust op zondag wel eens een goed middel kunnen zijn. Zeker niet het enige; al jaren lang zijn er deskundigenkommissies bezig die rapport na rapport produceren. Zodra de voorstellen de uitvoeringsfase naderen, stagneert het. Enquêtes tonen aan dat op sommige punten de parkeerruimte met 40% verminderd zou kunnen worden, zonder het noodzakelijke autoverkeer aan te tasten. Er is een "belanghebbenden-parkeersysteem" uitgewerkt, dat óf met vergunningen voor speciale plaatsen, of met abonnementen kan funktioneren. De garageverordening die een eind moet maken aan het voortwoekerende misbruik van binnenterreinen voor parkeren, wacht op het moment dat zij van kracht wordt. Maar wanneer komt dat moment? Prof. Delfgaauw meent dat ons blad zich zou moeten beperken tot het kundig herstel van oude Amsterdamse huizen. Dat onderwerp houdt voor ons een centrale plaats, maar het gaat niet om de gebouwen alleen. Het gaat ook om het stadsleven dat zich in en om die huizen afspeelt. Zolang dat verstikt in de bliklawine, de stank en het lawaai, blijft het huizenherstel half werk.

Geurt Brinkgreve

(Uit: De Lamp van Diogenes 37, april 1976.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.